CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 6

Rechtspraak

INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

ALGEMENE INLEIDING

G. Boogaard

HOOFDSTUK 6 - Rechtspraak

INHOUD

1. Historische achtergrond
2. Inhoud van en samenhang binnen hoofdstuk 6

Editie maart 2016

1. Historische achtergrond

In haar onderzoek[1] onderscheidt Karin van Leeuwen in de constitutionele geschiedenis tenminste drie manieren om met de Grondwet om te gaan. In de eerste plaats kan de Grondwet worden gebruikt als inzet van staatkundige ontwikkelingen. Feitelijk was dat wat de negen mannen onder leiding van Thorbecke in 1844 en 1848 voor ogen stond: alles wordt anders en beter na wijziging van de Grondwet. Diametraal tegenover deze inzet van de Grondwet als strijddocument staat de opvatting van Krabbe uit 1906 waarin de Grondwet ons door zijn verzwaarde meerderheidseis in het achtste hoofdstuk gijzelt in het rechtsbewustzijn van overleden generaties. De middenpositie in deze discussie zet Van Leeuwen op naam van Struycken. Volgens hem had de Grondwet wel degelijk een zekere waarborgfunctie voor de grondvorm van ons staatsbestel. Maar tegelijkertijd mocht het ook niet meer zijn dan de plechtige samenvatting van onze beginselen. Deze benadering maakt van de Grondwet een soort staatsrechtelijk vliegwiel. Zaken met voldoende constitutionele rijpheid moeten worden geconstitutionaliseerd, terwijl overhaaste hervorming juist geweerd.

Het herzieningsproces dat uiteindelijk de Grondwet van 1983 heeft opgeleverd, bestaat uit een combinatie van deze tradities van Thorbecke, Krabbe en Struycken, aangevuld met de pragmatische benadering van de Werkgroep Proeve (1963-1966). De werkgroep had een sober doch normatief idee over de Grondwet en de Proeve voert dat uitgangspunt consequent door. In de jaren zestig vlamt het Thorbeckiaanse elan op dat wijziging van de Grondwet tot inzet van gewenste staatskundige hervorming maakt. Praktisch alles van deze op democratisering gerichte voorstellen loopt echter stuk op Struyckens vereiste van constitutionele rijpheid. Het succes van de Proeve zit vooral in het eerste, normatieve hoofdstuk met de Grondrechten. Maar ook de uitgangspunten van de Proeve zijn op een heel aantal punten niet doorgevoerd.
Hoofdstuk zes van de Grondwet past goed in dit algemene beeld. Het hoofdstuk is uiteindelijk minder sober geworden dan de Proeve destijds voorstelde. De meest normatieve bepaling, het verbod op de doodstraf uit artikel 114, is er te elfder ure door de Tweede Kamer in geamendeerd. Enige ambitie in de traditie van Thorbecke heeft het zesde hoofdstuk niet. Het enige echt inhoudelijke voornemen van de grondwetgever was de verdere erkenning en integratie van de bestuursrechtspraak in de gewone rechterlijke macht. Dat voornemen werd echter niet in de Grondwet zelf opgenomen. Het was bij het omlijnen van het begrip rechterlijke macht in artikel 116 vooral van belang dat de Grondwet geen barrières opwierp. De meeste bepalingen van hoofdstuk zes staan stevig in de traditie van Struycken. Ze vormen een plechtige codificering van de beginselen. Typisch is bijvoorbeeld de herhaalde verwijzing, rondom de openbaarheidswaarborgen uit artikel 121 Grondwet, naar de verdergaande regelingen die reeds door de wetgever waren getroffen. Typisch is ook de bezorgdheid van de grondwetgever, bij datzelfde artikel, om met al te ruim geformuleerde bepalingen allerhande praktische problemen voor de rechtspleging te creëren. De bepaling heeft daardoor nauwelijks normatieve waarde bij de concrete discussies over grensgevallen. Het artikel zou slechts een waarborgfunctie gaan vervullen als de wetgever op het idee komt de openbaarheid van de rechtspleging in zijn geheel af te schaffen.

Na 1983 is dit beeld van de functie van hoofdstuk zes van de Grondwet niet veranderd. De grote ontwikkelingen binnen de rechtspleging gaan hoofdzakelijk buiten de grondwetgever om. Het enige grondwetsartikel uit hoofdstuk zes dat als zodanig een rol speelt in het debat is het constitutioneel toetsingsverbod uit artikel 120. In 1983 bleef het (inhoudelijk) ongewijzigd, omdat alle vernieuwingsvoorstellen in de beste traditie van Struycken waren stukgelopen op het ontbreken van een strikte noodzaak en brede consensus om de regeling aan te passen. In 2002 leek een dergelijke consensus wel in beeld te komen. Het initiatiefvoorstel van het Kamerlid Halsema (GroenLinks) tot gedeeltelijke aanpassing van artikel 120 (hetzelfde als het oude voorstel van de Proeve van 1966) leek met een zekere vanzelfsprekendheid zijn weg door de instituties af te leggen. Van dat momentum is resteert niet veel meer. In 2010 bracht de Staatscommissie Grondwet nog een advies uit waarin was voorzien in de invoering van de door Halsema bepleite vorm van beperkte constitutionele toetsing door de rechter. Van het advies van de Staatscommissie nam het kabinet-Rutte I vervolgens praktisch niets over. Met de Grondwet moesten we voorzichtig omgaan, overwoog minister Donner onder verwijzing naar Struycken. Dat betekende dat alleen voorstellen die én constitutioneel rijp waren én waaraan een dringende maatschappelijke behoefte bestond, voor opname in de Grondwet in aanmerking kwamen.[2]
 

2. Inhoud van en samenhang binnen hoofdstuk zes

Het eerste grote onderwerp van hoofdstuk zes is allereerst het beleggen van de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak bij de (gewone) rechterlijke macht. De artikelen 112 en 113 regelen die kwestie. Artikel 112, tweede lid, bevat verder het resultaat van een lange negentiende-eeuwse discussie over de toelaatbaarheid van rechtsbescherming tegen de overheid. Naar huidig recht neemt de civiele rechter ook kennis van vorderingen tegen de overheid. Alleen wanneer, conform artikel 112, tweede lid, is voorzien in een rechtsgang bij de bestuursrechter die met voldoende waarborgen is omkleed, zal een vordering bij de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk worden geoordeeld. De artikelen 115 en 119 zijn bijzondere voorzieningen in dit verband. Artikel 115 draagt de verwachting uit de jaren 80 van de vorige eeuw dat administratief beroep de toekomst heeft. Die heeft het inmiddels  niet meer. Artikel 119 regelt vervolgens een bijzondere vorm van strafrechtspraak: het artikel bevat een forum privilegiatum en een politiek vervolgingsmonopolie voor ambtsmisdrijven van hoge politieke ambtsdragers.

Het tweede grote onderwerp van hoofdstuk zes van de Grondwet wordt gevormd door de institutionele artikelen over de rechterlijke macht, inclusief de constitutionele systeemwaarborgen die daarbij horen. Artikel 116 constitueert een nader bij formele wet te regelen ‘rechterlijke macht’. Het artikel functioneert verder als waarborg voor de institutionele afhankelijkheid van de rechterlijke macht: de garantie dat de rechterlijke macht als geheel over enige onafhankelijkheid moet beschikken tegenover de andere staatsmachten. Artikel 117 bevat de belangrijkste waarborgen voor de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Het artikel bepaalt dat rechters voor het leven worden benoemd en drukt daarmee de algemene waarborg uit dat een rechter geen repercussies in zijn rechtspositie moet hoeven vrezen als hij een uitspraak doet die de regering of Staten-Generaal om wat voor reden dan ook onwelgevallig is. Hoewel de samenstelling van de rechterlijke macht en de verdere regeling ervan door de Grondwet voornamelijk aan de formele wetgever wordt opgedragen, noemt de Grondwet toch één gerecht met name: de Hoge Raad der Nederlanden (artikel 118). Deze naamgeving en de bepaling dat aan dit rechtscollege door de wetgever de cassatierechtspraak kan worden opgedragen, dragen het uitgangspunt dat rechtspraak een principieel gecentraliseerde staatsfunctie is. Vroeger was dat uitgangspunt met meer stelligheid vertolkt door de bepaling dat in het gehele rijk in naam des konings werd rechtgesproken. Voor de Hoge Raad geldt overigens ook een bijzondere benoemingsprocedure. De voordracht verloopt via een aanbeveling door de Tweede Kamer.
De overige bepalingen van hoofdstuk zes vertonen niet veel onderlinge samenhang. Het betreft allereerst, in artikel 114, het verbod voor de rechter om de doodstraf op te leggen. Dat artikel had ook goed in het eerste hoofdstuk tussen de (andere) grondrechten gepast. Anderzijds is er ook verwantschap met de verzekering uit artikel 113 dat vrijheidsstraffen alleen door de rechterlijke macht kunnen worden opgelegd. De plaatsing van het constitutioneel toetsingsverbod, in artikel 120, heeft door de tijd heen de nodige constitutionele wenkbrauwen doen fronsen. Het artikel had in de oude formulering ‘de wet is onschendbaar’ een logische plaats in het hoofdstuk over wetgeving en bestuur. De plaatsing in hoofdstuk zes maakt evenwel duidelijk dat het constitutioneel toetsingsverbod zich sinds 1983 alleen richt tot de rechter niet (meer) tot het bestuur. Artikel 121 bevat de waarborgen voor een publieke controle op de rechtspraak (openbaarheid en motivering) en artikel 122 de grondslag voor gratie en amnestie. Van die laatste bepaling is de plaatsing in hoofdstuk zes eveneens vaak betwist. Het verlenen van gratie (opschorten van de verdere ten uitvoerlegging van de straf) is een bestuursdaad en het verlenen van amnestie (het opheffen van het strafbare karakter van een handeling) is een daad van wetgeving.

Hoofdstuk zes, kortom, gaat niet alleen over rechtspraak en niet alleen over de rechter. Het wordt inhoudelijk het beste samengevat als het hoofdstuk, kwesties rondom de rechtspleging betreffende.
   

Noten

  1. Karin van Leeuwen, Uit het spoor van Thorbecke, Grondwetsherzieing en staatsvernieuwing in naoorlogs Nederland (1945-1983), Amsterdam: Boom 2013.
  2. Kamerstukken II 2011/12 34 570, nr. 20.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard, Hoofdstuk 6 - Rechtspraak. In: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Video
Blogs
IN DE WERELD