CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 57 - Incompatibiliteiten

INHOUD
  1. Grondwettelijke incompatibiliteiten
  2. De uitzondering van het derde lid
  3. Wettelijke incompatibiliteiten en niet gelijktijdig uit te oefenen ambten
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie maart 2016[1]

1. Grondwettelijke incompatibiliteiten

Wie verkozen wordt tot lid van een van de Kamers van de volksvertegenwoordiging, kan volgens artikel 57 Grondwet een aantal andere ambten niet bekleden of uitoefenen. De ratio achter de vaststelling van incompatibiliteiten is, kort gezegd, het beginsel van de scheiding van machten. De onafhankelijkheid van de centrale staatsorganen zou in sommige gevallen niet gewaarborgd zijn wanneer verschillende ambten door één en dezelfde persoon zouden worden gedragen. Dat niemand lid kan zijn van beide Kamers van de volksvertegenwoordiging is reeds omdat men slechts eenmaal lid kan zijn van de Staten-Generaal vanzelfsprekend.[2]

Het tweede lid van artikel 57 geeft aan welke ambten onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de Staten-Generaal. Om te beginnen kan een lid van de Staten-Generaal niet tevens minister of staatssecretaris zijn. De verhoudingen in het Nederlandse parlementaire stelsel brengen, zo stelt de grondwetgever, mee dat een duidelijke scheiding tussen regering en Staten-Generaal nodig is. Voorkomen moet worden dat een discrepantie zou kunnen ontstaan tussen de opvatting van een bewindspersoon als lid van het kabinet en diens standpunten als lid van een Kamerfractie.[3] In landen als Engeland, waar ministers per definitie tevens parlementslid zijn, en Duitsland, waar dat meestal het geval is, is dit overigens geen probleem: een minister is gebonden aan het regeringsstandpunt. Ten aanzien van het lidmaatschap van de Raad van State is van belang dat de Raad een belangrijke adviserende rol heeft bij de totstandkoming van wetten en in voorkomende gevallen geroepen kan zijn het koninklijk gezag waar te nemen.[4] Voor het lidmaatschap van de Hoge Raad wordt overwogen dat de leden van dat college worden benoemd uit een voordracht, op te stellen door de Tweede Kamer (artikel 118, eerste lid, Grondwet); daarnaast heeft de Hoge Raad een speciale rol bij de vervolging van ambtsmisdrij­ven van – onder meer – de leden van de Staten-Generaal (artikel 119 Grondwet).[5] Eenzelfde redenering gaat op voor de procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad. En ten aanzien van leden van de Rekenkamer geldt opnieuw dat zij worden benoemd uit een door de Tweede Kamer op te stellen voordracht (artikel 77, eerste lid, Grondwet).[6] De onverenigbaarheid van een Kamerlidmaatschap met het ambt van Nationale ombudsman of substituut-ombudsman werd in 1999 toegevoegd, tegelijk met de verankering van de Nationale ombudsman in de Grondwet (artikel 78a Grondwet).[7] De aard van de werkzaamheden van de Nationale ombudsman – het behandelen van klachten over het optreden van overheidsinstellingen jegens de burger – brengt mee dat deze volledig onafhankelijk van de andere organen in de staat dient te zijn.
 

2. De uitzondering van het derde lid

Op het uitgangspunt van de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de Staten-Generaal met het ambt van minister of staatssecretaris, wordt in het derde lid van artikel 57 een uitzondering gemaakt. De bepaling ziet vooral op de periode van kabinetsformatie na verkiezingen. Indien een minister of staatssecretaris tot Kamerlid is gekozen en wellicht ook na de vorming van een nieuw kabinet Kamerlid zal blijven, zou het voor het demissionaire kabinet ontwrichtend werken als een deel van de bewindslieden onmiddellijk zou vertrekken. Ook vanuit de Tweede Kamer bezien is zo’n keuze onwenselijk . De onderhandelingen over de vorming van een nieuw kabinet zullen immers veelal worden gevoerd door de nieuw gekozen fractievoorzitters van de verschillende politieke partijen. In veel gevallen bevinden zich daaronder tevens demissionaire bewindslieden uit het vertrekkende kabinet. Deze onderhandelaars zouden, wanneer zij gebonden zouden zijn aan de onverenigbaarheid van beide functies, moeten kiezen voor ofwel het Kamerlid­maatschap ofwel het (demissionair) ministerschap, waarmee de onderhandelingen over de kabinetsformatie bemoeilijkt zouden kunnen worden.[8]
Tot 1983 beperkte de Grondwet de tijdelijke verenigbaarheid van beide functies tot een periode van drie maanden na de verkiezingen.[9] Ten tijde van de algehele grondwetsherziening werd echter vastgesteld dat een maximale tijdsduur voor de verenigbaarheid een te grote druk op het proces van kabinetsformatie zou kunnen leggen en werd gekozen voor een bepaling die geen tijdslimiet vastlegde.[10]
 
 
Onderhandelingen in het kader van de formatie van het kabinet-Rutte II. Demissionaire ministers Rutte en Kamp combineren gedurende de kabinetsfomatie hun ministerschap met het lidmaatschap van de Tweede Kamer; Kamp is tegelijk ook informateur. Foto: Elsevier.nl
 
Anders dan tot 1983 is de tijdelijke verenigbaarheid van beide functies niet uitsluitend gekoppeld aan verkiezingen. Ook wanneer een minister tussentijds ontslag aanbiedt, kan deze, indien hij of zij bij de laatste verkiezingen tot Kamerlid was verkozen, een eventueel vrijgekomen zetel innemen totdat omtrent het aangeboden ontslag is beslist.
 

3. Wettelijke incompatibiliteiten en niet
    gelijktijdig uit te oefenen ambten

Het vierde lid van artikel 57 geeft aan dat de wetgever kan bepalen dat andere dan de reeds genoemde openbare betrekkingen niet tegelijk met het lidmaatschap van de Staten-Generaal kunnen worden uitgeoefend. De wetgever heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt met de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.[11]

Overigens kent de tekst van het vierde lid van artikel 57 strikt genomen de wetgever geen bevoegdheid toe om bijkomende onverenigbaarheden in het leven te roepen. Het vierde lid geeft in feite slechts de bevoegdheid te bepalen welke betrekkingen niet tegelijk met het lidmaatschap van de Staten-Generaal kunnen worden uitgeoefend. In dat laatste geval betekent het lidmaatschap van de Staten-Generaal dan niet automatisch het einde van de formele arbeidsrelatie van de gekozene met de oude werkgever. Het gaat in die zin niet om een ‘echte’ incompatibiliteit. De grondwetgever heeft echter met de bewoordingen van artikel 57, vierde lid, niet de bedoeling gehad uit te sluiten dat de wetgever bijkomende onverenigbaarheden in het leven zou roepen.[12]

De Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement voegt één onverenigbaarheid toe aan de grondwettelijke opsomming: een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad.[13] Daarnaast bepaalt de wet dat het lidmaatschap van de Staten-Generaal onverenigbaar is met het ambt van Nationale ombudsman of substituut-ombudsman,[14] maar dat is in feite een overbodige bepaling, aangezien het tweede lid van artikel 57 dit zelf bepaalt.
De wet bepaalt voorts dat de volgende functies niet tegelijk met het lidmaatschap van de Staten-Generaal kunnen worden uitgeoefend: commissaris van de Koning, militair ambtenaar in werkelijke dienst, ambtenaar bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of het bureau van de Nationale ombudsman, ambtenaar bij een ministerie of een daaronder ressorterende uitvoeringsdienst, lid van de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank, lid van de commissie van toezicht, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 en Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.[15] Wanneer degene die een dergelijk ambt bekleedt tot lid van de Eerste Kamer wordt verkozen, wordt hij of zij van rechtswege opnon-actief gesteld. Verkiezing tot lid van de Tweede Kamer heeft als consequen­tie eervol ontslag uit het betreffende ambt, tenzij de drager van dat ambt zelf tijdelijke ontheffing van de waarneming van het ambt vraagt.[16]

De wet regelt ten slotte ook welke betrekkingen niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het Europees Parlement, en welke ambten niet tegelijk met het lidmaatschap daarvan kunnen worden uitgeoefend. Hieronder vallen, naast de hierboven genoemde ambten, ook de ambten van minister en staatssecreta­ris.[17] Deze bepalingen zijn echter niet gegrond op artikel 57 Grondwet, doch zijn een uitvloeisel van de Akte betreffende de rechtstreekse verkiezing van de leden van het Europees Parlement.[18]
In mei 2014 werd het Tweede Kamerlid Wilders (PVV) gekozen tot lid van het Europees Parlement. De bovengenoemde regels over de onverenigbaarheid van beide ambten ten spijt, was Wilders voornemens in het Europees Parlement zitting te nemen, zonder zijn zetel in de Tweede Kamer op te geven – een zogeheten dubbelmandaat. Hij trachtte de mogelijkheid van een dubbelmandaat via het Hof van Justitie van de Europese Unie af te dwingen, maar zijn beroep werd in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard.[19] Kort daarna gaf hij zijn pogingen op; naar verluidt zou die beslissing samenhangen met het feit dat zijn partij in het Europees Parlement geen onderdeel was van een Europese fractie.[20] Hij liet zijn zetel in het Europees Parlement aan een partijgenoot en bleef zelf lid van de Tweede Kamer.
Het lidmaatschap van andere  algemeen vertegenwoordigende lichamen, zoals de gemeenteraad, is niet onverenigbaar met dat van de Tweede Kamer. Wilders combineerde van 11 maart 2010 tot 1 juli 2010 de lidmaatschappen van de Haagse gemeenteraad en de Tweede Kamer; Machiel de Graaf combineert namens de PVV sinds 2011 het lidmaatschap van de gemeenteraad van Den Haag met aanvankelijk een zetel in de Eerste Kamer en tegenwoordig een zetel in de Tweede Kamer. Ook het Tweede Kamerlid Raymond de Roon (PVV) combineerde beiderlei functies: van 11 maart 2010 tot 1 september 2013 was hij lid van en fractievoorzitter in de gemeenteraad van zijn woonplaats Almere. De (grond)wettelijke verenigbaarheid van dergelijke functies garandeert overigens niet dat het in de praktijk werkelijk mogelijk is de beide vertegenwoordigende functies tegelijk naar behoren te vervullen, gelet op de omvang van de gecombineerde werkzaamheden.
 

4. Jurisprudentie

- HvJEU 30 juni 2014, zaak T410/14 (beschikking van het Gerecht), ECLI:EU:T:2014:564 (via curia.europa.eu)
 

5. Literatuur

- A.K. Koekkoek, Partijleiders en kabinetsformatie, diss. VU, Deventer 1978
- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987
 

6. Historische versies

Eerste lid:
Art. 90 Gw 1815: Niemand kan te gelijk lid der beide kamers zijn (art. 92 Gw 1840; art. 88 Gw 1848; art. 93, eerste lid, Gw 1887; art. 94, eerste lid, Gw 1922; art. 96, eerste lid, Gw 1938; art. 103, eerste lid, Gw 1953).
Tweede lid:
Art. 60 Gw 1814: De leden der Staten Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden van eenig regterlijk kollegie of van de Rekenkamer, noch ook eenige aan den Lande comptabelen post bekleeden.
De leden der Staten Provinciaal, in de Staten Generaal geroepen wordende, houden op leden der Staten Provinciaal te zijn.
Voorts kunnen tot de Staten Generaal niet benoemd worden Zee  of Land Officieren, welke eenen minderen rang dan dien van Hoofdofficier hebben.
Geene der andere hooge ambtenaren zijn van die benoeming uitgesloten.
Art. 92 Gw 1815: De Leden der Staten Generaal kunnen niet te gelijk zijn, leden van de Rekenkamer, nochte eenigen aan den lande comptabelen post bekleeden (art. 94 Gw 1840).
Art. 93 Gw 1815: Leden van provinciale Staten in eene der kamers van de Staten Generaal zitting nemende, houden op tot de provinciale Staten te behooren (art. 95 Gw 1840).
Art. 91, eerste lid, Gw 1848: De leden der Staten Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden of procureur generaal van den Hoogen Raad, noch leden van de Rekenkamer, noch commissaris des Konings in de provincien, noch geestelijken, noch bedienaren van de godsdienst.
Art. 96, eerste lid, Gw 1887: Een lid van de Staten Generaal kan niet te gelijker tijd zijn vice president of lid van den Raad van State, president, vice president of lid van of procureur generaal of advocaat generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie (art. 97, eerste lid, Gw 1922).
Art. 99, eerste lid, Gw 1938: Een lid van de Staten Generaal kan niet tegelijkertijd zijn Minister, vice president of lid van de Raad van State, president, vice president of lid van of procureur generaal of advocaat generaal bij de Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie (art. 106, eerste lid, Gw 1953).
Art. 57, tweede lid, Gw 1983: Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
Derde lid:
Art. 99, tweede lid, Gw 1938: Nochtans kan een Minister, bij eene verkiezing tot lid der Staten Generaal gekozen, ten hoogste drie maanden na zijne toelating als lid het ambt van Minister en het lidmaatschap der Staten Generaal verenigen (art. 106, tweede lid, Gw 1953).
Vierde lid:
Art. 96, derde lid, Gw 1887: De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit 's Lands kas bezoldigde ambten (art. 97, derde lid, Gw 1922; art. 99, derde lid, Gw 1938; art. 106, derde lid, Gw 1953).
 

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 17 (Nng IIIa, p. 133); zie ook het commentaar bij art. 51 Gw.
  3. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 17 (Nng IIIa, p. 134).
  4. Zie resp. de art. 73 en 38 Gw. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 18 (Nng IIIa, p. 134).
  5. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 18 (Nng IIIa, p. 134).
  6. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 18 (Nng IIIa, p. 134).
  7. Wet van 25 februari 1999, Stb. 133.
  8. Zie hierover A.K. Koekkoek, Partijleiders en kabinetsformatie, diss. VU, Deventer 1978; C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987, p. 210.
  9. In 1977 trad daarom Dries van Agt bij ommekomst van deze drie maanden af als minister van Justitie (waarna hij werd opgevolgd door W.F. de Gaay Fortman, tevens Minister van Binnenlandse Zaken) om fractievoorzitter van het CDA te kunnen blijven in de moeizame formatiebesprekingen.
  10. Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 21 (Nng IIIa, p. 136).
  11. Wet van 20 april 1994, Stb. 295. In verschillende andere wetten zijn onverenigbaarheden tussen andere ambten neergelegd. Enkele voorbeelden: artikel 5 van de Wet op de Raad van State legt vast welke betrekkingen en ambten onverenigbaar zijn met het ambt van vice-president of lid van de Raad van State; de artikelen 15 en 36b Gemeentewet bevatten onverenigbare betrekkingen voor raadsleden en wethouders.
  12. Zie hierover ook Kamerstukken II 1976/77, 14 223, nr. 3, p. 22 en nr. 4, p. 34-36 (Nng IIIa, p. 138 en 150-152).
  13. Art. 1, eerste lid, onder b, van de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
  14. Art. 1, eerste lid, onder a.
  15. Art. 1, tweede lid. Volgens het vierde lid kan een lid van de Staten-Generaal niet tevens zijn dienstplichtige in werkelijke dienst of tewerkgestelde erkend gewetensbezwaarde; wegens de opschorting van de opkomstplicht (zie het commentaar bij artikel 98 Gw) heeft deze bepaling momenteel geen betekenis.
  16. Art. 3, tweede, derde en zesde lid. Overigens zij opgemerkt dat het verbinden van eervol ontslag als consequentie aan het niet gelijktijdig kunnen uitoefenen van twee functies nauwelijks nog valt te onderscheiden van een ‘echte’ incompatibiliteit.
  17. Art. 2, eerste en tweede lid.
  18. Trb. 1976, 175.
  19. HvJEU 30 juni 2014, zaak T410/14 (beschikking van het Gerecht), ECLI:EU:T:2014:564 (via curia.europa.eu).
  20. Zie: nos.nl/artikel/665704-wilders-niet-in-europees-parlement.html. Sinds 16 juni 2015 maakt de PVV, samen met onder meer Front National, Lega Nord en Vlaams Belang, deel uit van de fractie Europa van de Naties en de Vrijheden.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 57 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Incompatibiliteiten

Wanneer verschillende overheidsambten door dezelfde persoon worden uitgeoefend, bestaat er gevaar voor belangenverstrengeling en machtsmisbruik. De Grondwet bepaalt daarom dat sommige publieke ambten niet gelijktijdig door dezelfde personen kunnen worden vervuld. Zo kan men niet lid zijn van de beide kamers der Staten-Generaal. Ook kan in ons land een lid van de Staten-Generaal geen minister of staatssecretaris zijn. In andere parlementaire stelsels is die combinatie soms wel mogelijk of zelfs verplicht, zoals in het Verenigd Koninkrijk het geval is. In ons stelsel is er, met het oog op de controlerende taken van de Staten-Generaal, voor gekozen de verantwoordelijkheden van leden van het kabinet en leden van de beide kamers der Staten-Generaal duidelijk te scheiden door de ambten onverenigbaar te verklaren. Het combineren van de ambten is alleen tijdelijk mogelijk, om na de verkiezingen demissionaire bewindslieden uit het oude kabinet die een kamerzetel hebben verworven de ruimte te geven hun werk als minister voort te zetten tot er een nieuw kabinet is geformeerd.
 
Verder kan een kamerlid geen lid zijn van een aantal organen met een adviserende of controlerende functie: de Raad van State (die ook de hoogste algemene bestuursrechter is), de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman. Ook kan een kamerlid geen lid zijn van het hoogste rechterlijke college in civiele en strafrechtelijke zaken, de Hoge Raad.
 
In de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement zijn nog enkele onverenigbaarheden toegevoegd. Een kamerlid kan bijvoorbeeld niet tegelijk het ambt van commissaris van de Koning of dat van rijksambtenaar of militair ambtenaar uitoefenen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Incompatibiliteiten

1 reactie

05.03.2019 | Paul

Waarom mag een commissaris van de Koning niet lid zijn van de Staten-Generaal of Europees Parlement? Waarom geldt dezelfde beperking niet voor dijkgraven en burgemeesters? Waarom geldt deze beperking overigens ook niet voor gedeputeerden?

Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Incompatibiliteiten

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Incompatibiliteiten

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Incompatibiliteiten

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Incompatibiliteiten

In de wereld

Incompatibiliteiten