CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.

ALGEMENE INLEIDING

Ernst M.H. Hirsch Ballin

HOOFDSTUK 1 - Grondrechten

INHOUD
  1. Inleiding
  2. Grondwetsherziening bij een politieke getijdewisseling
  3. De dynamiek van hoofdstuk 1
  4. Grondwet en maatschappelijke orde
  5. Grondrechten in een functioneel perspectief
  6. Conclusie
  Editie maart 2017[1]

1. Inleiding
De algehele herziening van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, in werking getreden op 17 februari 1983, stelde de grondrechten in hoofdstuk 1 tekstueel voorop. Dat was een markante verandering ten opzichte van de voorafgaande versies van de Grondwet, waarin immers alleen een deel van de grondrechten een plaats had gevonden, bovendien gespreid over verschillende hoofdstukken. Aldus legt dit hoofdstuk op het eerste gezicht een hecht en stevig fundament onder het constitutionele bestel. Bij nadere beschouwing valt echter op dat maar een deel van de in internationale documenten verankerde grondrechten in hoofdstuk 1 terug te vinden is; het grondrecht op toegang tot de rechter en de bescherming van wegens hun ras, godsdienst of overtuiging vervolgde vluchtelingen ontbreken bijvoorbeeld. De grondrechten die wel door de Grondwet worden erkend, zijn als gevolg van open beperkingsclausules en regelingsopdrachten vaak in hoge mate onbepaald. Het in 1983 gehandhaafde verbod van rechterlijke toetsing van wetten aan de Grondwet maakt dat hoofdstuk 1 nauwelijks tot jurisprudentie heeft geleid, maar ook als het toetsingsverbod niet was opgeheven, zou er niet zoveel om aan te toetsen zijn geweest. Er is dus alle reden om de plaats van dit hoofdstuk in het Nederlandse constitutionele recht te exploreren. Daarover gaat deze inleiding.

De systematiek van hoofdstuk 1 van de Grondwet, die in de toelichting op de in 1976 ingediende wetsvoorstellen 13872 en 13873 was, beschreven, maakt onderscheid tussen bepalingen die de burger een aanspraak geven – maar die de wetgever met inachtneming van het legaliteitsbeginsel kan inperken – en bepalingen die de wetgever opdragen het grondrecht uit te werken. Dit maakt de wetgever dus tot meester en garant van de grondrechten. Waarborgen jegens de wetgevende macht moeten in het democratisch proces zelf worden gegenereerd, dan wel worden ontleend aan de inbedding van de Nederlandse rechtsorde in de internationale en Europese rechtsorde. Deze kenmerken van de grondwetsherziening van 1983 zijn echter niet het laatste woord. Ze kunnen dat ook niet zijn. Elke codificatie wordt gevolgd door een periode van legalisme – zo ook deze – waarin juristen zich vooral beijveren om de tekst van de wet te volgen, maar daarna manifesteert zich weer de dynamiek van het rechtsleven. Achter de terminologische finesses van het hoofdstuk stuiten we dus op de werking en de verwerkelijking van de grondrechten. Hoofdstuk 1 van de Grondwet, zo blijkt dan, heeft betekenis als samenstel van uitspraken over het constitutionele bestel – wat voor soort democratie wil Nederland zijn –, over de rechtsorde en over de maatschappelijke orde.

Als gevolg van het verbod van toetsing van wetten aan de Grondwet kan die dynamiek slechts in zeer beperkte mate in jurisprudentie over de Grondwet tot uitdrukking kan komen. Die dynamiek komt echter onvermijdelijk wel op andere wijze tot uitdrukking. Net als andere normen en instellingen van de constitutie maken ook grondrechten deel uit van een voortdurend democratisch proces van herinterpretaties - “iterations” in een formulering die Seyla Benhabib aan Jacques Derrida heeft ontleend - waarbij de constitutionele instellingen zich in een dialoog begeven over de actuele betekenis van de grondwetsbepalingen: “Democratic iterations are linguistic, legal, cultural, and political repetitions-in-transformation, invocations that are also revocations. They not only change established understandings but also transform what passes as the valid or established view of an authoritative precedent.”[2]

Op zijn eigen manier, zonder rechterlijke toetsing, draagt hoofdstuk 1 wel degelijk bij aan de constitutionele rechtsontwikkeling. Het heeft immers – juist door veel open te laten – tot heel veel, deels controversiële wetgeving geleid, die in dit commentaar per artikel in kaart wordt gebracht. Deze wetgeving moet uiteraard wél voldoen aan de inhoudelijke normering van de verdragen over fundamentele rechten en aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze taak van de “formele”, d.w.z. parlementaire, wetgever was precies wat werd beoogd met de geherformuleerde Grondwet. Men wilde primair de democratisch gelegitimeerde wetgever aan het stuur; de Grondwet moest de wetgever niet teveel voor de voeten lopen. Deconstitutionalisering, geclausuleerde delegatie en regelingsopdrachten vormden de ruggengraat van de herschreven Grondwet.

De Grondwetsherziening van 1983 was in hoge mate de vrucht van de politieke getijdewisseling die was ingezet in de tweede helft van de jaren zestig: een politieke inhaalslag om stem te geven aan de burgers. De algehele grondwetsherziening was voorbereid door een staatscommissie onder voorzitterschap van J.M.L.Th. Cals en A.M. Donner, die in 1971 haar eindrapport inleidde met een kenschets van de politieke en maatschappelijke context: “De toename van de bevolkingsdichtheid en van de welvaart, de snelle ontwikkeling van de techniek, de groeiende mogelijkheid en het streven om toekomstige ontwikkelingen te beïnvloeden hebben bij velen geleid tot verandering in de opvattingen over de verhouding van enkeling en gemeenschap. Bij dit alles is van belang, dat, mede door de nieuwe middelen van massacommunicatie, zeer velen zich plotseling en heftig van deze veranderingen bewust zijn geworden en in hun bezorgdheid over de gevolgen daarvan zoeken naar middelen om op de ontwikkeling meer invloed uit te oefenen dan voorheen.”[3] Het beeld dat hier wordt geschetst, is dat van de “maakbare” samenleving met politieke representatie van individuen in zowel het wetgevingsproces als besturingsproces.

De herziening legde daarom de nadruk op de formele structuur van democratische besluitvormingsprocessen, met verwijdering van veel verouderd geachte vormen. De combinatie van klassieke en sociale grondrechten in hoofdstuk 1 van de Grondwet betekende dat voor bijna de volle breedte van de samenleving de overheid werd gepositioneerd als ordenende kracht, beperkt maar ook gelegitimeerd door grondrechten in haar regulerende en bestuurlijke taken. Daarom behandelt deze inleiding na een verkenning van de historische context van de herziening van 1983 eerst de juridische werking van de grondrechten, dan de relatie tussen Grondwet en maatschappelijke orde en tenslotte het functionele perspectief van de werking van grondrechten.
  
2. Grondwetsherziening bij een politieke getijdewisseling
De instituties van het Nederlandse staatsbestel waren in de jaren zestig van de vorige eeuw voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog in het middelpunt komen te staan van een politieke crisis – een crisis die in Frankrijk, Duitsland en Italië nog veel heftiger voelbaar was dan in Nederland.

 


May-June 1968 - A Situation Lacking in Workers' Autonomy, libcom.org

De na de oorlog opgegroeide generatie keerde zich af van de herstelde, inmiddels ogenschijnlijk onwankelbare gezagsstructuren. Soms werd een linkse omwenteling nagestreefd, met verstatelijking van het bankwezen en andere sectoren van algemeen belang. Tal van anderen eisten van de gezagsdragers openheid en bereidheid tot het afleggen van verantwoording. Regenteske pogingen om dit opkomend democratisch tij te keren, faalden. Wel lukte het, met een programma van hervormingen de kritische bewegingen tot rust te brengen. De Wet universitaire bestuurshervorming (1970), de Wet openbaarheid van bestuur (1978) en de verlaging van leeftijdsgrenzen voor meerderjarigheid en voor actief en passief kiesrecht behoorden tot de resultaten van de democratiseringsbeweging in het Nederlandse staatsbestel. De rellen en bezettingen van de jaren zestig werden geabsorbeerd in een behoedzame hervorming van de instituties, en aan autoritaire bestuursstijlen kwam een einde. De progressieve zijde hoopte erop dat zich een veranderingsgezinde meerderheid zou manifesteren, de behoudende krachten vertrouwden wellicht op de remmende werking van coalitievorming. De 163 dagen durende kabinetsformatie van 1972-1973 was één langgerekte strijd tussen deze twee richtingen, die ertoe leidde dat het uiteindelijk gevormde vijf-partijenkabinet onder leiding van J.M. den Uyl een dubbele programmatische grondslag kreeg, namelijk naast het door de partijen ter linkerzijde (PvdA, PPR en D’66) aanvaarde verkiezingsprogramma bindend ook dat van de christendemocratische partijen. Voor zover deze programma’s met elkaar in strijd waren, werden “de desbetreffende punten behandeld bij het licht van de conclusies van formateur Burger d.d. 19 februari 1973.”[4].

Dit tijdsgewricht gaf ook aan de algehele grondwetsherziening van 1983 richting en kleur, aangezien de wetsvoorstellen, voorafgegaan door een nota van het kabinet-Den Uyl, in de jaren zeventig werden voorbereid en ingediend. Aanvankelijk werd de grondwetsherziening gepresenteerd als een nieuwe stilering: de “Proeve van een nieuwe grondwet” van 1966, opgesteld met een hartgrondige afkeer van hoofdletters en met een inhoud die werd beperkt “tot het minste dat in de gegeven omstandigheden mogelijk is, terwijl dat minste dan van normatieve aard moet zijn”.[5] Na de verkiezingen van 1967 kreeg de grondwetsherziening een zwaardere politieke lading en werd zij vooral benut om de politieke onrust over het staatsbestel te kanaliseren. Bij die verkiezingen had de destijds nieuwe politieke partij Democraten ’66 structurele wijzigingen bepleit zoals een gekozen minister-president en de invoering van een districtenstelsel. Een nog in datzelfde jaar ingestelde Staatscommissie van gemengde samenstelling – gemengd niet alleen in de gebruikelijke partijpolitieke en godsdienstig-levensbeschouwelijke zin, maar ook door het aantreden van vernieuwers naast gevestigde deskundigen – kwam met verdeelde adviezen over de mate van ingrijpendheid van de grondwetsherziening. 



Installatie van de Staatscommissie Cals/Donner door Minister-President P. de Jong. Uit: Algemeen Nederlands Persbureau – Fotoarchief, 1963-1968 van de ANP, geheugenvannederland.nl


De culturele generatiewisseling manifesteerde zich daarin dat de tegenstellingen nu dwars door de politieke kleurverschillen heen liepen. Over ingrijpende veranderingen, zoals de invoering van een districtenstelsel dan wel een afgezwakte vorm van evenredige vertegenwoordiging binnen twaalf grote kiesgebieden, een gekozen formateur en de invoering van rechterlijke toetsing van wetten aan de Grondwet, was de Staatscommissie diep verdeeld. Onder leiding van de co-voorzitters J.M.L.Th. Cals en A.M. Donner koos de meerderheid op verscheidene punten voor vernieuwing, toen de Staatscommissie tussen 1968 en 1971 gefaseerd rapporteerde. Hierop bouwde het door vijf partijen gevormde kabinet-Den Uyl voort in de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid (1974). Deze bevatte voorstellen voor enkele substantiële wijzigingen, zoals een “districtenstelsel” met 12 à 15 kiesgebieden, een gekozen kabinetsformateur, directe verkiezingen voor de Eerste Kamer, en de mogelijkheid provincies en gemeenten door gewesten te vervangen. In de parlementaire behandeling bleef daarvan echter vrijwel niets overeind. D66 was op den duur de enige politieke partij die zich inzette voor constitutionele veranderingen, maar toen ook het zesde kabinet waaraan deze partij deelnam (het tweede kabinet-Balkenende) in 2006 tussentijds bezweek, leek het getij hiervoor verlopen. Pas in 2013 ontbrandde een nieuwe discussie over de positie van de Eerste Kamer, waar het vanuit de Tweede Kamer gevormde tweede kabinet-Rutte geen vaste meerderheid heeft.[6] 

Inmiddels heeft dit kabinet in zijn nadagen de werking van het parlementaire bestel geparkeerd bij een nieuwe staatscommissie onder voorzitterschap van de oud-minister J.W. Remkes.[7]

Het gemeenschappelijke kenmerk van de gestrande voorstellen uit de jaren zestig en zeventig was dat ermee democratisering werd nagestreefd, in de vorm van een meer directe en effectievere invloed van de kiezers op de wijze waarop ze werden geregeerd. Dat gold ook voor de pleidooien voor invoering van een referendum en een gekozen burgemeester, die met ups en downs sindsdien een rol bleven spelen in de politieke discussie. Ondanks het uitblijven van ingrijpende veranderingen klonk dit oogmerk nog door toen – na de parlementaire behandeling van de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid – van de vernieuwing niet veel meer was overgebleven dan een strakkere constitutionele systematiek en een gestandaardiseerde, eigentijdse terminologie. Het paradoxale effect van de verwerping van ingrijpende voorstellen voor nieuwe vormen van volksinvloed was dat men het democratische karakter van de bestaande institutionele arrangementen wel extra profiel moest geven. De buitenparlementaire oppositie had plaatsgemaakt voor een discussie die zich bewoog zich binnen de gevestigde kaders van het parlementaire stelsel. De vernieuwingsdrang van de jaren zestig was gekanaliseerd tot een versterking en verheffing van de rol van de parlementaire wetgever.

In die systematiek en terminologie trachtte de regering in de herziene Grondwet van 1983 dus het democratisch gehalte van de Nederlandse constitutie scherper tot uitdrukking te brengen. Door deconstitutionalisering van verscheidene onderwerpen zou de positie van de (gewone) parlementaire wetgever worden versterkt. Het waarborgkarakter van de grondrechten werd – nu de rechter nog steeds geen taak kreeg inzake de toetsing van wetten aan de Grondwet – vooral gezocht in voorschriften dat grondrechtsbeperkingen een expliciete wettelijke basis behoefden. Voor verscheidene grondrechten volstond de herziene Grondwet zelfs met een opdracht aan de wetgever om daarover regels te stellen. Om misverstanden te voorkomen als zou de Koning nog steeds politieke macht hebben, werd een niet geheel geslaagde poging gedaan de term “Koning” (die vroeger ook de betekenis had van “regering”, dat wil zeggen de Koning handelend op voordracht van en onder verantwoordelijkheid van de ministers) te reserveren voor de koning in persoon, terwijl in andere gevallen termen als “regering” en “bij koninklijk besluit” werden gebruikt.[8] Het nieuwe taalkundige regime van de Grondwet werd dus gedragen door een constitutionele theorie die de wetgevende macht centraal stelde: de vrijheid van de burgers zou slechts haar beperking vinden in de exclusieve bevoegdheid van hun vertegenwoordigers om algemene regels te stellen die de wil van de meerderheid tot uitdrukking zouden brengen. Ter linkerzijde werd dit gezien als een erkenning van het democratisch staatsbestel als voertuig voor verandering, ter rechter zijde als een barrière tegen activistisch overheidsbeleid; alom werd het “primaat van de politiek” geprezen als voltooiing van een emancipatieproces dat in 1848 was begonnen. Het voorbehouden van vrijheid beperkende en anderszins ingrijpende maatregelen aan de (formele) wetgever is intussen óók van belang als waarborg voor de vrijheid van de burgers: het legaliteitsbeginsel garandeert hun vrijheid, wat aan dit beginsel de waarde geeft van een algemeen werkend “grondrecht op vrijheid” behoudens bij of krachtens de wet gestelde beperkingen.[9]

3. De dynamiek van hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1 is bij de totstandkoming zo opgevat dat eruit zou moeten blijken welke vrijheden en aanspraken individuen jegens de staat ontlenen aan grondwettelijke bepalingen, en welke opdrachten tot regeling de wetgever krijgt. Kenmerkend voor de herziene Grondwet is dus dat de wetgevende macht de garant van grondrechten werd. Dit strookt met de parlementair-democratische strekking van de algehele grondwetsherziening; versterking van de rol van de rechter werd afgewezen. De Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid was daarover duidelijk: “Het oordeel omtrent de grondwettigheid van wetsvoorstellen blijve aan de wetgever.”[10] Vandaar dat evenmin behoefte bestond aan criteria aan de hand waarvan de rechter zou kunnen beoordelen of een beperking van grondrechten grondwettig was: de theorie van een te eerbiedigen “kernrecht” (vergelijkbaar met de in Artikel 19 Abs. 2 van het Duitse Grundgesetz neergelegde “Wesensgehaltsgarantie”) en materiële doelcriteria zijn in hoofdstuk 1 vrijwel geheel afwezig. Men zou kunnen zeggen dat hierin een uiterst optimistische kijk op de Nederlandse democratie in tot uitdrukking: de gedachte dat de meerderheid in het gidsland achter de dijken zich ooit zou lenen voor aantasting van grondrechten, was ver weg. 

Er was nog een tweede, eveneens in feite ideologisch element in de gekozen opzet, namelijk dat de overheid uit het oogpunt van grondrechten de essentiële machtsfactor was. De theoretische uiteenzetting in de memorie van toelichting was daarover in elk geval duidelijk. Derdenwerking werd ontleed in verticale relaties (waarin grondrechten rechtstreeks werken) en horizontale relaties waarin die werking niet vanzelf spreekt. Pas door wetgevende maatregelen (zoals de in 1994 aanvaarde Algemene wet gelijke behandeling) krijgt deze “horizontale werking” betekenis. Vandaar dat in voorgaande edities van het commentaar op de Grondwet net als in andere verhandelingen nog de volle nadruk lag op de exegese van de terminologie en de vraag of de tekst van de memorie van toelichting over horizontale werking deze nu al dan niet legitimeerde.

Met het in 1983 gehandhaafde verbod van rechterlijke toetsing van wetten aan de Grondwet kreeg de tot sociale grondrechten uitgebreide regeling in hoofdstuk 1 het karakter van een soort kaderconstitutie die de werking van fundamentele rechten in de Nederlandse rechtsorde partieel bepaalt. Pas door nadere wetgeving – op basis van de meestal zeer ruime delegatiebepalingen en regelingsopdrachten – wordt de reële inhoud van de grondrechten bepaald. Doeleinden waaraan beperking van grondrechten is gebonden, worden maar in een paar gevallen in de Grondwet omschreven; hoe ver ze zullen reiken wordt aan de wetgever overgelaten. Verdragen en – sinds 1 december 2009 – het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie spelen in de fundering van de constitutionele orde daardoor een voor de handhaving van de rechtsstaat onmisbare complementaire rol. Nederlandse wettelijke voorschriften moeten immers buiten toepassing blijven als ze in strijd komen met bijvoorbeeld het EVRM of het Handvest, zo volgt uit artikel 94 van de Grondwet en uit de aard van het EU-recht.[11] Een poging in een initiatiefvoorstel-Taverne om de in artikel 94 van de Grondwet[12] gelegen rechterlijke waarborg te ontmantelen, met als argument dat het parlement daarover zelf zou moeten waken, is in 2014 vastgelopen.
Onze rechtsorde heeft dus niet de structuur van een piramide met de Grondwet aan de top, maar lijkt eerder op een stuk van de aardkorst met op elkaar inwerkende bodemlagen, waartoe behalve het nationale recht van Nederland en van het Koninkrijk der Nederlanden, het recht van de Europese Unie en het internationale recht behoren.

Het uitgangspunt bij de opstelling van hoofdstuk 1 was een individualistische opvatting van de “klassieke grondrechten”. De memorie van toelichting van minister-president J.M. Den Uyl, minister W.F. de Gaay Fortman en staatssecretaris H.J. Zeevalking zei daarover: “Grondrechten hebben ten doel bij te dragen aan de ontplooiing van elk individu naar eigen geaardheid door hem in een aantal facetten van zijn persoonlijk leven te beschermen, zoals zijn intimiteit, zijn uitingsmogelijkheden, zijn deelname aan het openbare leven.”[13] Bij deze opvatting past het even verderop in de toelichting gebruikte woord “uitoefening”[14]: het grondrecht wordt verwerkelijkt doordat de “drager” ervan het “uitoefent”. De sociaaleconomische en institutionele voorwaarden daarvoor waren hier op de achtergrond geraakt, in feite weggeschoven naar een separaat deel van de grondwetsherziening, namelijk het wetsvoorstel over de sociale grondrechten. In de memorie van toelichting van dezelfde datum van dezelfde bewindslieden merken zij op: “Niet alle klassieke grondrechten zijn zo eenduidig en primair tot de vrijheidsidee te herleiden. Ook andere grondslagen spelen een rol, zoals de idee van de gelijkheid van de participatie in de publieke zaak, van de ontplooiing van de individuele persoon.”[15] Toch werden de sociale grondrechten door de regering merendeels als separate terreinen van overheidszorg beschouwd. Alleen de onderwijsvrijheid beschouwde zij als een “sprekend voorbeeld” van de verwevenheid van zogenaamde klassieke en sociale grondrechten; dit onderwerp werd daarom in een afzonderlijk derde voorstel voor grondwetsherziening ondergebracht, dat echter de eindstreep niet haalde.[16]

Hier en elders, ook bijvoorbeeld in het kader van de Raad van Europa, manifesteerde zich in de halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog dat “klassieke” grondrechten niet vanzelf een realiteit worden, maar inspanningen van overheidswege vereisen, zoals het optreden tegen aantastingen door derden van wat de klassieke grondrechten willen beschermen. Wanneer iemand het slachtoffer wordt van een moord die de Britse politie lijdelijk had zien aankomen, is dat óók een schending van het recht op leven (artikel 2 EVRM). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwoog daarover in het Osman arrest van 28 oktober 1998:“the first sentence of Article 2 § 1 enjoins the State not only to refrain from the intentional and unlawful taking of life, but also to take appropriate steps to safeguard the lives of those within its jurisdiction (…). It is common ground that the State’s obligation in this respect extends beyond its primary duty to secure the right to life by putting in place effective criminal-law provisions to deter the commission of offences against the person backed up by law-enforcement machinery for the prevention, suppression and sanctioning of breaches of such provisions.”[17] Uit “klassieke” grondrechten vloeien dus positieve verplichtingen voor de staat voort om te voorkomen dat ze in de harde werkelijkheid dode letters blijven.[18] In de toepassing van het EVRM zijn de “positieve verplichtingen” allengs een grotere plaats gaan innemen, maar ook in de Nederlandse rechtsontwikkeling inzake de godsdienstvrijheid spelen positieve verplichtingen van de staats een rol om te voorkomen dat de religieuze vrijheden van bijvoorbeeld gedetineerden en militairen illusoir worden. In zulke situaties, zo werd betoogd in het rapport “Overheid, godsdienst en levensovertuiging”,[19] moet de overheid passende voorzieningen treffen zoals de aanstelling van aalmoezeniers en andere geestelijke verzorgers in de krijgsmacht en in penitentiaire inrichtingen.

Toen echter in de geest van het Osman-arrest vanuit de Tweede Kamer een voorstel werd gedaan om – in de vorm van een “zorgplicht” – de positieve verplichting van de staat om in de veiligheid van de burgers te voorzien als “grondrecht op veiligheid” te codificeren, merkte de Raad van State op dat dit niet paste in de systematiek van de Nederlandse Grondwet.[20] Inderdaad, de teksten die uit de wetsvoorstellen van 1976 waren voortgekomen bevatten weinig aanknopingspunten voor positieve verplichtingen, afgezien van het onderwijsartikel en dat over rechtsbijstand (artikel 17). Deze cirkelredenering werd het wetsvoorstel fataal, maar de gedachte dat daarmee een aanslag op grondrechten zoals dat op bescherming van de persoonlijke levenssfeer was afgeslagen, ziet eraan voorbij dat juist een waarborg gelegen is in de inkleuring van veiligheid als bescherming van personen.[21] In een door grondrechten genormeerd kader van rechtsvorming en rechtspleging is de persoonlijke veiligheid het onderwerp van een positieve verplichting van de staat, en dus begrepen in een doordachte opvatting van wat Justitie dient te bewerkstelligen.[22] Heel anders is de ideologie van de “seguridad nacional”, die door rechtse Latijns-Amerikaanse dictaturen is gebezigd: deze ziet veiligheid als met harde hand opgelegde orde en rust.

4. Grondwet en maatschappelijke orde
Een bipolaire constitutionele ideologie – met de democratisch bestuurde staat aan de ene kant en de vrije burger aan de andere kant – werkte in sterke mate door in de opzet en de terminologie van het nieuwe eerste hoofdstuk van de Grondwet: “Grondrechten”. Anders dan de Staatscommissie had voorgesteld werden de “klassieke” en de “sociale” grondrechten niet over twee afzonderlijke hoofdstukken verdeeld. Uit inhoud en formulering zou het verschil in werking moeten blijken, aldus de toelichting, maar ze bezitten ook gezamenlijke kenmerken.[23] In de daarop gebaseerde staatsrechtelijke verhandelingen is het vrijwel algemeen gebruikelijk een onderscheid tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten voorop te stellen.[24] Weliswaar wordt daaraan soms toegevoegd dat het onderscheid nuanceringen behoeft,[25] maar kennelijk springt het verschil tussen “klassieke” grondrechten “die vrijheden van burgers garanderen, met name tegenover de overheid”, en “sociale” grondrechten met het karakter van “aanspraken op prestaties van de overheid” zeer in het oog. Van de eerstbedoelde grondrechten wordt gezegd dat zij primair “de legitieme verwachting (funderen) dat de overheid zich zal onthouden van bepaalde handelingen” terwijl de laatstbedoelde “de legitieme verwachting van overheidsoptreden” funderen.[26] 

Dit onderscheid geeft uitdrukking aan een doorgaans als vanzelfsprekend aanvaarde voorstelling van de rechtsorde en van de daardoor geordende samenleving: een voorstelling namelijk van de samenleving als domein (“speelveld”) van individuen binnen een door de overheid bepaald kader, dat rechtsnormen (“spelregels”) en publieke voorzieningen omvat. Dat aan het courante onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten deze voorstelling ten grondslag ligt, komt bijvoorbeeld duidelijk tot uitdrukking in het Tweede rapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet (staatscommissie-Cals/Donner). Daar wordt gesteld: 

“De idee van een vrijheidssfeer van de individuele mens, waar de overheid niet of slechts onder bepaalde voorwaarden in mag treden, heeft aan actualiteit gewonnen naarmate de overheidsbemoeiing met het maatschappelijk leven toenam. De omstandigheid dat het leven van alledag doortrokken is van actieve overheidsbemoeienis, heeft bij velen een afweerreactie opgeroepen. In brede kring leeft de behoefte zich vrij te kunnen ontplooien zonder de overheid telkens op zijn weg te hoeven ontmoeten. Hier biedt het grondrecht het juridisch instrument om een te intensieve overheidsbemoeienis af te weren en een zekere mate van persoonlijke autonomie te handhaven. Anderzijds is thans de overheid in toenemende mate actief betrokken bij de verwezenlijking van de grondrechten. Het inzicht is gegroeid, dat de overheid op verschillende terreinen voorwaarden dient te scheppen, op grond waarvan de mens zich in zijn individualiteit kan ontplooien. Mede in de dit licht zijn naast de klassieke grondrechten tevens de sociale rechten naar voren gekomen. Maar ook op het eigenlijke terrein van de klassieke rechten voltrekt zich dit proces. De vrijheidswaarborgen worden hier en daar gecomplementeerd door garanties en voorzieningen, welke verzekeren dat de vrijheid daadwerkelijk betekenis krijgt. Grondrechten krijgen hierdoor in bepaalde gevallen tevens een zogenaamd institutioneel karakter. Zo kan de drukpersvrijheid niet alleen worden opgevat als het recht van individuele burgers om hun meningen door middel van geschriften te openbaren; met deze vrijheid wordt tegenwoordig ook verband gebracht, dat het bestaan wordt gerespecteerd en bevorderd van een pers, waarin deze meningen kunnen worden gepubliceerd. Ook bij omroepvrijheidsrechten speelt dit institutionele element mee. Het belang van de uitoefening van vrijheidsrechten voor het functioneren van de democratie is daarbij sterker op de voorgrond getreden. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid, dat de grondrechten in de huidige tijd niet alleen het karakter hebben van een ongerechtvaardigd overheidsingrijpen als actieve overheidsbemoeienis ter bevordering van de menselijke ontplooiingsmogelijkheden worden thans als functies van de grondrechten beschouwd.”[27] 

Dit citaat, hoezeer ook geschreven vanuit een model dat van de overheid aan de ene kant en individuen aan de andere kant uitgaat, laat toch het besef doorklinken dat er meer is tussen hemel en aarde dan alleen overheid en individuen, namelijk ook door de overheid te ondersteunen “instituties”; het belang daarvan wordt evenwel slechts gezocht in het nut voor “ontplooiingsmogelijkheden”. 

Dat klassieke en sociale grondrechten twee kanten zijn van één medaille, had de Amerikaanse President Franklin D. Roosevelt echter reeds onderkend in zijn fameuze Four freedoms speech – de State of the Union Address tot het Congres op 6 januari 1941: 

 


President Franklin D. Roosevelt (1882-1945), www.gahetna.nl, Archief Spaarnestad


“We look forward to a world founded upon four essential human freedoms. The first is freedom of speech and expression – everywhere in the world. The second is freedom of every person to worship God in his own way – everywhere in the world. The third is freedom from want – which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants – everywhere in the world. The fourth is freedom from fear – which, translated into world terms, means a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor – anywhere in the world.”[28] 

 


De “four freedoms” zoals deze zijn gegraveerd in het Franklin Delano Roosevelt Memorial in Washington D.C. (http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Four_freedoms_human_rights.jpg).


Deze verbinding van “klassieke” grondrechten met de meest wezenlijke sociale grondrechten heeft de weg bereid voor ontwikkelingen in andere westerse democratieën en op den duur ook voor een internationale aanvaarding van hun nevenschikking en de verbinding met de zogeheten “derde generatie” grondrechten, die collectieve aanspraken op ontwikkeling en bescherming van cultureel erfgoed en van de natuurlijke habitat omvatten. Na de ineenstorting van het communistische statensysteem kon deze nieuwe politieke en juridische consensus in een document van de Verenigde Naties tot uitdrukking worden gebracht: de Vienna Declaration on Human Rights van 1993.[29] De in dezelfde periode opgestelde nieuwe Zuid-Afrikaanse grondwet van 1996 bevat in Chapter 2 een Bill of Rights die eveneens de verschillende “typen” grondrechten als deel van een samenhangend geheel ziet.[30] Dit geldt ook voor het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat op 1 december 2009 met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon verbindende kracht kreeg. Het is mede van toepassing op Nederlandse wetten, bestuurshandelingen en rechtspraak die binnen de reikwijdte van het EU-recht liggen.[31]

Het zou verwonderlijk zijn als deze ontwikkelingen voorbij zouden gaan aan uitleg en toepassing van nationale bepalingen over grondrechten. Het juridische en maatschappelijke discours over wetgeving en beleid op terreinen die fundamentele rechten betreffen, zoals gelijke behandeling, lichamelijke integriteit en privacy, trok zich weinig aan van de leerstellingen over horizontale en verticale werking. Bij politieke weerstanden werd soms teruggegrepen op de in de jaren zeventig, in de toelichting op de wetsvoorstellen 13872 en 13873 geformuleerde voorstellingen over de werking van grondrechten of op het veronderstelde onderscheid in juridische werking tussen het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR).[32] Het toenmalige Nederlandse kabinet voerde in 2002 samen met het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld nog een achterhoedegevecht tegen het geven van bindende werking aan het in 2000 geproclameerde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, al was het kabinet destijds van mening dat op termijn “grondrechten (zoals klassieke)” verdragsrechtelijk verankerd zouden kunnen worden. Het Handvest zelf, dat ook sociale en culturele grondrechten omvat, zou echter niet meer mogen worden dan een “politieke verklaring”.[33] Inmiddels heeft het Handvest echter sinds 1 december 2009 ingevolge artikel 6, eerste lid, VEU dezelfde juridische waarde als de verdragen en is het een van de belangrijkste ankerpunten van grondrechtenbescherming in de EU en haar lidstaten geworden. Voor de werking ervan worden “rechten” in artikel 51 onderscheiden van “beginselen”, een tweedeling die lijkt op die tussen aanspraken en regelingsopdrachten inzake hoofdstuk 1 van de Nederlandse Grondwet. De normatieve werking van de beginselen betreft blijkens artikel 52, vijfde lid, primair “wetgevings- en uitvoeringshandelingen” , maar heeft ook betekenis voor de rechtspraak inzake “de uitlegging van genoemde handelingen en de toetsing van de wettigheid ervan.”

5. Grondrechten in een functioneel perspectief
De erkenning van positieve verplichtingen en de verwevenheid van klassieke en sociale grondrechten betekenen niet dat alle grondrechten over één kam kunnen worden geschoren.[34] De rechtsorde structurerende grondrechten zoals – wat de Grondwet betreft – het gelijkheidsbeginsel (artikel 1 en in zekere zin artikel 3 Grondwet), de waarborgen tegen willekeurige ingrepen in rechten en vrijheden (artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, 14, 15 en 16), de waarborg van toegang tot de rechter (artikelen 15, tweede lid, 17 en 18; vgl. artikel 6 EVRM) en de waarborg van de fysieke integriteit (artikelen 11 en 114) behoeven weliswaar uitwerking in wetgeving, maar kunnen niet in afweging met andere grondrechten worden gerelativeerd, in elk geval niet wat hun werking jegens de overheid betreft. Van het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling (vgl. artikel 3 EVRM) wordt in de jurisprudentie van het EHRM aangenomen dat het absolute werking heeft. 

Deze grondrechten betreffen de infrastructuur van een vrije samenleving. Ze zijn niet altijd expliciet in onze Grondwet tot uitdrukking gebracht. Dat is niet verwonderlijk, want “fish discover water last”[35]: de meest fundamentele (en dientengevolge gemakkelijk over het hoofd geziene) constitutionele beslissingen houden in dat het tot de tegen aantasting te vrijwaren structuur van onze rechtsorde behoort dat zij als democratische rechtstaat is geconstitueerd, en verder dat de staatstaak (de taak van de politiek) in elk geval wel onvoorwaardelijk (a) de elementaire existentiële belangen van fysieke bestaanszekerheid en overlevingsmogelijkheden beschermt, en (b) de daartoe vereiste betrouwbaarheid van het recht moet garanderen, in het bijzonder inzake ingrepen in rechten en vrijheden zonder wettelijke grondslag, het verbod van willekeur, de aanspraak op gelijke behandeling, en de beschikbaarheid van organen van rechtspleging.

Bij de verwerkelijking van de rechtsorde structurerende grondrechten gaat het dus niet alleen om het bestaan, onderhouden en – door rechtspraak en rechtshandhaving – doen functioneren van het rechtsstelsel, maar ook om de handhaving van de openbare orde en veiligheid.[36] Deze grondrechten manifesteren zich mede – paradoxaal – in de beperkingsgronden van de gecodificeerde grondrechten, als “belangen” ter wille waarvan zélfs die grondrechten mogen worden ingeperkt. Hieruit blijkt dat het niet alleen de hierna te bespreken functionele grondrechten zijn die overheidsmaatregelen van sociaal-grondrechtelijke aard eisen; ook de rechtsorde structurerende grondrechten vergen overheidsoptreden, bijvoorbeeld een adequaat gefinancierde politie en rechtspleging.[37]

Andere grondrechten zijn gerelateerd aan bepaalde – in een ruime betekenis – functionele gebieden van menselijke activiteit; ze geven aan de staatsdoeleinden inhoud doordat ze de fundamentele waarborgen omschrijven welke – hetzij door staatsonthouding, hetzij door overheidsbemoeienis – de vervulling van de diverse sociale functies in onze samenleving mogelijk maken.[38] Deze optiek op grondrechten is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de “institutionele grondrechtentheorie”[39]; het gaat echter meer om sociale functies dan om instituties.

Voorbeelden bieden in de Nederlandse Grondwet:
- inzake de staatsburgerlijke participatie (burgerrechten): artikel 2, eerste lid, artikelen 3-5, soms met een specificatie van de gelijke behandeling van staatsburgers;
- inzake het godsdienstig-levensbeschouwelijk leven: artikel 6;
- inzake het huiselijk leven: artikel 12 (vergelijk ook de bepalingen omtrent het gezinsleven in artikel 8 EVRM en artikel 10 IVESCR) en 22, tweede lid;
- inzake de openbare meningsvorming: artikelen 7, eerste, derde en vierde lid, 8 en 9;
- inzake het onderwijs: artikel 23;
- inzake de kunsten en de wetenschappen: artikelen 7 en 22, derde lid;
- inzake informatiebetrekkingen: artikelen 10 en 13 (vergelijk ook artikel 110);
- inzake economische activiteit, in het bijzonder beroeps- en bedrijfsuitoefening: artikelen 14 (in zeker opzicht), 19 en 20
- inzake zorg voor de gezondheid van de mens en zijn leefmilieu (artikelen 21 en 22, eerste lid).

Deze functionele grondrechten moeten het – door de rechtsorde structurerende grondrechten gedefinieerde – kader, dat gelijkheid, vrijheid, bestaanszekerheid en veiligheid wil beschermen, respecteren. Ze geven hetzij als sociale grondrechten of uit hoofde van de aan klassieke grondrechten verbonden positieve verplichtingen een aanspraak op een overheidsoptreden (met inbegrip van wetgeving) dat de vervulling van de betreffende sociale functie door personen en verbanden in de samenleving in eigen verantwoordelijkheid ondersteunt. Daardoor definiëren deze grondrechten zowel mogelijke redenen voor subsidiëring als toelaatbare gronden voor beperkingen. Het sociaal-grondrechtelijke facet van de verwerkelijking van grondrechten mag geen afbreuk doen aan de vrijheid en eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen, die men ermee wil ondersteunen.

Voor de verwerkelijking van functionele grondrechten is naast de vervulling van positieve verplichtingen ook doorwerking in “horizontale verhoudingen” vereist. Dat de verwerkelijking van bijvoorbeeld het grondrecht op vrijheid van vereniging óók consequenties heeft in sociale verbanden, blijkt reeds uit het arrest dat het EHRM op 13 augustus 1981 wees in de zaak van Young, James en Webster.[40] Anders dan men vaak geneigd is aan te nemen, betekent dit geen werking op dezelfde wijze als tegenover overheidsorganen, maar een doorwerking die de eigen aard van het betrokken verband respecteert, zonder dit – politiserend of individualiserend – van de kenmerkende identiteit te ontdoen.

De grondrechten die de rechtsorde structureren zijn als het ware de basis waarop door democratisch gelegitimeerde wetgeving en beleid de functionele grondrechten uitwerking krijgen. De grondrechten betreffende deze fundamenten zijn “absoluut”, d.w.z. niet vatbaar voor beperkingen in het kader van een belangenafweging. De functionele grondrechten daarentegen vereisen nadere belangenafweging, die enerzijds tot uitdrukking komt in beperkingen en anderzijds in het beleid dat ter uitvoering van grondrechten op economisch, sociaal of cultureel terrein wordt gevoerd. Zowel de beperkingen als de nader-vormgevende maatregelen moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit. De onontbeerlijke keerzijde daarvan is dat belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden om tegen vermeende tekortkomingen en schendingen van hun fundamentele rechten op te komen. Daarom zijn de grondrechten betreffende de rechtsbescherming – zie de artikelen 13 en 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest het sluitstuk van elke effectieve bescherming van grondrechten. Een vergelijkbare algemene bepaling ontbreekt tot nu toe in hoofdstuk 1 van de Grondwet. Aanhangig is echter sinds 2016 een voorstel voor grondwetswijziging die inhoudt dat een nieuw lid aan artikel 17 wordt toegevoegd, luidende: “Ieder heeft bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter.”[41] Gelijktijdig heeft de regering voorgesteld voorafgaand aan hoofdstuk 1 een “algemene bepaling”te plaatsen, luidende: “De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten”.[42]

De burgerrechten betreffende het kiesrecht en andere vormen van participatie maken de burgers als het ware, via hun vertegenwoordigers, tot coauteurs van de nadere wetgeving inzake functionele grondrechten: “the people are not only the object but also the authors of the law to which they are subject”.[43] De beperkingsclausules van het EVRM vereisen wetgeving en bevatten daarom steeds een verwijzing naar de noodzakelijkheid (d.w.z. de proportionaliteit van doel en middel) in een democratische samenleving. Juist op dit punt is de nadruk die bij de grondwetsherziening van 1983 is gelegd op de rol van de democratisch gelegitimeerde wetgever terecht, zonder dat dit kan afdoen aan het grondrecht op behoorlijke rechtsbescherming. 

De verscheidenheid van levenssituaties en de dynamiek van de samenleving vereisen een besluitvorming in wetgeving en beleid die proportionaliteit van beperkingen zowel als implementerende maatregelen vereist. De afwegingen door de wetgever vinden niet in een constitutioneel vacuüm plaats, maar worden genormeerd door de grondrechten, ook waar deze een overlappend toepassingsbereik hebben en dus met elkaar in “botsing” lijken te komen. Die afwegingen krijgen het scherpste profiel waar grondrechten niet een voorbijgaande gebeurtenis of situatie raken (met een synchroon belangenconflict), maar het hele toekomstperspectief in een mensenleven (met diachrone tegenstellingen). De definitieve vernietiging van iemands levensperspectief wordt in het verbod van de doodstraf in artikel 114 van de Grondwet – een in het hoofdstuk over de rechtspraak verdwaald grondrecht – uitgesloten. In de vele rechtszaken bij de nationale rechter en het EHRM over de rechten van kinderen en van vreemdelingen en – al wordt dit lang niet altijd in een grondrechtenperspectief geplaatst – inzake de bescherming van het leefmilieu gaat het juist om de voor mensen zo belangrijke bescherming door het recht van hun hoop op betere tijden.

6. Conclusie
De betekenis van hoofdstuk 1 kan degene die deelneemt aan de constitutionele rechtsontwikkeling of daarvan studie maakt, op het eerste gezicht teleurstellen. De omschrijving van vele bepalingen is open en de rechter heeft als gevolg van het toetsingsverbod van artikel 120 amper mogelijkheden aan de grondrechten van hoofdstuk 1 uitwerking te geven; dat ligt in handen van de wetgever. Maar juist doordat hoofdstuk 1 in combinatie en wisselwerking met verdragen en het Handvest van de grondrechten zoveel nadere beoordelingen uitlokt en in competenties en procedures inkadert, is dit hoofdstuk toch van grote betekenis geworden. Wie zich niet laat vangen in de traditionele tweedelingen van “klassieke” en “sociale” grondrechten, ziet een breed en geschakeerd juridisch kader van publiekrechtelijke waarborgen, overheidszorg m, maatschappelijke initiatieven en individuele rechten. Op deze wijze geeft hoofdstuk 1 uitdrukking aan een voor het Nederlandse constitutionele bestel en zijn ontwikkeling karakteristieke verhouding van rechtsorde en maatschappelijke orde.
 

Noten

  1. De auteur dankt Fatma Capkurt LLB, die een review van de editie 2013 uitvoerde als studieopdracht voor de onderzoeksmaster rechtswetenschap bij Tilburg University, Caia Vlieks LLM en Eva van Vugt LLM voor hun waardevolle commentaren en suggesties.
  2. Een zeer volledig, gedocumenteerd overzicht van de discussies die tot de algehele grondwetsherziening hebben geleid, biedt C.A.J.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen 1983 en 1987,Deventer: Kluwer 1987. Zijn algemene beschouwingen over de “nieuwe” Grondwet (formeel nog steeds de Grondwet van 1815, maar bijna van a tot z herschreven) betroffen drie onderwerpen: de terminologie, het toetsingsrecht en de (de)constitutionalisering (pp. 25-38).
  3. Eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet ingesteld bij koninklijk besluit van 26 augustus 1967, nr. 1, ’s-Gravenhage: Ministerie van Binnenlandse Zaken / Staatsuitgeverij, p. 18.
  4. Regeringsverklaring van het kabinet-Den Uyl van 28 mei 1973, in Wij mogen niet talmen, Alle regeringsverklaringen van Schermerhorn tot en met Van Agt, ingeleid door P.P.T. Bovend’Eert, Amsterdam: Elsevier Boeken 2012, p. 217.
  5. Kamerstukken II 1975-1976, 13873, nr. 3, pp. 4-8.
  6. Zie bijvoorbeeld A.K. Koekkoek en W. Konijnenbelt, ‘Het raam van hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet’, in: Koekkoek e.a. (red.), Grondrechten, Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet (Jeukens-bundel), Nijmegen 1982, p. 4-7; C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer 1987, p. 40-41; P.W.C. Akkermans, C.J. Bax en L.F.M. Verhey, Grondrechten en grondrechtsbescherming in Nederland, Groningen/ Heerlen Pagina 10 van 12 1988, p. 25. Opvallend open was in deze context de opvatting van A.M. Donner (C.W. van der Pot/ A.M. Donner. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 11de druk, Zwolle 1983, p. 289, die betoogde dat wij iedere grondwetsbepaling van hoofdstuk 1 van de Grondwet “op eigen merites als grondrecht (moeten) opvatten en uitleggen, zonder ons er al te veel te verdiepen, of het nu een sociaal dan wel een klassiek grondrecht betreft. Die benamingen moeten uitslijten.”
  7. Kamerstukken II 2016–2017, 34 430, nr. 4 en Kamerstukken I 2016–2017, 34 430, C.
  8. Zie bijvoorbeeld Akkermans/Bax/Verhey, o.c., p. 26-28.
  9. Akkermans/Bax/Verhey, a.w., p. 26.
  10. Tweede rapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet, ‘s-Gravenhage 1969, p. 29-30.
  11. ECLI:NL:HR:2004:AR1797.
  12. Kamerstukken II 2011-2012, 33 359 (R 1986), Voorstel van rijkswet van het lid Taverne houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot aanpassing van de procedure voor vaststelling van rechtstreekse werking van een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
  13. Kamerstukken II 1975-1976, 13872, nr. 3, p. 10.
  14. Ib.,p. 11.
  15. Kamerstukken II 1975-1976, 13873, nr. 3, p. 5.
  16. Zie het commentaar van D. Mentink, B.P. Vermeulen en P.J.J. Zoontjens bij artikel 23 onderdeel 1.
  17. Osman v. United Kingdom, 87/1997/871/1083, § 115. Zie over dit “Osman-criterium” F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM. Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 138.
  18. Zie A.K. Koekkoek, Veiligheid als grondrecht, in: NJCM-Bulletin 27 (2002), nr. 5, pp. 549-561; Kamerstukken 28036, nrs. 1-4.
  19. Overheid, godsdienst en levensovertuiging. Eindrapport van de Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag , ’s-Gravenhage: Ministerie van Binnenlandse Zaken 1988.
  20. Aldus ook artikel 76 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie: “Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.”
  21. De internationaal volstrekt ongebruikelijke toevoeging van “Veiligheid” aan de naam van het Nederlandse Ministerie van Justitie (preciezer: het vooropstellen daarvan), waartoe in oktober 2010 was besloten, is dan ook een omineuze vergissing. Verwacht mag worden dat dit bij de kabinetsformatie 2017 zal worden gecorrigeerd.
  22. Seyla Benhabib, Another Cosmopolitanism. Oxford / New York: Oxford University Press 2006, p.48.
  23. Proeve van een nieuwe grondwet. ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij / Ministerie van Binnenlandse Zaken 1966. In deze “proeve” werd ook het hoofdlettergebruik geminimaliseerd en werden “programmatische en niet-juridische bepalingen” geschrapt. Door “schrapping van overbodige details” streefde de proeve “‘openheid’ van de voorschriften” na (p. 35).
  24. Dit was het resultaat van de in 2012 ingevoerde nieuwe procedure voor de kabinetsformatie, waarin de traditionele rol van het staatshoofd is beperkt tot het verrichten van de afsluitende ambtshandelingen van benoeming en beëdiging. Zie Ernst Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2de druk, ’s-Gravenhage: Boom juridische uitgevers 2013, pp. 46-57.
  25. Hirsch Ballin, a.w., pp. 37-40.
  26. E.M.H. Hirsch Ballin, Het grondrecht op vrijheid en de wet. - Het grondrecht op vrijheid en de wet, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink, 1989.
  27. Kamerstukken II 1973-1974, 12944, nr. 2, p. 17.
  28. Zie https://www.roosevelt.nl/fdr-four-freedoms-speech-1941.
  29. The Vienna Declaration and Programme of Action. Adopted at the World Conference on Human Rights, 14-25 June 1993, http://www.un.org/en/events/humanrightsday/2013/about.shtml, endorsed in resolution 48/121by the United Nations General Assembly, 85th plenary meeting, 20 December 1993.
  30. Zie http://www.justice.gov.za/legislation/constitution/SAConstitution-web-afr.pdf.
  31. Zie de interpretatie gegeven aan artikel 51 van het Handvest in ECLI:EU:C:2013:105 (Åklagaren v. Åkerberg Fransson).
  32. Zie het commentaar van F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese op de artikelen 93 en 94.
  33. Kamerstukken II 2002-2003, 28 604 en 28 473, nr. 3, p. 5. Deze notitie betrof de voorbereidingen voor het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Vgl. ook de op 24 april 2003 gevoerde discussie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 473, nr. 7, pp. 7 en 12), toen het kabinet dit achterhoedegevecht bleek te hebben gestaakt. Na de verwerping van voornoemd verdrag heeft het Handvest in het Verdrag van Lissabon in 2009 alsnog de rechtskracht van de verdragen gekregen.
  34. Deze verdeling in de rechtsorde structurerende grondrechten en functionele grondrechten is ontwikkeld in E.M.H. Hirsch Ballin, “Werking en verwerkelijking van grondrechten”, in: L. Heyde e.a., ed., Begrensde vrijheid, Opstellen over mensenrechten aangeboden aan Prof.dr. D.F. Scheltens bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, pp. 128-145.
  35. Een door W.J. van Eijkern in Handelingen der Nederlandse Juristen-Vereniging 1976, jg. 97, deel II, p. 81 aangehaald gezegde.
  36. Vgl. over veiligheid als grondslag van grondrechten K. Stern, Das Staatsrecht der Bundesrepublik Deutschland, Bd. III/1 (Grundrechte), München 1988, p. 932-933, 937. Zie ook mijn bijdrage ‘Openbare orde en veiligheid in de wetgeving’, in: U. Rosenthal en J.J.H. Pop (red.), Aan de orde van de dag, Opstellen over orde en veiligheid, Raad voor het binnenlands bestuur/Staatsuitgeverij 1988.
  37. Vgl. Stern, o.c., p. 717.
  38. Vgl. Stern, a.w., p. 772-3 m.nt. 110
  39. Vgl. Burkens, Algemene leerstukken van grondrechten naar Nederlands constitutioneel recht (reeks Handboeken staats- en bestuursrecht), Zwolle 1989, hoofdstuk 2.
  40. EHRM Young, James and Webster v. the United Kingdom, Application no. 7601/76; 7806/77, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57608.
  41. Kamerstukken II 2015-2016, 34 517 (Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering van de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over het recht op een eerlijk proces), nrs. 1-4.
  42. Kamerstukken II 2015-2016, 34 516 (Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering van de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een algemene bepaling), nrs. 1-4.
  43. Seyla Benhabib, o.c., pp. 47-48.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    Ernst M.H. Hirsch Ballin, Hoofdstuk 1 - Grondrechten. In: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Video
Blogs
IN DE WERELD