CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 24 - Koningschap

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Koning, koningschap en regering
  3. Erfopvolging
  4. Relevante verdragsbepalingen: discriminatie?
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie juli 2015[1]

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 24 legt vast dat het Koninkrijk der Nederlanden een constitutionele monarchie is, met aan het hoofd het Huis van Oranje-Nassau. Deze bepaling behoort tot de Grondwetsbepalingen waarnaar het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in artikel  5, eerste lid, verwijst; de daar genoemde bepalingen gelden voor het gehele Koninkrijk. De Grondwet heeft daardoor een dubbelrol als constitutie van het land Nederland en partiële constitutie van het Koninkrijk.
 
Op deze wijze legt de Grondwet ondubbelzinnig de grondslag voor het koningschap. De Koning is het staatshoofd van het gehele Koninkrijk der Nederlanden, en staat daarmee symbool voor de onderlinge verbondenheid van de landen binnen het koninkrijk.[2] Die verbondenheid komt nog sterker tot uitdrukking in de bewoordingen van artikel 1a van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden: ‘De Kroon van het Koninkrijk wordt erfelijk gedragen door Hare Majesteit Juliana, Prinses van Oranje-Nassau en bij opvolging door Hare wettige opvolgers.’[3]
 
Volgens artikel 24 vindt de Nederlandse monarchie zijn oorsprong in de eerste Koning der Nederlanden, Willem I. Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, was de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden, Willem V. Na de Bataafse Omwenteling, in 1795, hadden de Oranjes in ballingschap geleefd, maar in november 1813, na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig, werd Willem Frederik door het voorlopig bewind van de Nederlanden gevraagd de soevereiniteit te aanvaarden over de gebieden die hadden behoord tot de Republiek. Hij aanvaardde de soevereiniteit ‘onder waarborging eener wijze constitutie’. Vier maanden later, in maart 1814, werd de grondwet aangenomen waarin werd verklaard dat aan Willem Frederik de soevereiniteit was en bleef opgedragen. De monarchie ging dus vooraf aan de Grondwet van 1814, maar desondanks is het wel steeds de bedoeling geweest dat de vorst aan de Grondwet gebonden zou zijn: een constitutionele monarchie, met andere woorden.[4] Overigens gebruikte de Grondwet van 1814, op enkele titels van afdelingen na, nog niet de term Koning, maar de aanduiding ‘Souvereine Vorst’. In 1815 aanvaardde Willem I de koninklijke waardigheid, hetgeen in de Grondwet van 1815 werd vastgelegd.
 

Willem I was niettemin een werkelijk regerende vorst. In feite vormde hij zelf de regering: de ministers waren zijn adviseurs en de uitvoerders van zijn besluiten; zij droegen niet de politieke verantwoordelijkheid voor regeringsbesluiten. Willem I regeerde bij koninklijk besluit en werd daarbij nauwelijks gebonden door grondwettelijke of andere beperkingen. In de loop van de negentiende eeuw werd, in een aantal stappen, de politieke rol van de Koning in ons staatsbestel teruggedrongen ten gunste van ministers en de Staten-Generaal. Met de Grondwet van 1848 werd de Koning onschendbaar en werden ministers politiek verantwoordelijk voor het handelen van de regering tegenover de Staten-Generaal. Tot 2012 had de Koning nog een initiërende en begeleidende rol bij de totstandkoming van nieuwe kabinetten, maar sinds dat jaar neemt de Tweede Kamer zelf de regie in dat proces. De Koning heeft tegenwoordig een beperkte rol in het staatsbestuur: de opvattingen van de ministers zijn doorslaggevend voor de standpunten en beslissingen van de regering. Zijn grondwettelijke taken betreffen hoofdzakelijk het ondertekenen van wetten en koninklijke besluiten en het jaarlijks, op de derde dinsdag van september, openen van het parlementaire jaar.

2. Koning, koningschap en regering

Artikel 1 van de Grondwet van 1814 stelde vast dat de ‘Souvereiniteit der Vereenigde Nederlanden’ was en bleef opgedragen aan Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau en legde het principe van de erfopvolging vast. De Grondwet van 1815 sprak niet meer van soevereiniteit, maar gebruikte in verband met het koningschap de term ‘Kroon’. Die bepaling uit 1815 is vervolgens in nauwelijks gewijzigde vorm blijven bestaan tot aan de grondwetsherziening van 1983. Bij die gelegenheid werden de bepalingen over het staatshoofd en diens erfopvolging gestroomlijnd en werd gepoogd een duidelijkere en consistentere terminologie in te voeren.[5] In artikel 24 werd het oude begrip ‘Kroon,’ waarmee soms de regering, soms het staatshoofd werd aangeduid, vervangen door de term ‘koningschap’. Het begrip ‘koningschap’ duidde voortaan het ambt aan dat wordt vervuld door de Koning.[6] De Grondwet regelt ook andere aspecten van het zijn van Koning, zoals het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning (artikel 34) en de privésfeer van de Koning, de hofhouding (artikel 41).
 
De term ‘koninklijk besluit’, zoals die wordt gebruikt in meerdere bepalingen in de Grondwet, waaronder artikel 89, maar bijvoorbeeld ook de artikelen 43 en daaropvolgende, en in uiteenlopende wetten, zou in het licht van het voorgaande enige verwarring kunnen wekken. Met dat begrip wordt namelijk een besluit van de regering bedoeld, niet van de Koning zelf. De Koning neemt zelfstandig vrijwel geen besluiten die rechtsgevolgen hebben. Het besluit waarmee de Koning een onderscheiding van een van de zogenoemde huisorden toekent, is een voorbeeld van een besluit dat de Koning zelfstandig neemt, zonder betrokkenheid van ministers (zie het commentaar bij artikel 111 Grondwet). Ook beslissingen betreffende de inrichting van zijn ‘Huis’ (artikel 41 Grondwet) neemt de Koning in beginsel zelfstandig.
 
De Grondwet gebruikt alleen de term Koning, in de mannelijke vorm. Wanneer een vrouw het koningschap vervult – zoals tussen 1890 en 2013 het geval was – is zij in de grondwettelijke terminologie dus Koning. Dat klinkt echter nogal eigenaardig en daarom is in 1891 bij wet geregeld dat in zo’n situatie in alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en andere officiële benamingen het woord ‘Koningin’ wordt gebruikt, en dat de nodige taalkundige veranderingen daarbij in acht worden genomen.[7]

3. Erfopvolging

Niet alleen het koningschap als zodanig, maar ook het principe van de erfopvolging wordt vastgelegd in artikel 24. Hoewel koningschap en erfopvolging in het algemeen als vanzelfsprekend met elkaar worden verbonden, is dat in de geschiedenis niet altijd zo geweest.[8] In de vroege Middeleeuwen bijvoorbeeld werd de koning niet opgevolgd volgens regels van erfrecht, maar werd hij gekozen, hetzij door het volk, hetzij door zijn vazallen of speciaal daartoe aangewezen keurvorsten. Ook bestond de mogelijkheid dat hij werd benoemd door zijn voorganger. Bij de keuze van een opvolger van de koning waren de kiesmannen gehouden zich veelal te beperken tot één of enkele families waaruit zij iemand moesten benoemen, maar hierbij was er geen vaste volgorde waaraan zij zich moesten houden. Hét criterium voor de keuze was de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt en niet de volgorde van geboorte.[9] Wel gold al vroeg de oudste zoon van de overleden koning als eerste kandidaat.
 
Dat er zich op den duur een erfelijk stelsel voor de troonopvolging heeft ontwikkeld is niet voornamelijk te danken aan de wens van de vorst om de macht aan zijn kinderen over te dragen. De reden lag eerder besloten in de noodzaak het machtsvacuüm dat bij het overlijden van de koning zou ontstaan, zo snel en zo efficiënt mogelijk op te vullen. Immers, nu de koning in toenemende mate een centrale figuur werd in het staats‑ en rechtsbestel, werd zijn overlijden steeds meer ervaren als een kritiek punt in het voortbestaan van dat stelsel. Door het ontbreken van een vaste orde in de troonopvolging dreigde het koningschap een speelbal te worden van wedijverende families.[10] Terwille van de rust binnen en eenheid van de staat werd gekozen voor de erfopvolging.
 
Overigens bleek in de loop van de geschiedenis het beginsel van erfopvolging evenmin een garantie te zijn voor vreedzame opvolging van een overleden vorst. Zeker in de Middeleeuwen leidde de opvolging van een vorst regelmatig tot twisten onder rivaliserende erfgenamen, door de complexe familierelaties binnen en tussen vorstenhuizen, het soms ontbreken van nakomelingen van een regerende Koning, of juist het bestaan van buitenechtelijke nakomelingen. Zo was in de vijftiende eeuw in Engeland de opvolging van Koning Henry V de aanleiding voor hoog oplopende conflicten tussen twee takken van het Engelse vorstenhuis Plantagenet, de Tudors en de Lancasters (de ‘Wars of the Roses’).[11]
 
Het koningschap vererft volgens regels die afwijken van het gewone, civiele erfrecht. Vroeger, in het feodale Europa, was het koningschap niet alleen een publiek ambt, maar ook een privaat eigendom, dat volgens de regels van (wat we nu zouden noemen) privaatrecht vererfde en kon worden vervreemd. Tegenwoordig is het koningschap een publiek ambt, waarvan de continue vervulling en ondeelbaarheid de voornaamste kenmerken zijn. Het is niet langer een persoonlijk bezit van de vorst. Om die veranderde betekenis te waarborgen zijn daarop toegesneden regels van erfrecht nodig, die zijn opgenomen in de Grondwet zelf. Daarvan kan niet bij testament of overeenkomst worden afgeweken.[12] Zo is het nu onmogelijk om het koningschap, en daarmee het territorium van het koninkrijk, na overlijden van de vorst te verdelen onder diens nakomelingen, zoals bijvoorbeeld met het rijk van Karel de Grote gebeurde, en met vele feodale vorstendommen in de Middeleeuwen in Europa.
 
Het Nederlandse koningschap wordt vervuld door de wettige opvolgers van koning Willem I.[13] Wie dat zijn wordt bepaald in artikel 25 en volgende van de Grondwet.[14] De opvolging van de Koning kan op twee manieren geschieden: krachtens erfopvolging of door benoeming. Wanneer de Koning overlijdt of troonsafstand doet, wordt hij in beginsel opgevolgd door zijn wettige nakomelingen (artikelen 25 en 27 Grondwet); nakomelingen dus uit een wettig huwelijk.[15] In het geval er geen wettige nakomeling voorhanden is die op grond van artikel 25 aanspraak kan maken op de troon, kan een opvolger worden benoemd (artikel 30). Een eenmaal benoemde troonopvol­ger wordt vervolgens ook weer opgevolgd krachtens erfopvolging: artikel 31, eerste lid, Grondwet.
 
Door de veranderde rol en positie van een koning in een moderne constitutionele monarchie dient het beginsel van de erfopvolging tegenwoordig niet meer om de continuïteit van het staatsbestuur te verzekeren. Die continuïteit hangt immers niet langer af van het staatshoofd zelf. Veel moderne staten hebben niet langer een Koning die door erfopvolging zijn ambt verkrijgt, maar een – direct dan wel indirect – democratisch gekozen president. Een staatshoofd dat door erfopvolging zijn ambt verkrijgt wordt in het licht daarvan soms gezien als een vreemd historisch fenomeen. Het koningschap heeft, zoals gezegd, nu vooral nog een symbolische betekenis.

4. Relevante verdragsbepalingen: discriminatie?

De artikelen 2 en 25, onderdeel c, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) bepalen in onderlinge samenhang dat elke burger in een staat die partij is bij dat verdrag, op algemene voet van gelijkheid dient te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land, zonder onderscheid naar geboorte. Aangezien Nederland partij is bij dat verdrag, de genoemde artikelen zich lenen voor rechtstreekse toepassing en krachtens artikel 94 Grondwet voorrang hebben boven de bepalingen van de Grondwet, zou men kunnen beweren dat artikel 24 Grondwet – en alle overige bepalingen over de erfopvolging – buiten toepassing zouden moeten blijven bij overlijden of troonsafstand van de Koning.[16] Elke Nederlandse burger zou dan immers de kans moeten krijgen naar benoeming te streven. Wanneer het koningschap zou worden opgevat als een ‘overheidsdienst’ waarop artikel 25 IVBP doelt, zou een beperking van de mogelijke opvolgers in eerste instantie tot de nakomelingen van Willem I inderdaad discriminatie in de zin van die bepaling opleveren. Dat  de term ‘overheidsdienst’ in het verdrag ook het koningschap zou omvatten, is echter hoogst onaannemelijk, juist gezien het erfelijke karakter van dat koningschap.
 
In de loop van de tijd is wel het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke troonopvolgers afgeschaft. Tot 1963 hadden vrouwelijke nakomelingen van de Koning slechts recht op de troon wanneer er geen mannelijke troonopvolgers meer voorhanden waren. Vanaf 1963 moesten vrouwelijke troonopvolgers alleen nog voorrang verlenen aan mannelijke troonopvolgers die even nauw verwant waren aan de Koning als zijzelf. Pas bij de grondwetsherziening van 1983 verkregen mannelijke en vrouwelijke nakomelingen gelijke aanspraken op de troon (zie het commentaar bij artikel 25 Grondwet).

5. Literatuur

- J.Th.J. van den Berg en J Vis, De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946, Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2013
- C. Fasseur, De gekroonde republiek, Balans, Amsterdam 2011.
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2de druk, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag, 2013
- F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje‑Monarchie in de Herziene Grondwet (I), in: Groen Katern, Ons burgerschap, 1986, p. 33 e.v.
- J Koch, Koning Willem I, 1772-1843, Boom, Amsterdam, 2013
- C.A. Tamse (red.), De Monarchie in Nederland, Amsterdam 1980
- G.F.M. van der Tang, Soevereiniteit, in: Th. Holterman, e.a. (red.), Algemene begrippen staatsrecht, Zwolle 1991
- E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, De orde van erfopvolging tot den kroon in Nederland, diss. VU, Amsterdam 1911.

6. Historische versies

Art. 1 Gw 1814: De Souvereiniteit der Vereenigde Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Koninklijke Hoogheid WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje‑Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de na te melden bepalingen.
 
Art. 12 Gw 1815: De kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje‑Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen (art. 11 Gw 1840; art. 10 Gw 1887).
 
Art. 13 Gw 1815: De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit Zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten Generaal aangegaan, of toegestemd (art. 12 Gw 1840).
 
Art. 10 Gw 1963: De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje‑Nassau, om door Hem en Zijn wettige nakomelingen te worden bezeten.

Noten

  1. Bij het schrijven van dit commentaar is gebruik gemaakt van de tekst van de derde druk van het commentaar op artikel 24, van de hand van dezelfde auteur, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Tjeenk Willink, Zwolle, 2000. De eerste twee alinea’s van paragraaf 3 zijn, op twee zinnen na, overgenomen uit de tweede druk van: De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, onder redactie van P.W.C. Akkermans en A.K. Koekkoek (Tjeenk Willink: Zwolle, 1992); het commentaar op artikel 24 was van de hand van L.T.A. Rutges.
  2. .M.H. Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2de druk, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag, 2013.
  3. Tot 2010 was dat artikel 1; vernummerd bij rijkswet van 7 september 2010, Stb. 333.
  4. N. Cramer, De Kroon op het werk van 1813, in: C.A. Tamse (red.), De monarchie in Nederland, Amsterdam 1980, p. 19; R. Kranenburg, Het Nederlandse staatsrecht, Haarlem 1958, p. 38; F.J.A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Arnhem 1925, p. 12 13; P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, Zwolle 1967, p. 110.
  5. Kamerstukken II 1979 1980, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 3 (Nng, II, p. 9).
  6. De Grondwet kent traditioneel slechts de mannelijke vorm ‘Koning’, maar sluit daarmee in het geheel niet uit dat een vrouw de troon kan bestijgen; zie ook het commentaar bij art. 25 Gw.
  7. Artikel 1 van de Wet van 22 juni 1891 betreffende de wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiële benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op een Koningin, Stb. 1891, 125.
  8. A.M. Donner, Erfelijk en onschendbaar, in: C.A. Tamse (red.), De monarchie in Nederland, Amsterdam 1980, p. 212; F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje-Monarchie in de Herziene Grondwet, deel I, Groen Katern, Ons Burgerschap, 1986, p. 36.
  9. Donner, a.w. 1980, p. 213; zie tevens hierover P. Gerbenzon, N.E. Algra, Voortgangh des rechtes, Alphen aan den Rijn 1987, p. 53.
  10. E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, De orde van erfopvolging tot den troon in Nederland, diss. VU, Amsterdam 1911, p. 3 e.v.
  11. Zie hierover: C. Carpenter, The Wars of the Roses: Politics and the Constitution in England, C.1437-1509, Cambridge: CUP, 1997.
  12. Donner, a.w. 1980, p. 214; A.D. Belinfante, J.L. de Reede, bew. door L. Dragstra, N.S. Efthymiou, A.W. Hins, R. de Lange, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, 17e druk, Kluwer, Deventer, 2012, p. 56; E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, a.w. 1911, p. 8.
  13. Het Statuut voor het Koninkrijk verwijst naar de erfopvolgers van Juliana, omdat zij het koningschap uitoefende toen het Statuut werd vastgesteld, in 1954.
  14. Ook wanneer de huidige Grondwet niet het Huis van Oranje-Nassau als het Nederlandse koningshuis zou aanwijzen, zouden de in hoofdstuk 2 opgenomen regels over de erfopvolging verzekeren dat anderen dan telgen uit dat geslacht pas in aanmerking komen voor de troonopvolging als het zou zijn uitgestorven. Artikel 24 zou, technisch gezien, daarom in feite kunnen worden geschrapt. In het verleden is die suggestie wel gedaan, maar vooral om ‘historische redenen’ is bij opeenvolgende herzieningen van de Grondwet steeds besloten deze bepaling, waarvan een eerste variant al in de Grondwet van 1814 was opgenomen, toch te handhaven. Zie Oud, a.w. 1967, p. 116; Huart, a.w. 1925, p. 16-17.
  15. Dit betekent dat eventuele buitenechtelijke escapades van het staatshoofd niet kunnen leiden tot onverwachte aanspraken op de troon.
  16. In die zin P. Ingelse, Koninklijke sollicitatie, NJB 1997, p. 586.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 24 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Koningschap

Onze Grondwet legt vast dat Nederland een monarchie is met aan het hoofd het huis van Oranje-Nassau. Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige nakomelingen van Willem I, die in december 1813 het soevereine gezag over het kort daarvoor weer onafhankelijk geworden Nederland aanvaardde.
 
Deze bepaling geeft dus ook de grondwettelijke basis voor het principe van de erfopvolging. De bedoeling van dat mechanisme is – historisch gezien – te voorkomen dat onzekerheid of getwist ontstaat over de invulling van het ambt van staatshoofd: de nakomelingen van de Koning volgen hem immers in een vaste, vooraf vastgestelde volgorde automatisch op wanneer hij overlijdt of afstand doet van het koningschap. Deze praktische rechtvaardiging van de erfopvolging heeft tegenwoordig niet veel betekenis meer. Veel moderne staatshoofden – presidenten – worden om vergelijkbare redenen juist democratisch verkozen. Artikel 24 is nu vooral een bepaling met een sterke symbolische betekenis, die de historische band van Nederland met het huis van Oranje-Nassau tot uitdrukking brengt.
Achtergronden

Koningschap

In een interview met de Volkskrant bepleit prof. Hirsch Ballin de noodzaak van het Koningschap, juist nu het "vijandsdenken" in de politiek overheerst. Meer uitgebreid schreef Hirsch Ballin hierover in zijn boek "Koning: Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap".

Toen Willem-Alexander bijna drie jaar Koning was, wijdde de Volkskrant een artikel aan de werkbezoeken die Willem-Alexander in het kader van zijn Koningschap aflegt. 




Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Koningschap

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Koningschap

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Koningschap

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Koningschap

Het bovengenoemde vijandsdenken is gerelateerd aan de politieke filosofie van het "agonisme" van Chantal Mouffe. Democratiën moeten in staat zijn om antagonisme om te buigen in agonisme. Een overgang van het denken in vijanden naar denken in opponenten. In dit interview vertelt zij meer over dit perspectief op politiek en bestuur.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Koningschap

  • Discussie over het Koningschap
  • Voordelen Koningschap
  • Koning op basis van loting?
Discussie over het Koningschap
Gert-Jan Leenknegt bespreekt de discussie over het (ceremoniële) Koningschap. Interview door Susan Mestrom.
Blogs

Koningschap

Erfopvolging Koning illegaal?

De rechter Peter Ingelse stelt dat de erfopvolging van het Koningschap in strijd is het recht op gelijkheid, zoals geformuleerd in de artikel 1 van de Grondwet en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zie hier een aan deze stelling gewijde uitzending van Nieuwsuur.

In de wereld

Koningschap