CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard & J. Uzman

ARTIKEL 122 - Gratie

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Algemeen
  3. Gratie
  4. Amnestie
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Van oudsher is de gratiebevoegdheid verbonden met het prerogatief van een Souverein om genade voor recht te laten te gelden, zoals het Koning Nobel vrij stond om zelfs met het oog op eigen gewin de straf van de vos Reinaert kwijt te schelden.[1] Gratie is ‘een buitengewone tussenkomst van de vorst in de gang der justitie,’ aldus Kranenburg, ‘door dezen verricht in de volheid van zijn macht, waaruit in de absolutistische theorie alle staatsorganen, ook de rechterlijke macht, voortkwamen.’[2] Sporen van deze benadering zijn nog tot na de Tweede Wereldoorlog in ons staatsrecht te vinden. In 1948 werd gratie verleend ter gelegenheid van Wilhelmina’s 50-jarige regeringsjubileum en abdicatie.[3] In 1955 volgde Koninklijke genade ter gelegenheid van de 10-jarige bevrijding van het vaderland.[4] En in 1966 werd het huwelijk van Beatrix en Claus opgeluisterd met een Staatsbladgratie.[5] De evaluatie daarvan leidde tot het advies om met deze praktijk te stoppen.[6] De regering nam dat advies over, al moest de ministeriële verantwoordelijkheid eraan te pas komen om de wensen van Juliana ter gelegenheid van haar 25-jarig regeringsjubileum in 1973 en ter gelegenheid van de troonwisseling in 1980 af te wijzen.[7]
 
Gratie als ‘de schoonste parel op des Konings kroon’ en ‘het tederste prerogatief’ is op de achtergrond geraakt in het moderne strafrecht en door opkomst van de rechtsstaat. Dit laatste valt ook af te lezen uit de grondwetsherziening van 1983. In het hoofdstuk over de rechtspraak verviel de corresponderende bepaling dat ‘alom in de Nederlanden’ recht werd gesproken in naam des Konings (artikel 163 Grondwet van 1953).[8] Als waarborg voor centralisatie van rechtspraak werd deze bepaling overbodig geacht ten opzichte van het vereiste dat gerechten bij de wet moeten worden ingesteld. Bovendien moest worden vermeden dat justitiabelen het staatshoofd verantwoordelijk zouden stellen voor de rechterlijke strafvonnissen.[9] Het doorvoeren van de keuze om de verwijzingen naar de (constitutionele) Koning te vervangen door het vormvoorschrift ‘bij koninklijk besluit,’ heeft de aandacht verder afgeleid van de persoon van de Koning. Ten slotte is in 1983 de bevoegdheid om bij Algemene Maatregel van Bestuur[10] de rechter aan te wijzen wiens advies moet worden ingewonnen over de gratieverlening, vervangen door de algemene bevoegdheid voor de wetgever om hierover en in het algemeen voorschriften te stellen. De inmiddels op basis van artikel 122 Grondwet vaststelde Gratiewet[11] stelt eisen aan de procedure en bevat in artikel 2 ook de twee materiële criteria op basis waarvan gratie kan worden verleend. Dat zijn: ofwel op grond van een omstandigheid die, had de rechter hem geweten, tot een andere uitspraak had geleid, ofwel ‘indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.’ Gratie is dus inmiddels geen persoonlijke koninklijke gunst meer, maar ingebed geraakt in de politieke ministeriele verantwoordelijkheid en het rechtsstatelijke legaliteitsbeginsel.
 
De discretionaire ruimte voor gratieverlening is verder ingekaderd door de internationale mensenrechten. Kortmann merkt in zijn commentaar nog op dat de tekst van de Grondwet zich niet (meer) beperkt tot interventies in de gevolgen van een bestraffend vonnis.[12] Dit was bedoeld om ook in het tuchtrecht gratie te kunnen gaan verlenen.[13] Maar door de huidige formulering van de Grondwet ontstaat de mogelijkheid dat de regering ook kan ingrijpen in de rechtsgevolgen van een civiel of administratief vonnis, bijvoorbeeld als de rechter een bevel tot wetgeving geeft.[14] Hoewel de Grondwet een interventie in een civiel vonnis naar de tekst dus niet uitsluit, zal deze inmiddels vrijwel zeker afstuiten op artikel 6 EVRM. Het enkele bestaan van de bevoegdheid van de Kroon om een eigen oordeel in plaats te stellen van een uitspraak van het CBB[15] maakte dat die laatste in de ogen van het EHRM geen ‘onafhankelijke rechter’ meer was.[16] Bovendien valt de executie van ‘eindvonnissen’ inmiddels ook onder artikel 6 EVRM.[17]
 
Artikel 3 EVRM, het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling, heeft eveneens invloed gekregen op het gebruik van de gratiebevoegdheid. Het EHRM plaatst onder het martelverbod steeds indringender kanttekeningen bij de positie van levenslang gestraften. Zij moeten perspectief houden dat hun straf de iure en de facto te eniger tijd kan worden verkort.[18] Sinds de Regeling volgprocedure langgestraften uit 1978 (die kon uitmonden in ambtshalve gratie of omzetting naar een tijdelijke straf) in 2000 is afgeschaft, bestaat het perspectief van levenslang gestraften uit de mogelijkheid aan de burgerlijke rechter om een oordeel te vragen of zelf om gratie verzoeken. In algemene zin heeft de Hoge Raad deze situatie voldoende bevonden in het licht van artikel 3 EVRM.[19] Daarbij tekende de Hoge Raad dat dit anders zou worden als zou blijken dat levenslang gestraften in feite nooit gratie krijgen.
 
Inmiddels staat de oude gratiebevoegdheid daarmee in het centrum van de discussie over het ‘prospect of release’ van levenslang gestraften en over hun ‘possibility of review’ van de voortzetting van hun straf.[20] Omvangrijk is de recente gratiepraktijk voor levenslang gestraften in ieder geval niet. In 1986 werd (onder het oude beleid) nog gratie verleend en in 2009 mocht de terminaal zieke A.C. twee weken voor zijn verwachte dood naar huis.[21] De vraag of vaker meegewerkt moet worden aan (uitzicht op) gratie, is voorwerp van een complexe confrontatie tussen rechters die de Vinter-toets uit de EHRM-jurisprudentie proberen te implementeren en toenemende terughoudendheid van de politieke ambten bij de resocialisatie van levenslang gestraften.[22]

2. Algemene opmerkingen

‘Gratie’ is wel beschouwd als het meest omvattende begrip in dit verband. Tussen 1815 en 1848 volstond de Grondwet met het toekennen van die bevoegdheid. Binnen het algemene begrip ‘gratie’ kan onderscheid worden gemaakt tussen gratie (in de enge zin, ook wel ‘remissie’ van straf genoemd (artikel 67 van de Grondwet van 1814)), rehabilitatie, abolitie en amnestie. Gratie in enge zin gaat over het niet of niet verder ten uitvoer leggen van een sanctie. Rehabilitatie betreft de teruggave van rechtsbevoegdheden die werden verloren in onterende straffen. Abolitie ziet op het staken van een reeds ingezette strafvervolging en amnestie ontneemt aan een delict het strafbare karakter. Sinds de afschaffing van de onterende straffen uit de Code Pénal is geen behoefte meer aan de figuur van rehabilitatie. Abolitie werd in 1983 uit de Grondwet geschrapt met het argument dat niemand zich kon herinneren dat ooit van die bevoegdheid gebruik is gemaakt.[23] Dat argument overtuigde niet iedereen, omdat uit de aard der zaak niet alle artikelen uit de Grondwet even frequent gebruikt worden. De CPN wees er bovendien op dat zij nog in 1968 interpelleerde met het verzoek de vervolging van de bezetters van het Maagdenhuis te staken.[24]
 
De plaatsing van artikel 122 in het hoofdstuk over de rechtspraak is er met het vervallen van de (corresponderende) bepaling dat recht wordt gesproken in naam des Konings, en door het verdwijnen van de associatie met een koninklijke gunst, niet logischer op geworden. De keuze dit toch te doen, is sinds de Proeve gerechtvaardigd met het argument dat hoofdstuk 6 van de Grondwet niet alleen betrekking heeft op de organisatie van de rechterlijke macht maar ook een aantal waarborgen ter verzekering van justitiabelen bevat. Ook het staatsrecht heeft moeite dit artikel in te passen. Is gratieverlening onderdeel van de rechtsprekende functie, zodat we hier, net als in artikel 81 Grondwet, te maken hebben met een concessie op de leer van de zuivere machtenscheiding? Wij menen van niet. Een rechterlijke uitspraak machtigt tot het uitvoeren van de sanctie door de uitvoerende macht en stelt daaraan de maximale grenzen, maar dat maakt de executie van een vonnis nog niet tot een onderdeel van de rechtsprekende functie.[25] Dat wil uiteraard niet zeggen dat het nooit onrechtmatig kan zijn om gratie te verlenen. Spiegelbeeldig aan een besluit om vervolging in te stellen, moet de gratiebevoegdheid in onze ogen in beginsel worden gezien als een kwestie van bestuurlijke opportuniteit, zonder de mogelijkheid van onrechtmatigheid uit te sluiten. Oud kiest er wat dit betreft dan ook terecht voor om de gratiebevoegdheid in het hoofdstuk over de uitvoerende macht te bespreken. Ouds kritiek op de keuze van Van der Pot om artikel 122 Grondwet in het deel ‘rechtspraak’ te bespreken,[26] gaat echter maar deels op. Inderdaad is in ieder geval de verlening van amnestie geen daad van rechtspraak, maar evenmin een handeling van uitvoerende aard.

3. Gratie

Gratie betreft de ‘bevoegdheid om in individuele gevallen of voor een categorie van personen de gevolgen van een vonnis voor wat betreft de straf te verminderen of op te heffen. Het strafbare karakter van het gepleegde feit blijft bestaan, de gevolgen van een veroordelend vonnis ondergaan echter wijziging ten gunste van bepaalde veroordeelden’.[27] Collectieve gratieverlening (zowel met ‘collectieve lijstgratie’ als via de zogenaamde Staatsbladgratie) is door gewijzigde opvattingen buiten de orde geraakt.[28] De laatste Staatsbladgratie dateert uit 1975. Vanwege problemen in de strafrechtketen werden alle vrijheidsstraffen van veertien dagen of minder gegratieerd.[29] Deze maatregel is zowel vanwege zijn aanleiding als vanwege zijn vorm bekritiseerd. De gronden voor gratie uit de Gratiewet zijn inmiddels toegesneden op de beoordeling van het individuele geval, en ter gelegenheid van de vaststelling van die wet is overwogen dat het eerste lid van artikel 122 Grondwet zich tegen collectieve gratieverlening verzet. Corresponderend met deze ontwikkeling om een individuele afweging te maken tussen de voorzetting van de straf en de daarmee in redelijkheid te dienen doelen, is de gegroeide acceptatie van de voorwaardelijke gratie. Die kwam al voor in het Gratiebesluit van 1976, waarna de grondwetgever in 1983 met een expliciete overweging een einde maakte aan de discussie over de toelaatbaarheid ervan.[30] Inmiddels bevat artikel 13 Gratiewet de regeling voor de voorwaardelijke gratie. Gratie kan dus ook worden herroepen. Dat gebeurt opnieuw bij koninklijk besluit (artikel 17 Gratiewet).
 
De gedachte dat gratie niet wordt verleend voordat advies is ingewonnen bij de rechter, is al oud. Onder de huidige Grondwet is de wetgever bevoegd daarvoor gerechten aan te wijzen. De hoofdregel luidt dat advies wordt ingewonnen bij het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, dan wel de tenuitvoerlegging heeft gelast (artikel 4 Gratiewet). Aanvullend is het nog mogelijk om advies te vragen aan de Hoge Raad (artikel 11 Gratiewet). Bij uitspraken die door meervoudige kamers zijn gedaan of waarbij het Openbaar Ministerie dat heeft aangegeven, wordt het Openbaar Ministerie om advies gevraagd. Het gerecht kan ook zelf nog besluiten inlichtingen in te winnen bij daarvoor in aanmerking komende personen. Opvallend is dat het rechterlijke advies, als het niet eenparigheid van stemmen is vastgesteld, ook het gevoelen van de minderheid en de daarvoor aangevoerde gronden bevat (artikel 7, tweede lid, Gratiewet)
 
Praktisch speelt de ‘Screeningsautoriteit Justis’, een agentschap van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, een grote rol in de procedure.[31] Dat verzamelt en controleert de stukken. Het jaarverslag over 2014[32] laat ten aanzien van gratieverlening de volgende statistiek zien:

4. Amnestie

Amnestie ontneemt aan gepleegde strafbare feiten het strafbare karakter, dat alleen bij of krachtens de wet kan worden verleend. Ook materieel is de amnestie te beschouwen als een daad van wetgeving. Tussen 1848 en 1983 bepaalde Grondwet dat de amnestie ‘niet dan bij eene wet’ werd verleend. In 1983 is delegatie van de bevoegdheid tot amnestieverlening toegestaan. Verschillende auteurs hebben zich vervolgens afgevraagd wat nog de zin van deze bepaling is, nu hij praktisch alleen verbiedt dat de lagere wetgevers uit zichzelf amnestie gaan verlenen.[33] Los van een verbod voor de gemeenteraad om zonder grondslag in een formele wet amnestie te verlenen voor parkeerdelicten, menen wij dat het grondwettelijk blijven erkennen van het bestaan van deze bevoegdheid van toevoegde waarde is. Hoewel de voorbeelden van het gebruik van deze bevoegdheid zeer zeldzaam zijn, is een toekomstig gebruik niet uitgesloten.
 
Het enige voorbeeld dat in de literatuur geregeld figureert, is de wet van 6 augustus 1914[34]  waarin aan bepaalde categorieën deserteurs amnestie werd verleend als zij zich in het kader van de mobilisatie alsnog voor militaire dienst zouden melden. Andere voorbeelden lijken er niet te zijn. De digitale zoekmogelijkheden van StatenGeneraaldigitaal.nl hebben slechts het initiatiefwetsvoorstel uit 1934 opgeleverd, aanhangig gemaakt door de leden Effendi en Visser (beiden CPN) om amnestie te verlenen aan degenen die in 1933 voor de kust van Sumatra hadden deelgenomen aan de muiterij op de kruiser De Zeven Provinciën.[35] In het huidige debat is de figuur van de amnestie echter onlangs weer opgedoken. Sinds de Hoge Raad de herzieningsverzoeken van dienstweigeraars voor Nederlands-Indië afwees, onder andere met de overweging dat de kwestie meer op de weg van de politieke en wetgevende organen dan van de herzieningsrechter ligt,[36] dringt het Comité Nederlandse Ereschulden aan op amnestie voor degenen die na de Tweede Wereldoorlog weigerden deel te nemen aan de politionele acties.

5. Jurisprudentie

- EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90 (Van de Hurk t. Nederland)
- EHRM 19 maart 1997, nr. 18357/91 (Hornsby t. Griekenland)
- EHRM (GK) 12 februari 2008, nr. 21906/04 (Kafkaris t. Cyprus)
- EHRM 15 januari 2009, nr. 33509/04 (Burdov t. Rusland (no.2)
- EHRM  (GK) 9 juli 2013, nrs. 66069/09, 130/10 en 3896/10 (Vinter e.a. t. Verenigd Koninkrijk)
- EHRM 3 februari 2015, nr 57592/08 (Hutchinson t. Verenigd Koninkrijk)
 
- HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3741, NJ 2009/602
- HR 25 juni 2013, nrs. 13/00068 H 13/00067 HPM

6. Literatuur

PM

7. Historische versies

Art. 49 Gw. 1814: De Souvereine Vorst verleent gratie, abolitie en remissie van straf, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden.
Art. 67 Gw. 1815: De Koning heeft het regt van gratie, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Nederlanden (art. 66 Gw. 1840).
Art. 66 Gw. 1848: De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen opgelegd.
Wanneer het veroordeelingen betreft tot drie jaren gevangenis en daar beneden en tot geldboete, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk, oefent de Koning dat regt uit, na gehoord advijs van den regter, die het vonnis heeft gewezen; in de overige zaken, na gehoord advijs van den Hoogen Raad.
Amnestie en abolitie worden niet dan door eene wet toegestaan.
Art. 68 Gw. 1887: De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijk vonnis opgelegd.
Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen.
Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan (art. 70 Gw. 1938; art. 77 Gw. 1953).

Noten

  1. Van den vos Reynaerde, vers 2542-2545. Willem die Madoc meende overigens wel dat Koning Nobel zeer onhoofs handelde door niet vooraf advies in te winnen bij de baronnen die het vonnis hadden gewezen. Zie: J. de Putter, ‘Genade voor recht. Van den vos Reynaerde en de historische werkelijkheid’, in: Tiecelijn. Nieuwsbrief voor Reynardofielen 8 (1995) nr. 2, p. 47-60.
  2. R. Kranenburg, Het Nederlandsch Staatsrecht. Tweede Deel, Haarlem: Tjeenk Willink 1938, p. 110.
  3. Besluit van 26 augustus 1948 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van het 50-jarige Regeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina en van de troonopvolging door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana der Nederlanden (Stb. 1948, I 392).
  4. Besluit van 25 april 1955 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van de herdenking dat het Vaderland tien jaren geleden werd bevrijd (Stb. 1955, 170).
  5. Besluit van 28 februari 1966 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van het huwelijk van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix met Claus George Willem Otto Frederik Geert von Amsberg (Stb. 1966, 73).
  6. Een advies van Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de Psychopathenzorg en de Reclassering. Zie: P. Brood, ‘Bronnen voor gratieverlening tot 1987’, in: G.A.M. van Synghel (red.), Broncommentaren 7, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis 2009, p. 184.
  7. J. van Merriënboer, P. Bootsma & P. van Griensven, Tour de Force. Van Agt-biografie, Amsterdam: Boom 2008, p. 361-362 en p. 368-369. Zie voor het officiële standpunt van de regering de brief van de staatssecretaris van 28 maart 1980, Staatscourant 1980/66.
  8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is nog tot de inhuldiging van Koning Willem Alexander recht blijven doen ‘in naam der Koningin’. Sinds 2013 is de Afdeling daar – stilzwijgend – mee opgehouden.
  9. Kamerstukken II 1979-1980, 16 162, nr. 3, p. 3-4 (Nng, VI, p. 7-8).
  10. Besluit van 30 juni 1976, houdende vaststelling van een algemene maatregel van Rijksbestuur ter uitvoering van artikel 77, tweede lid, van de Grondwet (Stb. 1976, 378).
  11. Wet van 23 december 1987, houdende regelen voor de indiening en behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie (Stb. 1987, 598).
  12. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987, p. 337.
  13. Kamerstukken II 1979-1980, 16 162, nr. 3, p. 23-24 (Nng VI, p. 27-29). Een algemene regeling daarvan is in de Gratiewet echter niet opgenomen. Zie ARRvS (vz) 6 februari 1992, KG 1992/245. Er bestaan wel bijzondere gratievoorzieningen in tuchtrechtregelingen, zoals in artikel 109 Wet op het Notarisambt.
  14. Helemaal ondenkbaar is dat niet. Buijs (J.T. Buijs, De Grondwet. Eerste Deel, Arnhem: Gouda Quint 1883, p. 276 -277) protesteert tegen de gratieverlening van een rechterlijk gebod om een opstal af te breken.
  15. Artikel 74 lid 1 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (oud).
  16. EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90 (Van de Hurk t. Nederland). De gewraakte bepaling was overigens al per 1 januari 1994 vervallen.
  17. EHRM 19 maart 1997, nr. 18357/91 (Hornsby t. Griekenland) en EHRM 15 januari 2009, nr. 33509/04 (Burdov t. Rusland (no.2).
  18. EHRM (GK) 12 februari 2008, nr. 21906/04 (Kafkaris t. Cyprus).
  19. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3741, NJ 2009/602 met annotatie van P.A.M. Mevis.
  20. EHRM (GK) 9 juli 2013, nrs. 66069/09, 130/10 en 3896/10 (Vinter e.a. t. Verenigd Koninkrijk), recentelijk nader ingevuld in EHRM 3 februari 2015, nr 57592/08 (Hutchinson t. Verenigd Koninkrijk).
  21. Beantwoording Tweede Kamervragen van 4 maart 2014, 2013 Z 25341.
  22. W. van Hattum, ‘Het recht van gratie’, NJB 2014/1839 en W. van Hattum, ‘De rechter, de minister en de levenslange gevangenisstraf (deel 2)’, Trema 2015/7, p. 200-208.
  23. Kamerstukken II 1979-1980, 16 162, nr. 3, p.23 (Nng VI, p. 27).
  24. Interpellatie van het lid Wolff (CPN) op 26 juni 1969, Handelingen II 1968-1969,72ste vergadering, blz. 3494 e.v.
  25. Vgl. P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Zwolle: Tjeenk Willink 1970, p. 394.
  26. Die keuze maakt het Handboek nog steeds. Zie: Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, en H.G. Hoogers, 2014, p.839-840.
  27. Kamerstukken II 1979-1980, 16 162, nr. 3, p. 23 (Nng VI, p. 27).
  28. Oud meent overigens dat de Grondwet al sinds 1848 met gratie een individuele kwijtschelding bedoelde. P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Zwolle: Tjeenk Willink 1970, p. 397.
  29. Besluit van 17 juli 1975 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van de ontstane achterstand in de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen (Stb. 1975, 400).
  30. Kamerstukken II 1979-1980, 16 162, nr. 3, p. 24 (Nng VI, 28).
  31. Artikel 4 lid 3 sub a Organisatiebesluit Dienst Justis 2015, Staatscourant 2015, 25816.
  32. Jaarverslagjustis.nl/2014.
  33. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987, p. 337.
  34. Gedrukt onder nummer 186 van de zitting 1934-1935. Het voorstel werd op 14 juli 1987 ingetrokken.
  35. HR 25 juni 2013, nrs. 13/00068 H 13/00067 H.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard & J. Uzman, Commentaar op artikel 122 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Gratie

Het verlenen van gratie houdt in dat iemand die is bestraft wegens het plegen van een misdrijf vermindering van straf of zelfs volledige kwijtschelding van de straf wordt verleend. De bevoegdheid om dat te doen komt toe aan de regering, niet – zoals in de negentiende eeuw aanvankelijk werd aangenomen – aan de Koning persoonlijk. De Gratiewet bepaalt dat de regering daarbij het gerecht dat die de straf heeft opgelegd en het openbaar ministerie dient te raadplegen. Een reden om gratie te verlenen kan zijn dat een veroordeelde toch ten onrechte blijkt te zijn bestraft, of omdat de straf zijn zin heeft verloren, bijvoorbeeld door een ernstige ziekte of hoge ouderdom van de veroordeelde.
 
De term amnestie duidt op het met terugwerkende kracht wegnemen van de strafbaarheid van bepaalde gedragingen, of op het opheffen van alle strafvervolging in een bepaalde periode. Dat kan gebeuren voordat er een veroordeling of zelfs vervolging heeft plaatsgevonden. Amnestie is in onbruik geraakt. In het verleden werd amnestie soms verleend bij bijzondere gebeurtenissen zoals een troonwisseling of wegens verandering van inzicht over de strafbaarheid van bepaalde gedragingen. Ook kan er, na een periode van revolutie of opstand die met ernstige ongeregeldheden en geweld gepaard is gegaan, verzoening van de betrokken partijen of bevolkingsgroepen mee worden beoogd. De bevoegdheid om amnestie te verlenen komt toe aan de wetgever; die kan eventueel besluiten ook aan andere organen bevoegdheden rondom de amnestieverlening toe te kennen.
Achtergronden

Gratie

Juliania en gratie voor de vier van Breda

Konining Juliana was een fervent tegenstander van de doodstraf. Daarom zette zij zich in voor de vrijlating van de vier oorlogsmisdadigers die gevangen zaten in Breda. In het Historisch Nieuwsblad is dit beschreven.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Gratie

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Gratie

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Gratie

Op 5 april 2016 wees de civiele kamer van het Gerechtshof Den Haag een arrest waarin het hof de beslissing van de minister van Veiligheid en Justitie, inhoudende de afwijzing van een gratieverzoek, onrechtmatig achtte.

Lees hier de gehele uitspraak.
Politiek

Gratie

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Gratie

  • De vier van Breda
De vier van Breda
Blogs

Gratie

In de wereld

Gratie