CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

P. Jacobs

ARTIKEL 15 - Vrijheidsontneming

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling
  2. Vrijheidsontneming
  3. Habeas corpus
  4. Redelijke termijn
  5. Vrijheidsontneming en grondrechten
  6. Relevant verdragsrecht
  7. Jurisprudentie
  8. Literatuur
  9. Historische versies
   
Editie juli 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

Artikel 15 Grondwet beschermt burgers tegen willekeurige vrijheidsontneming. Alhoewel het er niet woordelijk in terug te vinden is, ligt het beginsel van persoonlijke vrijheid aan dit artikel ten grondslag. Op basis van artikel 15, eerste lid, Grondwet mogen burgers buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald immers niet van hun vrijheid beroofd worden. Hierin is duidelijk het karakter van de klassieke grondrechten te herkennen: deze bepaling houdt de overheid weg van het domein der individuele ontplooiing. Vóór 1887 waren verschillende aspecten van het recht op persoonlijke vrijheid in afzonderlijke grondwetsartikelen vastgelegd. In artikel 157 uit 1887 (vanaf 1953 artikel 171 genummerd), het artikel dat tot 1983 van kracht bleef, was een garantie vervat tegen willekeurige inhechtenisneming buiten de gevallen door de formele wetgever aangegeven waarbij aan een aantal vorm- en inhoudsvereisten moest worden voldaan.[2] In dit artikel was voor inhechtenisneming een rechterlijk bevel vereist, een vereiste dat in het huidige artikel 15 niet is gehandhaafd, al bevat het tweede lid het habeas corpus principe, dat in 1983 aan dit artikel werd toegevoegd. Het habeas corpus principe houdt in dat iemand wiens vrijheid ontnomen is het recht heeft de vraag naar rechtmatigheid van zijn vrijheidsontneming voor te leggen aan een rechter (zie hierover paragraaf 4). In tegenstelling tot artikel 157 uit 1887 ziet artikel 15 in zijn huidige vorm niet slechts op inhechtenisneming, maar op elke willekeurige vrijheidsontneming door de overheid. Daarnaast biedt dit artikel degene die van zijn vrijheid beroofd is enkele garanties, onder andere een berechting binnen redelijke termijn (zie hierover paragraaf 5).

2. Vrijheidsontneming

De waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming is neergelegd in artikel 15, eerste lid, Grondwet. Dit lid vereist voor vrijheidsbeneming een grondslag in de wet. Ingevolge de terminologie (‘bij of krachtens de wet’) in het eerste lid is vrijheidsontneming niet alleen toegestaan in de gevallen bij de wet bepaald, maar mag de wetgever ook regelgevende bevoegdheid overdragen.[3] Aangezien essentiële onderdelen van de vrijwaring tegen willekeurige vrijheidsbeneming aan de (gedelegeerde) regelgever kunnen worden overgedragen kan gesteld worden dat de bepalingen uit verdragen, met name artikel 5 EVRM, een sterkere bescherming bieden.[4] Op basis van artikel 5 EVRM dient de vrijheidsbeneming te geschieden overeenkomstig een door het recht voorgeschreven procedure. Artikel 5, eerste lid, EVRM bevat bovendien een limitatieve opsomming van de gronden voor vrijheidsbeneming. Slechts in deze gevallen mag de nationale rechter vrijheidsontneming voorschrijven. Het nationale recht kan aan deze doelcriteria worden getoetst.  

Zoals reeds opgemerkt handelt het huidige artikel 15 niet slechts over inhechtenisneming, maar over vrijheidsontneming door de overheid in een bredere zin. Vrijheidsontneming dient onderscheiden te worden van vrijheidsbeperking (op deze laatste is artikel 15 niet van toepassing). De populariteit van instrumenten tot vrijheidsbeperking alsmede gedragsbeïnvloeding is de laatste jaren sterk toegenomen. Dergelijke instrumenten, waaronder bijvoorbeeld het gebiedsverbod, vinden wij niet slechts in het strafrecht, maar ook in het bestuursrecht.[5] Het bestuurlijk instrumentarium om beperkingen van de bewegingsvrijheid en beïnvloeding van het gedrag te bewerkstelligen is de afgelopen jaren in rap tempo uitgebreid. Hierbij zijn vooral de toegenomen bevoegdheden van de burgemeester opvallend. Zo kan deze woningen sluiten indien door gedragingen in de woning de openbare orde wordt verstoord (artikel 174a Gemeentewet) of wanneer er bepaalde opiumdelicten worden gepleegd (artikel 13b Opiumwet). Tevens komt hem de bevoegdheid toe een meerderjarige een tijdelijk huisverbod op te leggen in geval van onmiddellijk dreigend  gevaar voor één of meer andere personen die zich in die woning bevinden (artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod). De burgemeester begeeft zich met een dergelijke bevoegdheid meer dan ooit buiten het voor hem klassiek gereserveerde terrein van de openbare orde.[6]

Het onderscheid tussen vrijheidsbeneming en -beperking is niet slechts van belang voor het bepalen van de reikwijdte van artikel 15, maar met name voor het toepassingsbereik van artikel 5 EVRM, dat bescherming biedt ingeval van vrijheidsontneming, en artikel 2 van het Vierde Protocol EVRM, dat bescherming biedt ingeval van vrijheidsbeperkende maatregelen. Waar het daadwerkelijk gaat om opsluiting zal de vrijheidsontneming daarmee gegeven zijn. Waar het niet gaat om opsluiting, maar om een (vergaande) beperking in de vrijheid van het individu naar tijd en/of plaats zal niet altijd eenvoudig te bepalen zijn of in een bepaald geval sprake is van vrijheidsbeneming of –beperking. Bij het invoeren van de bestuurlijke ophouding (artikel 154a en 176a Gemeentewet) schonk de minister van Binnenlandse Zaken nadrukkelijk aandacht aan de vraag of hier van vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking gesproken diende te worden. Hij gaf hierbij aan belang te hechten aan het onderscheid tussen bewegingsvrijheid en persoonlijke vrijheid. ‘Onder bewegingsvrijheid wordt hierbij kort gezegd verstaan het recht om zich zonder inmenging van de overheid te verplaatsen. Beperking van dit recht kan worden aangeduid als vrijheidsbeperking. Onder persoonlijke vrijheid wordt verstaan de vrijheid om niet door de overheid aan arrestatie of detentie onderworpen te worden. Beperking van dit recht kan worden aangeduid als vrijheidsontneming of detentie’, aldus de minister. Hij concludeert dat het voorafgaand of na afloop van een voetbalwedstrijd ophouden van voetbalsupporters, waarbij zij onder geen beding het stadion kunnen verlaten, te kwalificeren is als vrijheidsontneming.[7] In de jurisprudentie van het EHRM wordt bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van vrijheidsontneming gekeken naar de individuele situatie van de betrokken persoon. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals de aard, de duur, effecten en de wijze van uitvoering van de maatregel in kwestie. De mate van toezicht en de mogelijkheid van het onderhouden van normale sociale contacten zijn hierbij ook van belang.[8]

3. Habeas corpus

Zoals al opgemerkt in paragraaf 2, is in artikel 15, tweede lid, Grondwet het zogenaamde habeas corpus principe vervat. Op basis van dit principe, afkomstig uit het Engelse recht, heeft een ieder die zonder rechterlijke tussenkomst de vrijheid is ontnomen recht op een spoedig rechterlijk oordeel daarover. Door het habeas corpus principe op te nemen in artikel 15 werd de strekking van het artikel verruimd, waarmee tevens meer aansluiting bij artikel 5 EVRM werd beoogd te verkrijgen.[9] Naast artikel 15, tweede lid, Grondwet bevat ook artikel 5, vierde lid, EVRM het recht van een ieder die zijn vrijheid is ontnomen om onverwijld voor een rechter of een als rechter aangewezen magistraat te worden geleid en een rechterlijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de detentie te vragen.

Zoals in paragraaf 2 al aangestipt, bepaalde artikel 157 van de Grondwet van 1887 dat voor het in hechtenis nemen van een persoon een rechterlijk bevel vereist is. Dit is in het huidige artikel 15 niet gehandhaafd. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat met deze wijziging niet werd beoogd de waarborg, welke in de bemoeienis van de rechter met de vrijheidsontneming is gelegen, te doen vervallen.[10] Bij vrijheidsbeneming op rechterlijk bevel is deze waarborg zonder meer aanwezig. Voor de vrijheidsbeneming zonder rechterlijk bevel garandeert artikel 15, tweede lid, Grondwet aan degene die zijn vrijheid is ontnomen de mogelijkheid tot het inroepen van rechterlijke bemoeienis door een beroep open te stellen in al die gevallen waarin niet de rechter zelf de vrijheidsontneming heeft bevolen. Als voorbeelden hiervan zijn te noemen de politionele vrijheidsontneming, een gedwongen opname op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) en de bestuurlijke ophouding (inhoudende de bevoegdheid van de burgemeester om groepen personen die de orde verstoren, of dreigen te verstoren, tijdelijk op een door hem aangegeven plaats te doen ophouden of hen naar die plaats over te doen brengen). In 1979 werd Nederland in de zaak Winterwerp veroordeeld door het EHRM wegens schending van artikel 5, vierde lid, EVRM vanwege het ontbreken van een mogelijkheid voor psychiatrisch patiënten in de Krankzinnigenwet (de voorloper van de Wet Bopz) hun vrijheidsontneming voor te leggen aan een onafhankelijke rechter.[11] Dit werd in de Wet Bopz gecorrigeerd. Een nadere waarborg is (ingevolge de tweede volzin van artikel 15, tweede lid, Grondwet) erin gelegen dat de rechter de verzoeker binnen een bij de wet gestelde termijn moet horen. Indien de rechter de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt dient hij de onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten. Ook als de vrijheidsontneming rechtmatig heeft plaatsgevonden, kan de rechter verzocht worden zich over de voortzetting ervan uit te spreken. Ingeval de voortzetting ervan onrechtmatig mocht worden, dient de rechter de invrijheidstelling te gelasten.[12]

4. Redelijke termijn

Artikel 15, derde lid, Grondwet beoogt een waarborg te scheppen tegen onevenredig lange vrijheidsbeneming voorafgaand aan of tijdens de berechting in een strafvorderlijk kader. Wat een redelijke termijn is voor de berechting, als bedoeld in het derde lid, is in abstracto moeilijk aan te geven. Daarbij zal onder meer de tijd die nodig is om het gerechtelijk onderzoek te voltooien een rol spelen. Aangezien dit zeer uiteen kan lopen, is tijdens de parlementaire behandeling er niet voor gekozen om in het grondwetsartikel een vaste termijn te stellen, maar te volstaan met het voorschrijven van een berechting binnen een ‘redelijke termijn’.[13] Hierbij is artikel 5 EVRM van groter belang voor de Nederlandse rechtsorde dan artikel 15, derde lid, Grondwet aangezien eerstgenoemde bepaling meer bescherming biedt.

Artikel 5, derde lid, EVRM bevat het recht van personen wier vrijheid ontnomen is binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze bepaling is ingegeven door de gedachte dat de voorlopige hechtenis niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk. Dit is een aanscherping van de in artikel 6 EVRM neergelegde algemene waarborg van berechting binnen een redelijke termijn. De periode die in beschouwing genomen dient te worden bij de bepaling of er sprake is van een redelijke termijn in de zin van artikel 5, derde lid, EVRM bestrijkt de termijn vanaf het moment van aanhouding van de verdachte tot aan het oordeel in eerste aanleg.[14] (De voortgang van de procedure in beroep en cassatie wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.) De abstracte eis uit artikel 5, derde lid, EVRM is door de Nederlandse wetgever concreet uitgewerkt in een aantal voorschriften die de vrijheidsbenemende dwangmiddelen in de voorfase in tijd limiteert. Zo mag de voorlopige hechtenis maximaal 104 dagen duren tot aan de terechtzitting.[15] In 2008 bepaalde de Hoge Raad dat een termijnoverschrijding niet (meer) kon leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen.[16] Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, waarbij geldt dat de vermindering van de straf afhankelijk is van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.[17]

5. Vrijheidsontneming en grondrechten

Wanneer personen van hun vrijheid beroofd worden heeft dat onmiskenbaar gevolgen voor het uitoefenen van bepaalde grondrechten. Post kan immers gecontroleerd worden en wie opgesloten is zal ook niet vrijelijk kunnen deelnemen aan vergaderingen of betogingen (zie het commentaar bij artikel 9).  Aangezien grondrechten ook gelden voor personen die van hun vrijheid beroofd zijn rijst de vraag hoe dergelijke beperkingen zich tot de verschillende grondrechtenartikelen verhouden.

Artikel 15, vierde lid, Grondwet biedt een algemene regeling inzake de uitoefening van grondrechten door hen aan wie de vrijheid is ontnomen. Zij kunnen worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt. Er is niet per grondrecht in een specifieke clausulering bij afzonderlijke grondrechten voorzien, aangezien dit volgens de wetgever ‘weinig fraai [zou] zijn aangezien dan vele grondrechtenartikelen van een dergelijke bijzondere beperkingsclausule zouden moeten worden voorzien.’[18] Op basis van artikel 15, vierde lid, Grondwet zijn verdergaande beperkingen op grondrechten van gedetineerden mogelijk dan voor vrije burgers, voor zover de uitoefening zich niet met de vrijheidsbeneming verdraagt. Het is daarvoor niet vereist dat de beperkingen een basis hebben in een wet in formele zin, zoals dat normaliter wel noodzakelijk is. Het criterium voor beperking is de aard en het doel van de vrijheidsbeneming. Daarbij is het van belang op welke titel de vrijheidsbeneming plaatsvindt. Zo kunnen bij een vrijheidsbeneming op basis van de Vreemdelingenwet andere beperkingen gelegitimeerd zijn dan bij een vrijheidsbeneming op basis van de Wet Bopz. De norm ‘zich verdragen met de vrijheidsontneming’ geeft een interpretatiemarge en biedt daarmee de nodige beleidsruimte aan onder meer de directies van gevangenissen en inrichtingen. De formulering van het vierde lid brengt echter ook een gebondenheid met zich; een te vergaande subjectiviteit bij het beperken van grondrechten is uitgesloten.[19] De beperkingen mogen immers niet verder gaan dan voor het doel van de vrijheidsontneming is vereist.

Waar de toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens lange tijd de theorie van de inherente beperkingen (inherent limitations)aanvaardde, is deze door het EHRM verworpen en is daarvoor in de plaats de theorie van de justified limitations gekomen.[20] Op basis van de leer van de inherente beperkingen was beperking van grondrechten een wezenskenmerk van rechtmatige vrijheidsbeneming, die daarmee geen bijzondere rechtvaardiging behoeft. Als gevolg hiervan waren ten aanzien van gedetineerden ruimere beperkingen toegelaten dan ten aanzien van vrije burgers.[21] Deze leer werd echter verlaten door het EHRM in de zaak Golder in 1975.[22] In deze zaak maakte het EHRM duidelijk dat de overheid elke beperking op grondrechten, dus ook ten aanzien van gedetineerden, daadwerkelijk en concreet dient te legitimeren. In de zaak Hirst uit 2005 betreffende het categorisch onthouden van  stemrecht aan Engelse gedetineerden, stelde de Grote Kamer van het EHRM uitdrukkelijk dat

           “[p]risoners in general continue to enjoy all
           the fundamental rights and freedoms
           guaranteed under the Convention save for
           the right of liberty, where lawfully imposed
           detention expressly falls within the scope
           of Article 5 of the Convention. For example,
           prisoners may not be ill-treated, subjected
           to inhuman or degrading punishment or
           conditions contrary to Article 3 of the
           Convention […], they continue to enjoy the
           right to respect for family life […] the right to
           freedom of expression […], the right to
           practise their religion [..].”[23]

Specifiek met betrekking tot gedetineerden merkt het EHRM hierbij op dat ‘[a]ny restrictions on these other rights must be justified, although such justification may well be found in the considerations of security, in particular the prevention of crime and disorder, which inevitably flow from the circumstances of imprisonment.’[24] Hiermee schaart het EHRM zich achter de opvatting dat gevangenisstraf slechts fysieke vrijheidsbeneming inhoudt en dat voor andere beperkingen een afdoende verantwoording dient te bestaan. Het EHRM vereist daarmee van nationale penitentiaire regelgeving dat beperkingen op (de uitoefening van) grondrechten gedetailleerd en als beperking voorzienbaar worden geregeld. Vanwege het ruime ‘law’-begrip hoeft dit echter niet per se op het niveau van de wet in formele zin.[25]

In artikel 15, vierde lid, Grondwet is het beginsel van minimale beperkingen te herkennen. Dit beginsel omvat het idee dat gedetineerden niet aan andere beperkingen mogen worden onderworpen dan die welke volstrekt noodzakelijk zijn aan de vrijheidsbeneming. Dit beginsel is met zoveel woorden terug te vinden in elk van de beginselenwetten (onder andere artikel 2, vierde lid, Penitentiaire beginselenwet). In het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan dient de overheid zich in beleid en uitvoering ervan te vergewissen dat beperkingen in grondrechten werkelijk onvermijdelijk zijn.[26] Gezien het feit dat de detentiesituatie beperkingen van grondrechten met zich kan brengen dient de overheid zich actief in te zetten om de uitoefening van grondrechten door gedetineerden te faciliteren, onder andere op het gebied van contacten, zorg en activiteiten.

De acceptatie van grondrechten voor gedetineerden is geen rustig bezit. Dit blijkt uit de reeds genoemde zaak Hirst uit 2005, waarin het EHRM oordeelde dat het categorisch onthouden van  stemrecht aan Engelse gedetineerden ontoelaatbaar is. Deze uitspraak stuitte in het Verenigd Koninkrijk op veel weerstand en de regeling inzake het onthouden van stemrecht aan gedetineerden is – ondanks de scherpe kritiek van het EHRM – nog steeds niet aangepast en voorwerp van een hoogopgelopen politieke discussie.[27]

6. Relevant verdragsrecht

Zoals in het bovenstaande al meerdere malen werd aangestipt biedt artikel 5 EVRM waarborgen tegen willekeurige vrijheidsontneming die veelal verder gaan dan de bescherming geboden door artikel 15. Hierdoor is artikel 5 EVRM, en de jurisprudentie van het EHRM over dit artikel, van groot belang voor de Nederlandse rechtspraktijk. Het recht op bescherming tegen willekeurige vrijheidsontneming is tevens vastgelegd in artikel 9 IVBPR.

Op Europees niveau bevat artikel 3 EVRM voorts het recht om gevrijwaard te blijven van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verbod is nader uitgewerkt in het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verdrag voorzag tevens in de oprichting van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (hierna: CPT). Het CPT heeft zich in de laatste jaren ontwikkeld als een belangrijke actor in de bescherming van personen die van hun vrijheid beroofd zijn tegen foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het CPT organiseert bezoeken aan plaatsen waar mensen zijn gehuisvest die op enigerlei wijze van hun vrijheid zijn beroofd door de overheid, om te beoordelen hoe deze mensen worden behandeld. Het CPT is een niet-juridisch preventief instrument ter bescherming tegen foltering en andere vormen van mishandeling van mensen die van hun vrijheid zijn beroofd door de overheid en vormt daarmee een aanvulling op het werk van het EHRM.[28]

7. Jurisprudentie

- HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.
- EHRM 27 juni 1968, Wemhoff t. Duitsland, serie A, nr. 7.
- EHRM 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk,  NJ 1975, 462, m.nt. Alkema.
- EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, NJ 1980, 114, m.nt. Alkema.
- EHRM 6 oktober 2005, Hirst t. Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bull. 2006, p. 234-243 m.n. H. Sackers.

8. Literatuur

- F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’, in: F.W. Bleichrodt & S. De Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen. Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2011, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 1-105.
- G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht. Deventer: Kluwer 2011.
- G. Smaers, ‘De ontwikkeling van een Europees bewustzijn rond rechten van gedetineerden’, in: E. Brems, S. Sottiaux, P. VandenHeede & W. Vandenhole (eds.), Vrijheden en vrijheidsbeneming. Mensenrechten van gedetineerden, Antwerpen: Intersentia 2005.
- C. Kelk, Nederlands detentierecht, Deventer: Kluwer 2008.
- J. de Lange & P.A.M. Mevis, ‘De gedetineerde als rechtssubject; algemene aspecten van de rechtspositie van gedetineerden’, in: E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009, p. 373-420.
- E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009.

9. Historische versies

Eerste en tweede lid:
Art. 101, onder a, Gw 1814: Wanneer een Ingezeten in buitengewone omstandigheden door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond aan den plaatselijken regter kennis te geven, en voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen aan deszelfs competenten regter overteleveren.
De criminele regtbanken zijn bevoegd en verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.
Art. 168 Gw 1815: Behalve het geval, dat iemand op heeter daad wordt betrapt, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, en welk bevel bij, of onmiddellijk na de aanhouding moet beteekend worden aan dengeen tegen wien hetzelve is gerigt.
De wet bepaald den form van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord (art. 166 Gw 1840).
Art. 169 Gw 1815: Wanneer een ingezeten in buitengewone omstandigheden, door het politieke gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen over te leveren.
De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen (art. 167 Gw 1840).
Art. 151 Gw 1848: Buiten gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd, binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.
Art. 152 Gw 1848: Wanneer een ingezeten, in buitengewone omstandigheden, door het politiek gezag is gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerde binnen den tijd van drie dagen over te leveren.
De criminele regtbanken zijn verplicht, elke in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.
Art. 157 Gw 1887: Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord (art. 158 Gw 1922; art. 164 Gw 1938; art. 171 Gw 1953).
Derde en vierde lid:
Geen eerdere versies.
 

Noten

  1. Bij het schrijven van dit commentaar is met name voor paragrafen 2 en 3 gebruik gemaakt van delen van de teksten van het commentaar op artikel 15 uit de tweede en derde druk van het artikelsgewijs commentaar op De Grondwet; het commentaar uit de tweede druk was van de hand van P.W.C. Akkermans, het commentaar uit de derde druk was van de hand van P.A.M. Mevis en T. Blom.
  2. P.W.C. Akkermans in de tweede druk van het artikelsgewijs commentaar bij artikel 15 in De Grondwet.
  3. Tijdens de parlementaire behandeling stelden de PvdA en VVD zich kritisch op ten opzichte van deze delegatiebepaling. De regering gaf in reactie daarop aan begrip te hebben voor de wens delegatie zo mogelijk te vermijden, maar stelde dat ‘in de huidige legislatieve en bestuurlijke situatie niet uitvoerbaar’ te vinden (er bestonden reeds velerlei bepalingen waarbij sprake was van delegatie van regelgevende bevoegdheid op het terrein van het latere artikel 15). Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 40. De regering week hiermee af van het voorstel van de staatscommissie waarin vrijheidsontneming alleen was toegestaan in de gevallen bij de wet bepaald. Volgens Akkermans c.s. betekent deze delegatiebepaling een verslechtering in verhouding tot de waarborg die tot 1983 in de Grondwet was opgenomen. P.W.C. Akkermans, C.J. Bax & L.F.M. Verhey, Grondrechten en grondrechtsbescherming in Nederland, Kluwer 2005, p. 116.
  4. P.A.M. Mevis en T. Blom in de derde druk van het artikelsgewijs commentaar bij artikel 15 in De Grondwet.
  5. F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’, in: F.W. Bleichrodt & S. De Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen. Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2011, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 4.
  6. Ibid., p. 8. Kritisch hierover: M.A.D.W. de Jong, ‘De burgemeester als misdaadbestrijder: reddingsboei of dwaallicht?’, in: Bestuursrechtelijke aanpak van criminaliteit en terrorisme, VAR-reeks 138, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2007, p. 59-120,
  7. Kamerstukken II 1998/99, 26 735, nr. 3, p. 21.
  8. P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn & L. Zwaak (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen: Intersentia 2006, p. 458, met verwijzing naar relevante EHRM-jurisprudentie op dit punt.
  9. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 48.
  10. Ibid.
  11. EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, NJ 1980, 114, m.nt. Alkema.
  12. Kamerstukken I 1976/77, 13 872 en 13 873, nr. 55b, p. 46.
  13. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 40
  14. EHRM 27 juni 1968, Wemhoff t. Duitsland, serie A, nr. 7, § 17.
  15. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 533.
  16. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.
  17. Ibid., onder 3.21 en 3.22.
  18. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 50.
  19. Ibid.
  20. Zie hierover: P. Jacobs, Force-feeding of Prisoners and Detainees on Hunger Strike. Right to Self-Determination versus Right to Intervention (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2012, p. 98-103.
  21. G. Smaers, ‘De ontwikkeling van een Europees bewustzijn rond rechten van gedetineerden’, in: E. Brems, S. Sottiaux, P. VandenHeede & W. Vandenhole (eds.), Vrijheden en vrijheidsbeneming. Mensenrechten van gedetineerden, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 4.
  22. EHRM 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk, NJ 1975, 462, m.nt. Alkema.
  23. EHRM 6 oktober 2005, Hirst t. Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bull. 2006, p. 234-243 m.n. H. Sackers, § 69.
  24. Ibid.
  25. J. de Lange & P.A.M. Mevis, ‘De gedetineerde als rechtssubject; algemene aspecten van de rechtspositie van gedetineerden’, in: E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009, p. 382 ev.
  26. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Goed bejegenen, beginselen voor het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan, verkorte uitgave 2012.
  27. Zie voor een overzicht van artikelen over dit onderwerp; ‘Votes for prisoners’ van the Guardian op http://www.guardian.co.uk/politics/votes-for-prisoners.
  28. Zie over de betekenis van het CPT voor de inrichting van de vrijheidsbeneming in Nederland: J. de Lange, Detentie genormeerd. Een onderzoek naar de betekenis van het CPT voor de inrichting van vrijheidsbeneming in Nederland, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008 en over de verhouding tussen EHRM en CPT bij de effectuering van artikel 3 EVRM: M. Hagens, Toezicht op menswaardige behandeling van gedetineerden in Europa. Een onderzoek naar de verhouding tussen het EHRM en het CPT bij de effectuering van het folterverbod, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    P. Jacobs, Commentaar op artikel 15 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Vrijheidsontneming

In een rechtsstaat mogen mensen niet zomaar worden opgepakt en om onduidelijke redenen te worden vastgehouden. Onze Grondwet biedt daarom bescherming tegen willekeurige vrijheidsbeneming.
 
Wanneer iemand gevangen wordt genomen, dient dat altijd een basis te hebben in een wet die preciseert in welke gevallen en onder welke voorwaarden vrijheidsbeneming is toegestaan. Iemand die gevangen is genomen heeft recht op een beoordeling van zijn zaak door een rechter, indien de rechter bij de vrijheidsbeneming nog niet betrokken is geweest. Verder verplicht de Grondwet de overheid tot berechting van iemand die gevangen is genomen binnen een redelijke termijn. Wat een redelijke termijn is, valt moeilijk in algemene zin te zeggen; dat kan bijvoorbeeld afhangen van de complexiteit van de zaak. De realiteit is wel dat het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak soms lang kan duren.
 
Daarnaast kan het nodig zijn bepaalde grondrechten van gevangenen te beperken, omdat hun gevangenschap de uitoefening ervan niet toelaat. De Grondwet geeft de mogelijkheid de rechten van gevangen te beperken, maar staat dat alleen toe voor zover dat noodzakelijk is. Gevangenneming gaat noodzakelijkerwijs vaak gepaard met beperking van de privacy, maar gevangenen hebben recht op een menswaardige behandeling en bijvoorbeeld – behoudens uitzonderingen – wel kiesrecht en het recht te vergaderen binnen het huis van bewaring of daar tijdens hun gevangenschap onderwijs te volgen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Vrijheidsontneming

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Vrijheidsontneming

Bezicheri

EHRM 25 oktober 1989, NJ 1990, 697

Het EHRM bepaalt dat een recht bestaat op een rechterlijke beslissing op korte termijn aangaande de rechtmatigheid van een detentie.
 

Vereniging Gedetineerden

HR 25 juni 1982, NJ 1983, 298

gevangenisdirecteuren hebben naar oordeel van de Hoge Raad een algemene bevoegdheid maatregelen te nemen die grondrechten beperken, voor zover 'deze uitoefening van grondrechten zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt'. 

 

Recente rechtspraak

Vrijheidsontneming

Politiek

Vrijheidsontneming

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Vrijheidsontneming

  • Defining deprivation of liberty
  • MCA: 'Deprivation of liberty' in light of the Supreme Court judgment
Defining deprivation of liberty
Een Britse kijk op het begrip vrijheidsontneming zoals verankerd in de Magna Carta en Artikel 5 van het EVRM.
Blogs

Vrijheidsontneming

In de wereld

Vrijheidsontneming