CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 111 - Ridderorden

INHOUD
  1. Ridderorden
  2. Het vervallen van onderscheidingen in de ridderorden
  3. Andere koninklijke onderscheidingen
  4. Huisorden
  5. Adeldom
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Editie april 2019

1. Ridderorden

Nederland kent in feite twee soorten ridderorden: orden waarin de regering benoemt en bevordert en orden waarin dit door de Koning persoonlijk geschiedt. Bij het verlenen van onderscheidingen uit de eerstgenoemde categorie gaat het om koninklijke besluiten waarvoor voordracht en medeondertekening door een of meer ministers vereist is, bij de tweede categorie, de zogenoemde huisorden (zie hieronder paragraaf 3), niet. Hoewel de tekst dit niet uitdrukkelijk bepaalt, heeft artikel 111 slechts betrekking op de eerste categorie. Er zijn drie bij de wet ingestelde ridderorden: de Militaire Willems-Orde,[1] de Orde van de Nederlandse Leeuw[2] en de Orde van Oranje-Nassau.[3] Deze ridderorden (en andere koninklijke onderscheidingen) zijn bedoeld om de waardering van de regering uit te drukken voor burgers die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving of de belangen van Nederland. Met adeldom hebben deze ridderorden niets te maken.

De jaarlijkse ‘lintjesregen’ ter gelegenheid van Koningsdag (en voorheen Koninginnedag) betreft steeds onderscheidingen in twee ridderorden: de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau. Beide orden kennen meerdere rangen.[4] In 2015 werden in totaal 2835 onderscheidingen toegekend. Twaalf daarvan waren onderscheidingen in de Orde van de Nederlandse Leeuw, alle in de (laagste) graad van ridder. De overige betroffen de Orde van Oranje-Nassau, de meeste eveneens in de laagste graad (lid).

De Militaire Willems-Orde is bedoeld voor militairen, krijgsmachtonderdelen of burgers die zich uitzonderlijk hebben onderscheiden in de strijd voor de Nederlandse belangen. In de loop van de negentiende eeuw en kort na de Tweede Wereldoorlog werd deze onderscheiding regelmatig toegekend, maar daarna werd toekenning betrekkelijk zeldzaam. In de afgelopen vijftig jaar ontvingen slechts twee personen en twee legeronderdelen de Militaire Willems-Orde. Op 31 mei 2006 werd de onderscheiding toegekend aan de Poolse 1ste Onafhankelijke Parachutistenbrigade, die de tradities voorzet van de 6de Poolse Parachutistenbrigade; deze had een voorname rol bij de bevrijding van Nederland aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op 29 mei 2009 werd Marco Kroon, pelotonscommandant bij het Korps Commandotroepen, benoemd tot Ridder 4de klasse; majoor Gijs Tuinman van het Korps Commandotroepen ontving dezelfde onderscheiding op 4 december 2014. Op 15 maart 2016 ontving het Korps Commandotroepen de Militaire Willems-Orde voor zijn optreden in Afghanistan tussen maart 2005 en september 2010.

Koning Willem-Alexander reikt op 15 maart 2016 de Militaire Willemsorde uit aan het Korps Commandotroepen, voor zijn buitengewone inzet in Afghanistan tussen 2005 en 2010. Foto: covzeeland.nl.

2. Het vervallen van onderscheidingen in de ridderorden

Een koninklijke onderscheiding is een ereteken, uitgereikt wegens bijzondere verdienste voor de samenleving. De onuitgesproken verwachting is dat de dragers, zeker wanneer het gaat om een hoge, zelden uitgereikte onderscheiding, zich publiekelijk gedragen in het besef dat zij een zekere voorbeeldfunctie hebben.

Wanneer dragers van hoge onderscheidingen zich minder voorbeeldig blijken te gedragen, rijzen vragen over de mogelijkheden tot intrekking van de onderscheiding. In dat verband kwam Marco Kroon, drager van de Militaire Willems-Orde, enkele keren in opspraak. In 2011 werd hij vervolgd voor overtreding van de Opiumwet en voor verboden wapenbezit; voor dat laatste delict werd hij veroordeeld. Begin 2019 was hij betrokken bij een geweldincident, waarvoor het Openbaar Ministerie hem zal gaan vervolgen.

In april 2019 riep D66 op tot intrekking van de koninklijke onderscheiding van de sultan van Brunei, sinds 2013 Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De sultan staat bloot aan hevige kritiek na de invoering van zeer strikte wetgeving in zijn land op het gebied van onder meer homorechten, te handhaven door tamelijk barbaarse straffen.[5]

De wetten die de instelling van de verschillende orden regelen, bepalen ook in welke gevallen de onderscheidingen vervallen. Voor de Militaire Willems-Orde is dat laatste geregeld in artikel 12 van de Wet herziening Wet instelling Militaire Willems-Orde.[6] Het eerste lid daarvan bepaalt dat een gedecoreerde die ingevolge een rechterlijke veroordeling een vrijheidsstraf heeft opgelegd gekregen, onbevoegd is de versierselen te dragen. Volgens het tweede lid vervalt een onderscheiding in de Orde na een onherroepelijke veroordeling tot ten minste een jaar gevangenisstraf, en bij oneervol ontslag uit enig openbaar ambt of beroep.

Voor onderscheidingen in de Orde van Oranje-Nassau bepaalt artikel 11 van de Wet instelling van de Orde van Oranje-Nassau bijna woordelijk hetzelfde, zij het dat oneervol ontslag geen grond is om de onderscheiding te verliezen.[7] De regeling voor de Orde van de Nederlandse Leeuw (artikel 12 van de Wet instelling van de orde van de Nederlandse Leeuw[8]) is daaraan gelijk.

3. Andere koninklijke onderscheidingen

Behalve ridderorden bestaan er ook andere koninklijke onderscheidingen ter beloning van of  ter herinnering aan een bepaalde daad of een bepaald feit. Zij zijn ingesteld bij koninklijk besluit. Het gaat om de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis, het Kruis van Verdienste, het Vliegerkruis, de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon en de Medaille voor trouwe en langdurige dienst van de Nederlandse Politie. Deze medailles zijn bedoeld voor militairen die zich uitzonderlijk moedig hebben gedragen en voor burgers die een bijzondere toewijding aan de bescherming van de openbare orde en veiligheid hebben getoond. Dragers van dergelijke door de regering bij koninklijk besluit ingestelde onderscheidingen kunnen niet de titel ‘ridder’ krijgen; dat kan volgens de Grondwet alleen met onderscheidingen die bij de wet zijn ingesteld.

4. Huisorden

Ten slotte zijn er nog de zogenoemde huisorden: onderscheidingen die niet bij wet of bij koninklijk besluit zijn ingesteld, maar door de Koning persoonlijk op eigen gezag worden uitgereikt. Een van de bekendste huisordes is de Britse Orde van de Kouseband, ofwel de Most Noble Order of The Garter, ingesteld in 1348 door Koning Edward III. Het Nederlandse koningshuis kent ook een eigen huisorde: de Huisorde van Oranje. Deze werd in 1905 bij hofbesluit – een besluit van de Koning zelf, zonder ministerieel contraseign – ingesteld. Artikel 41 van de Grondwet, volgens welke bepaling de Koning met inachtneming van het openbaar belang zijn ‘Huis’ inricht, biedt hiervoor ruimte. Daardoor kunnen in deze huisorden ook de aanduidingen ‘ridder’ en ‘orde’ worden gebruikt, net als in de drie bij wet ingestelde ordes. De Huisorde van Oranje omvat onderscheidingen in vier zogenoemde ‘groepen’: de Huisorde, de Orde van Trouw en Verdienste, de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap en de Eremedaille voor Voortvarendheid en Vernuft, en de Kroonorde.[9]

5. Adeldom

Tot 1983 kende de grondwet steeds een bepaling die de verlening van adeldom regelde. Bij de grondwetsherziening van 1983 wilde de regering aanvankelijk een grondwetsbepaling over de adeldom behouden, samen met de onderhavige bepaling omtrent de ridderorden. De regering stelde voor een bepaling in de Grondwet op te nemen met de volgende inhoud: ‘Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit.’[10] Dit regeringsvoorstel werd door de aanneming van een amendement van de leden Van der Burg en Nijpels geschrapt.[11] Additioneel artikel XXV bepaalde dat artikel 74 van de oude Grondwet, dat betrekking had op de adeldom, van kracht zou blijven totdat ter zake bij de wet een voorziening zou zijn getroffen. In 1994 is de betreffende wettelijke regeling, de Wet op de adeldom, in werking getreden.[12] Volgens artikel 1 van deze wet wordt adeldom verleend bij koninklijk besluit. Van de mogelijkheid tot verheffing in de adelstand kan nog uitsluitend worden gebruikgemaakt als het gaat om leden van het koninklijk huis.[13] De laatste verheffing in de Nederlandse adel betreft koningin Máxima (destijds nog prinses); bij het betreffende besluit werden ook haar titels en predikaat vastgesteld, en die van haar nakomelingen uit het huwelijk met (destijds) de Prins van Oranje.[14] De Hoge Raad van Adel adviseert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties omtrent de verlening van adeldom.

6. Literatuur

- C.P. Mulder, P.A. Christiaans, Voor Ons en Ons Huis. Meer dan honderd jaar Huisorde van Oranje 1905-2005 (2011), Den Haag, 2013

7. Historische versies

Art. 42 Gw 1814: De Souvereine Vorst verheft in den adelstand. Al, wie door den Souvereinen Vorst in den adelstand verheven wordt, brengt het bewijs daarvan ter kennis van de Staten zijner Provincie of Landschap en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald.
Art. 43 Gw 1814: De Souvereine Vorst, eene Ridder‑Orde willende instellen, draagt daaromtrent aan de Staten-Generaal eene wet voor.
Art. 63 Gw 1815: De Koning verheft in den adelstand; al wie door den Koning in den adelstand verheven wordt, brengt de brieven van adeldom ter kennis van de Staten zijner provincie, en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald (art. 62 Gw. 1840).
Art. 64 Gw 1815: Ridder‑orden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld (art. 63 Gw 1840; art. 64 Gw 1848; art. 66 Gw 1887; art. 68 Gw 1938; art. 75 Gw 1953).
Art. 63, eerste lid, Gw 1848: De Koning verleent adeldom (art. 65, eerste lid, Gw 1887; art. 67, eerste lid, Gw 1938; art. 74, eerste lid, Gw 1953).

Noten

  1. Ingesteld bij wet van 30 april 1815, Stb. 33.
  2. Ingesteld bij wet van 29 september 1815, Stb. 47.
  3. Ingesteld bij wet van 4 april 1892, Stb. 55.
  4. Een overzicht van de verschillende typen onderscheidingen en de rangen daarbinnen, is te vinden op: www.lintjes.nl.
  5. https://www.elsevierweekblad.nl/stelling/achtergrond/2019/04/682111-682111/
  6. Wet van 30 april 1940 tot herziening van de wet van 30 april 1815, no. 5, Stb. 33, houdende instelling van de Militaire Willems-Orde, Stb. 1941, B60.
  7. Wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, Stb. 1892, 55.
  8. Wet van 29 september 1815, houdende instelling van de orde van de Nederlandse Leeuw, Stb. 1815, 47.
  9. Zie hierover C.P. Mulder, P.A. Christiaans, Voor Ons en Ons Huis. Meer dan honderd jaar Huisorde van Oranje 1905-2005 (2011), Den Haag, 2013.
  10. Kamerstukken II 1979/80, 15 883 (R 1129), nr. 2, art. 5.2.12 (Nng Vd, p. 223).
  11. Kamerstukken II 1979/80, 15 883 (R 1129), nr. 14 (Nng Vd, p. 255).
  12. Wet van 10 mei 1994, Stb. 360.
  13. Artikel 2 van de Wet op de adeldom.
  14. KB van 25 januari 2002, Stb. 41.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 111 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ridderorden

Ridderorden en andere koninklijke onderscheidingen zijn bedoeld om de waardering van de regering of van de Koning zelf uit te drukken voor burgers die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving of de belangen van Nederland. Met adeldom hebben deze ridderorden niets te maken.
 
Er zijn drie bij de wet ingestelde ridderorden: de Militaire Willemsorde, de Orde van de Nederlandse Leeuw (beide ingesteld in 1815) en de Orde van Oranje-Nassau (sinds 1892).
 
Daarnaast zijn door de regering verschillende andere koninklijke onderscheidingen ingesteld. Er zijn bijvoorbeeld medailles voor militairen die zich uitzonderlijk moedig hebben gedragen en voor burgers die een bijzondere toewijding aan de bescherming van de openbare orde en veiligheid hebben getoond. Dragers van dergelijke door de regering ingestelde onderscheidingen kunnen niet de titel ‘ridder’ krijgen; dat kan volgens de Grondwet alleen met onderscheidingen die bij de wet zijn ingesteld.
 
Ten slotte zijn er nog de zogenoemde huisorden: onderscheidingen die niet bij wet of bij besluit van de regering zijn ingesteld, maar door de Koning persoonlijk op eigen gezag worden uitgereikt. Een voorbeeld is de Huisorde van Oranje. Deze werd in 1905 bij hofbesluit – een besluit van de Koning zelf, zonder handtekening van een minister – ingesteld. Enigszins verwarrend, en grondwettelijk inconsequent, is dat binnen deze huisorden wel de aanduidingen ‘ridder’ en ‘orde’ worden gebruikt, zoals in de drie bij wet ingestelde ordes.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ridderorden

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ridderorden

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Ridderorden

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Ridderorden

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Ridderorden

  • Ranomi Kromowidjojo geridderd
Ranomi Kromowidjojo geridderd
Blogs

Ridderorden

In de wereld

Ridderorden