CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J. Uzman en G. Boogaard

ARTIKEL 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

INHOUD
 
1.    Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2.    Het begrip ‘rechterlijke macht’
3.    Het begrip ‘berechting’
4.    ‘Burgerlijke rechten en schuldvorderingen’
5.    Niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeiende
       rechten
6.    Artikel 6 EVRM en ‘civil rights and obligations’
7.    Politieke kwesties
8.    Jurisprudentie
9.    Literatuur
10. Historische versies
 
Editie april 2016
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

In 1818 geeft de burgemeester van Den Bosch de politie opdracht om een molen te sluiten. De eigenaren van de molen dagvaarden de burgemeester vervolgens voor de civiele rechter om die sluiting ongedaan te krijgen. Maar kan dat wel? De burgemeester vindt van niet. Eisers mogen in zijn ogen niet worden ontvangen in hun vordering omdat de kwestie er één voor het bestuur en niet voor de rechter is. De ‘handelwijze van requiranten was strijdig met de goede orde en eerbied, welke burgers aan hun regeering […] verschuldigd zijn’.[1] Rechtbank en, in hoger beroep, gerechtshof zien dat anders: het gaat om de uitoefening van ‘regten van eigendom’ en een dergelijke ‘questie’ behoort ‘bij uitsluiting tot […] de beslissing der rechterlijke macht’.[2]
 
Zie hier het strijdpunt waaraan artikel 112, net als zijn voorgangers, een eind probeert te maken. Het gaat in de eerste plaats om een bevoegdheidsartikel. Het stelt buiten twijfel dat het tot de competentie van de rechterlijke macht behoort om civielrechtelijke geschillen te beslechten. De historische context van de bepaling kenmerkt zich echter vooral door discussie tussen de drie staatsmachten over de bevoegdheid van de rechterlijke macht om bestuurlijk optreden te beoordelen. Hoewel de ‘gewone rechter’ onrechtmatige overheidsdaden reeds ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden berechtte, is de bevoegdheid daartoe nooit onomstreden geweest.[3] Bij toetsing van bestuursdaden gaat het om  ‘politique’ zaken die de Hoven van Justitie ‘gansch niet bevoegd zijn zich aan te trekken’, aldus de Staten van Holland in 1674.[4] Tegen het begin van de achttiende eeuw kreeg het bestuur, onder Franse invloed, zélf het primaat bij de beslechting van geschillen tussen burger en overheid. Artikel  165 van de Grondwet 1815, een voorloper van artikel 112,  breekt radicaal met dit ‘Fransche systeem’ dat ‘met onzen volksgeest […] in flagranten strijd’ was.[5] ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke rechten’ werden bij uitsluiting ter beslechting aan de rechterlijke macht opgedragen. De vraag hoe ver deze trendbreuk ten aanzien van het overheidsaansprakelijkheidsrecht nu precies ging bleef echter de inzet van stevig debat, waarover hierna meer.[6] Kortweg gaat sindsdien het debat over twee kwesties: is het de wetgever grondwettelijk toegestaan om de berechting van (delen van) het onrechtmatige overheidsdaadsrecht op te dragen aan bijzondere colleges? En in hoeverre kan de rechter zich, met een beroep op artikel 112 Grondwet, onttrekken aan het beoordelen van zogenaamde political questions: geschillen die geacht moeten worden tot het exclusieve domein van de politieke staatsinstellingen te behoren? Op beide vragen wordt hierna nog ingegaan.
 

2. Het begrip ‘rechterlijke macht’

Op het begrip ‘rechterlijke macht’ wordt hierna in het commentaar onder artikel 116 uitgebreider ingegaan. Vaststaat dat de Grondwet van 1983 de functionele benadering van haar voorgangers heeft ingeruild voor een zuiver institutionele. Het gaat dus niet meer om rechtspraak als functie van het overheidsapparaat (naast de wetgevende en de uitvoerende macht) in de Trias Politica, maar om het orgaancomplex dat traditioneel als rechterlijke macht wordt aangeduid. Dit orgaancomplex wordt niet door de Grondwet zelf gedefinieerd maar wordt, op de voet van artikel 116 Grondwet, ingevuld door de wetgever.[7] Met andere woorden: ‘rechterlijke macht’ is sinds 1983 een predikaat dat door de formele wetgever aan rechtsprekende instanties kan worden uitgereikt.[8]
 
Dit alles betekent concreet dat het aan de formele wetgever wordt overgelaten om te bepalen wie de bevoegdheid van artikel 112 Grondwet uitoefent. Dat kan de ‘reguliere’ rechterlijke macht zijn zoals wij die vandaag de dag kennen, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs. De wetgever zou de berechting van geschillen over burgerlijke rechten in theorie ook kunnen opdragen aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven of een ander bestuursrechtelijk college, mits dit college bij wet wordt aangemerkt als behorend tot de rechterlijke macht. De regering benadrukte tijdens de parlementaire behandeling overigens dat dit niet voor de hand lag. Men zou ‘niet zomaar en zonder reden […] schuiven’ en het monopolie van de burgerlijke rechter intact laten.[9] De wetgever heeft deze verwachting van de regering waar gemaakt. Wel kan men zich afvragen of de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht met deze regeling afdoende gewaarborgd is.[10]

Ten aanzien van de berechting van geschillen met het bestuur is het de wetgever uitdrukkelijk toegestaan om een stelsel van bestuursrechtspraak, geheel buiten de reguliere rechterlijke macht om, op te tuigen.[11] De wetgever heeft hier gretig gebruik van gemaakt. Dat past niet helemaal bij de tijdsgeest van 1983, toen de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie nog een volledige integratie van gewone en administratieve rechtspraak adviseerde.[12] Het kabinet-Lubbers III stelde daarop een gefaseerde integrale herziening voor.[13] Dat leidde ertoe dat de bestuursrechtspraak in eerste aanleg grotendeels bij de rechtbanken van de gewone rechterlijke macht is ondergebracht. Het stelsel van hoger beroep is echter bij drie colleges buiten de rechterlijke macht geconcentreerd, namelijk de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Lange tijd is aangenomen dat deze regeling tijdelijk was en dat, ook ten aanzien van het hoger beroep, zou worden aangestuurd op integratie in de reguliere rechterlijke macht. Vanwege de gevoelige positie van de Raad van State in dit verband, besloot het kabinet-Lubbers III de kwestie van hoger beroep naar de derde fase van de herziening te schuiven teneinde realisering van de overige plannen niet in gevaar te brengen.[14] Voltooiing van deze fase is echter op de lange baan geschoven.[15] Inmiddels lijkt de gedachtevorming een andere kant op te gaan. Volgens de meest recente plannen, komt stroomlijning van het hoger beroep in het bestuursrecht neer op opheffing van het CBb en de Centrale Raad van Beroep, en de overheveling van taken naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, respectievelijk de gerechtshoven van de reguliere rechterlijke macht.[16] De (overigens vrijblijvende) verwachting van de grondwetgever, dat ook de rechtsbescherming tegen de overheid uiteindelijk zou worden opgedragen aan de rechterlijke macht is dan ook maar beperkt uitgekomen.
 

3. Het begrip ‘berechting’

De voorgangers van artikel 112 Grondwet spraken van ‘kennisneming’ of ‘beslissing’ van geschillen. De Grondwet van 1983 breekt met die terminologie en gaat over op ‘berechting’. De regering geeft daarover in de memorie van toelichting een enigszins Cruyffiaanse uitleg. Berechting zou, beter dan ‘kennisneming’ of ‘beslissing’ uitdrukken ‘dat het bij de betrokken werkzaamheid van de rechterlijke macht gaat om […] kennisneming en beslissing’.[17] Kennelijk was er toe dusver echter geen aanleiding voor verwarring.[18] Waarschijnlijk moet hier het woordje ‘en’ nadrukkelijk gelezen worden. Het gaat dus niet om kennisneming of beslissing, maar om kennisneming én beslissing van geschillen. Dit samenstel wordt dan het best uitgedrukt door de term ‘berechting’. Dan blijft het echter de vraag wat precies onder het onderdeel ‘beslissing’ moet worden verstaan. Duidelijk lijkt in de eerste plaats dat de rechter het geschil ook daadwerkelijk moet beslechten. Hij mag het niet bij kennisneming van het geschil laten, hij moet een oordeel vellen. Dat past bij het verbod van rechtsweigering van artikel 13 Wet Algemeene Bepalingen en artikel 26 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.[19]
 
Men kan echter verdergaan en zich afvragen of ‘beslissing’ en ‘berechting’ ook inhouden dat de rechter rechtsgevolgen aan zijn oordeel dient te verbinden. Artikel 112 Grondwet zou, in die optiek, een verbod aan de rechter bevatten: hij mag een kwestie niet slechts beoordelen zonder daaraan gevolgen te verbinden en moet zich voor het overige onthouden van commentaar. Men denke daarbij in de eerste plaats aan de, in het verleden door de rechter wel gevolgde praktijk van de rechter om te oordelen dat een wettelijk voorschrift in strijd is met het EVRM of het IVBPR zonder dat hij zich in staat achtte om daaraan gevolgen te verbinden aangezien dat zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan.[20] Deze opvatting is daarnaast relevant voor de toelaatbaarheid van het zogenaamde obiter dictum, waarbij de rechter een mening geeft die voor de geschilbeslechting niet noodzakelijk of relevant is.[21] Dit perspectief sluit aan bij het, hierna ook bij het commentaar onder artikel 120 Grondwet terugkerende, onderscheid tussen prüfen en entscheiden van Hans Kelsen ten aanzien van de toetsing van wettelijke voorschriften.[22] Wordt onder prüfen verstaan, het zuivere beoordelen van de rechtmatigheid van een voorschrift, onder entscheiden verstaat men het rechtens bindend vaststellen van de rechtmatigheid daarvan, met alle (rechts)gevolgen van dien. In sommige jurisdicties, waaronder de Amerikaanse, wordt in dat verband aangenomen dat de rechter pas bevoegd is om kennis te nemen van een vordering als deze ook voor berechting, en dus voor rechterlijk rechtsherstel, geschikt is.[23]
 
De gedachte dat artikel 112 Grondwet, ook in de Nederlandse context, een verbod op zuiver prüfen zou bevatten moet echter worden afgewezen. Aanknopingspunten in de Grondwet, de parlementaire behandeling of de rechtspraktijk zijn daarvoor niet te vinden. Daarbij komt dat de rechterlijke macht in Nederland, ook als aan een (toetsings)oordeel geen rechtsgevolgen worden verbonden, in de regel niet slechts prüft. Uiteindelijk leidt de juridische beoordeling van het geschil immers tot een dictum dat tussen partijen bindend de rechtsverhouding vastlegt. Daarmee is sprake van ‘berechting’ in de zin van artikel 112 Grondwet. Of de rechter zich, bij wijze van obiter dictum, ook een uitstapje mag veroorloven wordt eenvoudigweg niet door artikel 112 Grondwet geregeld.
 
Tot slot zij aangetekend dat het gebruik van de term ‘berechting’ in artikel 112 Grondwet niet suggereert dat aan de rechterlijke macht, of een deel daarvan zoals de Hoge Raad, door de wetgever geen andere taken kunnen worden opgedragen. Zie in dat verband bijvoorbeeld artikel 118, derde lid, Grondwet. Wel beperkt het artikel de berechting van een speciale categorie geschillen, namelijk die over burgerlijke rechten en schuldvorderingen, tot het exclusieve domein van de rechterlijke macht. Dit betekent dat andere vormen van geschilbeslechting zoals mediation en arbitrage zijn toegestaan, zolang maar geen sprake is van berechting in de zin van het rechtens bindend vaststellen van rechten en verplichtingen. Die berechting is voorbehouden aan de rechterlijke macht. Al blijft het, zoals gezegd, aan de wetgever om te bepalen wie of wat daartoe behoort.
 

4. ‘Burgerlijke rechten en schuldvorderingen’

Artikel 112 Grondwet is een bevoegdheidsartikel dat de rechterlijke macht exclusief competent verklaart op het terrein van het civiele recht. Zoals gezegd is het belang ervan in historisch opzicht echter voornamelijk gelegen in één bijzondere categorie zaken, namelijk het overheidsaansprakelijkheidsrecht. De bepaling is, net als haar voorgangers, een reactie op eeuwenlange strijd tussen het bestuur en de rechterlijke macht over de vraag wie het primaat had bij de rechtsbescherming tegen de overheid. Van fundamenteel belang was de introductie van artikel 165 Grondwet 1815, dat de beslissing in geschillen die gevolgen hadden voor privaatrechtelijk beschermde rechten van de burger, ‘bij uitsluiting’ toekende aan de rechterlijke macht. Zoals gezegd werd daarmee afstand genomen van het voor 1815 vigerende systeem waarbij de administratie zélf bepaalde of geschillen waarbij zij (in welke hoedanigheid dan ook) betrokken was, ter toetsing aan de rechter konden worden voorgelegd.
 
Een rustig bezit werd de kwestie daarna echter niet. In de literatuur woedde  gedurende bijna de gehele negentiende eeuw een felle strijd over de vraag hoe ver de trendbreuk van 1815 nu precies ging. Ruwweg lieten zich twee scholen onderscheiden. Aan de ene kant van het spectrum verdedigde Thorbecke dat de rol van het bestuur alleen werd teruggedrongen in zuiver klassieke civielrechtelijke geschillen.[24] De daadwerkelijke rechtsverhouding (‘fundamentum petendi’) tussen partijen was voor hem bepalend voor de bevoegdheid van de rechter. Aan de andere kant van het spectrum meende Buys dat niet het geschil zélf, maar het object van de rechtsstrijd (‘objectum litis’) bepalend was.[25] Zodra de eiser aan zijn vordering een burgerlijk recht ten grondslag stelt, is de rechter bevoegd. Het essentiële verschil tussen beide doctrines kan worden geïllustreerd aan de hand van een recent vonnis van Rechtbank Den Haag in de zogenaamde ‘klimaatzaak’ van Stichting Urgenda tegen de Staat.[26] Urgenda vorderde van de Staat dat deze alle noodzakelijke maatregelen zou treffen om ervoor te zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2020 met een kwart zou zijn afgenomen ten opzichte van 1990. Centraal daarbij staat de inzet van (grotendeels) publiekrechtelijke bevoegdheden. Urgenda legde aan de vordering echter ten grondslag dat het nalaten deze maatregelen te nemen jegens haar een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW opleverde. Volgens de leer van Thorbecke is het eerste beslissend: het gaat om een private rechtspersoon die de inzet van publiekrechtelijke bevoegdheden vordert. De achterliggende rechtsverhouding is dus publiekrechtelijk en niet privaatrechtelijk van aard. In de leer van Buys daarentegen is beslissend dat de vordering een privaatrechtelijke grondslag heeft. De burgerlijke rechter is dan bevoegd.
 
Ook tussen de staatsmachten bleef het na 1815 schuren. De rechtspraak was niet helemaal duidelijk.[27] Diverse, zij het niet alle rechters achtten zich in elk geval, met artikel 165 Grondwet in de hand, bevoegd om kennis te nemen van geschillen over bestuurlijk handelen.[28] Het bestuur sloeg in 1822 terug met het zogenaamde Conflictenbesluit van Koning Willem I.[29] De regering bepaalde daarin dat het de Kroon was, en niet de rechter, die uiteindelijk beoordeelde of een daad van het bestuur door de rechter mocht worden getoetst. Het was immers de Koning die de Grondwet diende te handhaven, desnoods jegens de drie staatsmachten. In de literatuur is het bestaan van die bevoegdheid, en daarmee de grondwettigheid van het Conflictenbesluit, nooit aanvaard.[30] Ook het grote publiek was niet overtuigd.[31] In 1844 werd de regeling weer ingetrokken.[32]

Het duurde echter nog tot de eeuwwisseling alvorens de Hoge Raad definitief de omslag maakte en hij het objectum litis van Buys omarmde.[33] Dat gebeurde in het arrest Guldemond/Noordwijkerhout.[34] Sindsdien acht de burgerlijke rechter zich bevoegd om claims tegen de overheid in behandeling te nemen, ongeacht het (beweerdelijke) publiekrechtelijke karakter van de rechtsverhouding tussen partijen.[35] Dat kan in potentie leiden tot competentieconflicten met de bestuursrechter. De civiele rechter is immers slechts exclusief bevoegd om over burgerlijke rechten en schuldvorderingen recht te spreken. De wetgever is, op basis van het tweede lid van artikel 112 Grondwet, bevoegd om geschillen van publiekrechtelijke aard aan aparte bestuursrechtelijke colleges op te dragen. Waar het object van de vordering civielrechtelijk is ingekleed, maar de onderliggende rechtsverhouding publiekrechtelijk van aard is, kan dan sprake zijn van overlap. De burgerlijke rechter acht zich dan wel bevoegd, maar doet een stapje terug door de eisers niet-ontvankelijk te verklaren als toegang tot de bestuursrechter mogelijk is.[36] Mocht die route reeds zijn gevolgd, dan volgt de burgerlijke rechter het oordeel van de bestuursrechter, op grond van de leer van de formele rechtskracht.[37] In zoverre beschouwt de civiele rechter zijn aandeel in de rechtsbescherming tegen de overheid zuiver als aanvullend.
 

5. ‘Niet uit burgerlijke rechtsbetrekking
     voortvloeiende rechten’

Het civiele recht moge dan het grondwettelijke domein zijn van de rechterlijke macht, het tweede lid maakt duidelijk dat de wetgever voor de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeien, keuzevrijheid heeft. Hij mag die geschillen ter beslechting aan de rechterlijke macht overdragen, maar hoeft dat niet te doen. Onduidelijk is echter hoe de categorieën wel en niet uit burgerlijke rechtsbetrekking voortvloeiend moeten worden afgebakend. Zoals hiervoor betoogd, maakt de huidige jurisprudentie van de burgerlijke rechter het mogelijk dat op hetzelfde handelen zowel het burgerlijke recht als het publiekrecht van toepassing is. Het tweede lid maakt in wezen duidelijk dat de keuze welk regime op dergelijke grensgebieden van toepassing is, er één voor de wetgever is. Zo staat het de wetgever grondwettelijk vrij te bepalen dat over de aansprakelijkheid van overheden voor het niet verlenen van een vergunning enkel geprocedeerd kan voor de bestuursrechter. Op basis van artikel 115 Grondwet zou hij in theorie zelfs kunnen bepalen dat de kwestie via het instrument van administratief beroep dient te worden afgedaan.[38] Dan moet wel worden voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM aan de rechtsbescherming op nationaal niveau stelt. Daarop wordt onder punt 6 ingegaan. De wetgever kan er voorts voor kiezen om de overlap tussen het domein van de burgerlijke rechter en de bestuursrechter te laten voortbestaan. De regering benadrukte tijdens de grondwetsherziening van 1983 dat het in elk geval niet de bedoeling was de bestaande jurisprudentie van de civiele rechter aan te tasten.[39]
 

6. Artikel 6 EVRM en ‘civil rights and obligations’

Het voorgaande betekent dat de Grondwet, op het terrein van de rechtsbescherming tegen de overheid, nauwelijks fundamentele waarborgen te bieden heeft. Toch zijn de handen van de wetgever op dit punt in belangrijke mate gebonden. Artikel 6 EVRM verplicht hem namelijk om ten aanzien van de vaststelling van ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’ zorg te dragen voor een eerlijk proces bij een onafhankelijke en openbare instantie. In de rijke jurisprudentie van het EHRM is een indrukwekkende reeks aan waarborgen uit deze bepaling afgeleid.[40] Afgezien van de ‘strafrechtelijke tak’ van artikel 6 EVRM, zijn deze waarborgen, strikt genomen, echter uitsluitend van toepassing op geschillen over de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen.
 
Dat maakt de vraag relevant hoe deze categorie zich verhoudt tot de terminologie die in de Grondwet wordt gehanteerd. Daarbij zij wel aangetekend dat doel en functie van artikel 6 EVRM een andere is dan van artikel 112 Grondwet. Artikel 112 is een competentiebepaling die het terrein van de burgerlijke rechten en schuldvorderingen exclusief toekent aan de civiele rechter en de wetgever exclusief bevoegd verklaart tot het vormgeven van de rechtsbescherming tegen de overheid. Artikel 6 EVRM daarentegen is een waarborgnorm die een subjectief recht op een eerlijk proces garandeert. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop de term ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’ wordt geïnterpreteerd.

Waar de burgerlijke rechten van artikel 112 Grondwet formeel worden benaderd, kiest het EHRM met betrekking tot de civil rights and obligations voor een materiële, autonome benadering. Dit betekent dat het voor de toepasselijkheid van artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet uitmaakt hoe de wetgever het begrip ‘burgerlijke rechten’ afbakent.  Niet de juridische classificatie volgens het nationale recht, maar de aard van de vordering in kwestie geeft de doorslag.[41] Merkt de wetgever een geschil als privaatrechtelijk aan, dan is artikel 6, eerste lid, EVRM doorgaans echter ook van toepassing.[42] Hoewel het Straatsburgse Hof huiverig is een alomvattende definitie te geven van wat naar zijn aard als ‘burgerlijk’ moet worden aangemerkt, geldt dat in de regel van doorslaggevend belang is of het geschil vermogensrechtelijke gevolgen voor de burger heeft.[43] Zo zijn geschillen in de sfeer van het socialezekerheidsrecht door het Hof wel onder de werking van artikel 6 EVRM gebracht.[44] Belangrijke uitzonderingen op dit uitgangspunt vormen echter belastingrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke geschillen.[45] Daarnaast zijn geschillen over politieke rechten zoals het kiesrecht uitgezonderd van de werking van artikel 6 EVRM, ook als daar financiële aspecten mee gemoeid zouden zijn.[46] Een belangrijke uitzondering betrof in het verleden bovendien het ambtenarenrecht. Dat viel lange tijd grotendeels niet onder de werking van artikel 6, eerste lid, EVRM.[47] Sinds het arrest Vilho Eskelinen zijn daar belangrijke veranderingen in gekomen. Het uitgangspunt is nu dat ambtenarenzaken onder de reikwijdte van artikel 6 vallen, zij het dat de wetgever de bevoegdheid heeft om de toegang tot de rechter expliciet uit te sluiten voor bepaalde categorieën ambtenaren. Die beperking moet dan wel op objectieve gronden gerechtvaardigd zijn.[48]
 
Een vergelijking van de Nederlandse invulling van het begrip ‘burgerlijke rechten en schuldvorderingen’ uit artikel 112 Grondwet, met de Straatsburgse invulling van het begrip ‘civil rights and obligations’ uit artikel 6 EVRM, leert dat de Straatsburgse variant een aanzienlijk groter gebied bestrijkt. Zo omvat artikel 6 EVRM het ambtenaren- en het socialezekerheidsrecht, terwijl die gebieden in Nederland onder het bestuursrecht vallen. Dat is doorgaans geen probleem omdat de Nederlandse bestuursrechtspraak voldoet aan de waarborgen van artikel 6 EVRM. Wel doet het de vraag rijzen of de Nederlandse Grondwet niet ook ten aanzien van bestuursrechtelijke geschillen aanvulling verdient met een subjectief recht op een eerlijk proces.[49]
 

7. Politieke kwesties

Tot slot nog iets over de rol van artikel 112 Grondwet bij de afbakening van het domein van de rechter ten opzichte van de politieke staatsinstellingen. In een aantal landen –  de Verenigde Staten is verreweg het bekendste voorbeeld – vormt het rechterlijke bevoegdheidsartikel tevens aanleiding voor de rechter om zich onbevoegd te verklaren wanneer hij meent dat een hem voorgelegde rechtsvraag tot het exclusieve domein van een andere staatsmacht behoort.[50] Met andere woorden: aan de bepaling die de rechterlijke competentie regelt is een zogenaamde political question doctrine opgehangen.
 
In theorie had artikel 112 Grondwet een soortgelijke rol in Nederland kunnen vervullen. Toch is dat niet gebeurd. Artikel 112 heeft het debat over politieke rechtspraak nooit echt weten te beheersen. Voor een belangrijk deel zat de afbakening van rechtspraak en ‘politiek’ in het negentiende eeuwse debat over de vraag of de jurisdictie van de rechterlijke macht zich uitstrekte over het optreden van het bestuur.[51] Dat grensconflict is inmiddels eenduidig ten faveure van de rechter beslecht.  Door de opkomst van het stelsel van bestuursrechtspraak, is de strijd over de bevoegdheid van de ‘gewone’ rechterlijke macht een achterhoedegevecht geworden. Het gaat nu vooral om de afbakening van de respectievelijke domeinen van bestuursrechter en burgerlijke rechter en niet zozeer van rechter en bestuur. De vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de bevoegdheid van de civiele rechter maakt het voor deze bovendien moeilijk om politiek getinte geschillen met een beroep op zijn onbevoegdheid buiten de deur te houden.[52] Evenmin biedt de ontvankelijkheidsjurisprudentie op dit punt uitkomst.[53] Integendeel, de relatief ruime mogelijkheid om algemeen belang-acties aan de rechter voor te leggen, maakt dat met name de burgerlijke rechter geregeld met kwesties geconfronteerd wordt die in meer of mindere mate een politiek karakter dragen. Voorbeelden betreffen het buitenlands- en veiligheidsbeleid, het klimaatvraagstuk en de toegang van vrouwen tot partijpolitieke functies.[54] Dit alles betekent niet dat de Nederlandse rechter in het geheel geen manieren heeft gevonden om terughoudendheid te betrachten jegens de andere staatsmachten. De politieke gevoeligheid van een specifieke kwestie speelt echter in andere fasen van het proces van rechtsvinding dan die van de toegang tot de rechter. Het gaat dan enerzijds om terughoudendheid bij de inhoudelijke toetsing van het handelen van de Staat, zoals het geval is in kwesties van buitenlands beleid.[55] Anderzijds gaat het om terughoudendheid bij het beantwoorden van de vraag wat er zou moeten gebeuren als de rechter heeft vastgesteld dat de Staat onrechtmatig handelt.[56] Zo is hij niet genegen de Staat een bevel tot wetgeving te geven, en verklaarde hij in het verleden geregeld dat het aan de wetgever was om een door de rechter geconstateerde schending van het EVRM te verhelpen.[57]
 

8. Jurisprudentie

- EHRM 28 juni 1978, nr. 6232/73 (König t. Duitsland)
- EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (Airey t. Ierland)
- EHRM 26 februari 1993, nr. 13023/97 (Salesi t. Italië)
- EHRM 21 oktober 1997, nr. 24194/94 (Pierre Bloch t. Frankrijk)
- EHRM 8 december 1999, NJ 2001/131 m.nt. EAA (Pellegrin t. Frankrijk)
- EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
- EHRM 19 april 2007, NJ 2007/375 m.nt. EAA (Vilho Eskelinen t. Finland)
- HR 21 april 1898, W 1898, 7116 (Rhedense koe)
- HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond/Noordwijkerhout)
- HR 15 december 1950, NJ 1951/221
- HR 26 maart 1971, NJ 1971/434 (Verkiezingsafspraak Elsloo).
- HR 16 mei 1986, NJ 1986/723 m.nt. MS (Heesch/Van den Akker).
- HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. MS (Changoe/Staat)
- HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
- HR 17 december 1999, AB 2000/89 m.nt. PvB (Groningen/Raatgever)
- Rb Den Haag 24 juni 2015, AB 2015/336 (Urgenda/Staat).

9. Literatuur

- J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, Deventer: Kluwer 2015.
- T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.H. Gerards, De toegang tot de rechter en een eerlijk proces in de Grondwet? Behoeft de Nederlandse Grondwet aanvulling met een recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces?, Deventer: Kluwer 2009.
- C.J. Bax, ‘Artikel 112’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet – Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: Kluwer 2000, pp. 520-524.
- L. van den Berge, ‘’Der Staat soll Rechtsstaat seyn’ Loeff, Struycken en de Duitse staatsfilosofie’, R.M. Themis 2014, pp. 80-88.
- P.P.T. Bovend’Eert & C.A.J.M. Kortmann, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2013.
- Eindrapport Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie (Deel 1), Den Haag: 1984.
- P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2011.
- M. Kuijer, The blindfold of Lady Justice – Judicial independence and impartiality in the light of the requirements of article 6 ECHR (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004.
- J.A. Loeff, ‘Wenschelijkheid van administratieve rechtspraak hier te lande’ Themis 1912, p. 144.
- G.E. van Maanen, De wonderbaarlijke geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad in de 19deen 20steeeuw, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996.
- G.E. van Maanen & R. de Lange, Onrechtmatige overheidsdaad, Deventer: Kluwer 2005.
- J.V. Rypperda Wierdsma, Politie en Justitie. Een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek (diss. Leiden), Zwolle: Tijl 1937, p. 173.
- H. van Sonsbeeck, Proeve over de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der regterlijke macht’, Zwolle: 1829.
- Staatscommissie Grondwet, Rapport (2010).
- A.A.H. Struycken, Administratie of rechter?, Arnhem: Gouda Quint 1910.
- P. Tjeenk Willink, Publiek-rechtelijke geschillen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (diss. Leiden), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1893.

10. Historische versies

Eerste lid:
Art. 165 Gw 1815: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voorspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke macht’ (art. 163 Gw 1840).
Art. 148 Gw 1848: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt. Aan haar behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet te bepalen, de beslissing over burgerschapsregten’.
Art. 153 Gw 1887: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgelijke regten behoren bij uitsluiting tot de kennisname van de regterlijke Magt’ (art. 154 Gw 1922; art. 160 Gw 1938; art. 167 Gw 1953).

Tweede lid:
Art. 154 Gw 1887: ‘De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administratieve regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen’ (art. 155 Gw 1922, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 154'; art. 161 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 160'; art. 168 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. 'art. 153' wordt gelezen 'art. 167').

   

Noten

  1. Voorbeeld te vinden bij R. Kranenburg, Het Nederlandsch Staatsrecht Deel II, 5e (herziene) druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1938, p. 39.
  2. Ibid.
  3. Vgl. J.V. Rypperda Wierdsma, Politie en Justitie. Een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek (diss. Leiden), Zwolle: Tijl 1937, p. 173. Zie ook reeds: P. Tjeenk Willink, Publiek-rechtelijke geschillen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (diss. Leiden), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1893.
  4. Kranenburg 1938, p. 34.
  5. Kranenburg 1938, p. 36.
  6. Hierop wordt onder 4 nader ingegaan.
  7. Zie in dat verband de Wet RO.
  8. Vgl. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 19 (Nng, V, 92).
  9. Kamerstukken II 1980/1981, 16 162 nr. 8, p. 3, 12.
  10. In het buitenland kwam het een enkele keer voor dat de wetgever op en hem onwelgevallige uitspraak van de rechter reageerde door deze rechter jurisdictie te ontnemen. Een voorbeeld daarvan betreft Canada, waar de Privy Council in de jaren dertig van de vorige eeuw werd ingeruild voor een nieuw Supreme Court als hoogste rechter omdat de wetgever de eerste te activistisch vond. Zie K. Roach, The Supreme Court on Trial – Judicial Activism or Democratic Dialogue, Toronto: Irwin Law 2001, pp. 41-44.
  11. Kamerstukken II 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 5, 17.
  12. Eindrapport Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie (Deel 1), Den Haag: 1984.
  13. Kamerstukken II 1988/1989, 21 048, nr. 3 e.v..
  14. Vgl. daarover het commentaar van P. de Haan, Th.G. Drupsteen & R. Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat (deel 2), Deventer: Kluwer 1998, p. 284.
  15. Zie Kamerstukken II 2003/2004, 25 425, nr. 7.
  16. Kamerstukken 2015/16, 34 389, nr, 2 (Wet organisatie hoogste bestuursrechtspraak).
  17. Kamerstukken 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 9.
  18. Vgl. o.m.: C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983, Deventer: Kluwer 1983, p. 286, die de MvT zonder de, hem soms zo tekenende ironie, aanhaalt.
  19. ] Zie nader: V.V.R. Van Bogaert, De rechter beoordeeld. Over aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid in civiel- en staatsrechtelijk perspectief (diss. Groningen), Antwerpen: Maklu 2005, p. 68.
  20. Vgl. o.m. HR 12 mei 1999, NJ 2000/170 m.nt. Bloembergen (Arbeidskostenforfait). Daarover uitgebreid: J. Uzman, Constitutionele remedies bij schending van grondrechten (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2013.
  21. Vgl. voor een bekend, onder art. 120 Grondwet nog te bespreken, voorbeeld: HR HR 14 april 1989 NJ 1989/469 (Harmonisatiewet).
  22. H. Kelsen, Allgemeine Staatslehre, Berlijn: Julius Springer 1925, p. 287; Zie tevens: L. Prakke, Toetsing in het publiekrecht (diss. UvA), Assen: Van Gorcum 1972, pp. 73-75; J.J.J. Sillen, Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2010, p. 4.
  23. Vgl. US Supreme Court 4 juni 1923, 262 U.S. 447 (Frothingham v. Mellon), per Sutherland J.; U.S. Supreme Court 3 juli 1984, 468 U.S. 737 (Allen v. Wright).
  24. Aanteekening op de Grondwet, Deel II, p. 155.
  25. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: 1887, p. 295.
  26. Rb Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336 (Urgenda/Staat).
  27. A.Q.C. Tak, Hoofdlijnen van het Nederlandse bestuursprocesrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 331; G.E. van Maanen, De wonderbaarlijke geschiedenis van de onrechtmatige overheidsdaad in de 19de en 20ste eeuw, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996.
  28. Kranenburg 1938, p. 38-39.
  29. KB van 5 oktober 1822, Stb. 1822, 44.
  30. Kranenburg 1938, p. 43.
  31. H. van Sonsbeeck, Proeve over de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der regterlijke macht’, Zwolle: 1829, p. 213.
  32. KB van 20 mei 1844, Stb. 1844, 25.
  33. Vgl. het arrest HR 21 april 1898, W 1898, 7116 (Rhedense koe) waarin de leer van fundamentum petendi nog een rol lijkt te spelen met HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407 (Guldemond/Noordwijkerhout) waarin de objectum litis-lijn centraal staat.
  34. Zie voorgaande voetnoot.
  35. Zie voor een enkele uitzondering: HR 26 maart 1971, NJ 1971/434 (Verkiezingsafspraak Elsloo).
  36. Vgl. o.a. HR 15 december 1950, NJ 1951/221; HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. MS (Changoe/Staat). De uitzondering vormt de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige overheidsdaad. Zie in dat verband HR 17 december 1999, AB 2000/89 m.nt. PvB (Groningen/Raatgever). Op dat terrein intervenieerde de wetgever de afgelopen jaren uitgebreid. Zie o.a. de Wet Nadeelscompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 162. Vgl. in dat verband: A.J.H. van Suilen, ‘De voorgestelde regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten’, NTFR 2011, 2828.
  37. HR 16 mei 1986, NJ 1986/723 m.nt. MS (Heesch/Van den Akker).
  38. Zie het commentaar bij art. 115.
  39. Kamerstukken II 1979/1980, 16 162, nr. 3, p. 15.
  40. Zie daarover o.a. M. Kuijer, The blindfold of Lady Justice – Judicial independence and impartiality in the light of the requirements of article 6 ECHR (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004; P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2011.
  41. EHRM 28 juni 1978, nr. 6232/73 (König t. Duitsland).
  42. EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (Airey t. Ierland).
  43. EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
  44. EHRM 26 februari 1993, nr. 13023/97 (Salesi t. Italië).
  45. EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, NJ 2004/435 m.nt. EAA (Ferrazzini t. Italië).
  46. EHRM 21 oktober 1997, nr. 24194/94 (Pierre Bloch t. Frankrijk).
  47. EHRM 8 december 1999, nr. 28541/95, NJ 2001/131 m.nt. EAA (Pellegrin t. Frankrijk).
  48. EHRM 19 april 2007, nr. 63235/00, NJ 2007/375 m.nt. EAA (Vilho Eskelinen t. Finland).
  49. T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.H. Gerards, De toegang tot de rechter en een eerlijk proces in de Grondwet? Behoeft de Nederlandse Grondwet aanvulling met een recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces?, Deventer: Kluwer 2009; Rapport Staatscommissie Grondwet (2010), pp. 60-63.
  50. Zo wordt de fameuze political question doctrine in de Verenigde Staten wel afgeleid uit artikel III van de Amerikaanse grondwet, dat spreekt van de bevoegdheid van de rechterlijke macht tot de beslechting van cases and controversies. Zie daarover o.m. R.E. Barkow, ‘More Supreme than Court – The Fall of the Political Question Doctrine and the Rise of Judicial Supremacy’, Columbia Law Review 2002, pp. 237-336, op p. 243, 320.
  51. En de daarmee samenhangende discussie of het bestuur onderworpen dient te zijn aan een stelsel van administratieve rechtspraak. In dat verband zij gerefereerd aan het legendarische debat tussen Loeff en Struycken. Zie A.A.H. Struycken, Administratie of rechter?, Arnhem: Gouda Quint 1910, en J.A. Loeff, ‘Wenschelijkheid van administratieve rechtspraak hier te lande’ Themis 1912, p. 144. Over dit debat: L. van den Berge, ‘’Der Staat soll Rechtsstaat seyn’ Loeff, Struycken en de Duitse staatsfilosofie’, R.M. Themis 2014, pp. 80-88.
  52. P. De Haan, Th.G. Drupsteen & r. Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat – Deel 2: Bestuurshandelingen en waarborgen, Deventer: Kluwer 1998, pp. 385-386. Een illustratie waarbij de Hoge Raad zich wél bevoegd achtte maar niet in ging op de vordering omdat hij deze niet toewijsbaar achtte betreft HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
  53. Ibid.
  54. Vgl. Rb Den Haag 20 mei 1986, AAe 1987, 22 m.nt. Akkermans (Kruisraketten); HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376 m.nt. NJS (Srebrenica); Rb Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336 (Urgenda/Staat); HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4547, RvdW 2010/506 (SGP-arrest).
  55. Gerechtshof Den Haag 22 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5105 (RMS/Staat).
  56. Vgl. bijv. HR 19 november 1999, NJ 2000/160 m.nt. TK (Tegelen).
  57. HR 21 maart 2003, NJ 2003/691, m.nt. TK (Waterpakt/Staat); HR 12 mei 1999, NJ 2000/170 m.nt. ARB (Arbeidskostenforfait); HR 30 juni 2009, NJ 2009/349 m.nt. Schalken (Post-Salduz). Zie in dit verband ook onze dissertaties: G. Boogaard, Het wetgevingsbevel – Over constitutionele verhoudingen en manieren om een wetgever tot regelgeving aan te zetten (diss. UvA), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013; J. Uzman, Constitutionele remedies bij schending van grondrechten – Over effectieve rechtsbescherming, rechterlijk abstineren en de dialoog tussen rechter en wetgever (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2013.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    J. Uzman en G. Boogaard, Commentaar op artikel 112 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Civiele en administratieve rechtspraak

De rechterlijke macht is, met uitsluiting van andere organen, bevoegd om geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen te berechten. De Grondwet garandeert op deze wijze dat, kort gezegd, privaatrechtelijke conflicten altijd kunnen worden voorgelegd aan een onafhankelijke rechter.
 
De gerechten die behoren tot de rechterlijke macht (artikel 116 Grondwet) zijn opgesomd in de Wet op de rechterlijke organisatie. Volgens die wet bestaat de rechterlijke macht uit de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad.
 
Wanneer het gaat om geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, kan de wetgever bepalen welke instantie bevoegd is om een uitspraak te doen. Dat kan de rechterlijke macht zijn, maar ook een ander orgaan. Zo is bijvoorbeeld het beslissen van de meeste bestuursrechtelijke geschillen – geschillen waarin de uitoefening van bestuursbevoegdheden door overheidsorganen centraal staat – in eerste aanleg ook opgedragen aan de rechtbanken. Het hoger beroep in dergelijke zaken wordt in de meeste gevallen behandeld door bestuursrechtelijke colleges die niet tot de rechterlijke macht behoren, waaronder de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
De term ‘berechting’ duidt op het beslissen van de aan de rechter voorgelegde rechtsgeschillen. Niet alle taken die aan de rechter zijn opgedragen zijn aan te merken als berechting van een geschil. Een voorbeeld is de benoeming van een voogd bij uitspraak van de rechtbank.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Civiele en administratieve rechtspraak

2 reacties

18.02.2016 | Naam*

ik denk het ook. Overbodige meuk kopen, dat doen de meeste mesnen, toch heeft het vrij weinig zin. Vluchtigheid, waan van de dag. Uiteindelijk beklijft kwaliteit denk ik. Tenminste, dat is mijn vertrouwen.Dat wat je aandacht geeft, groeit.

13.11.2015 | M. de Vries

Waardevolle info. Alleen artikel 103 RO (10 raadsheren) moet lijkt me artikel 76 lid 4 Wet RO zijn.

Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Civiele en administratieve rechtspraak

Klassieke uitspraken

Hier leest u de klassieke uitspraken over artikel 112 van de Grondwet

Guldemond/Noordwijkerhout

31-12-1915
In dit arrest is door de Hoge Raad bepaald dat de exclusieve bevoegheid van de rechterlijke macht afhangt van het voorwerp van verschil, oftwel het recht waarin eiser vraagt te worden beschermd.

Recente rechtspraak

Civiele en administratieve rechtspraak

Politiek

Civiele en administratieve rechtspraak

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Civiele en administratieve rechtspraak

  • Discussie over het imago van de bestuursrechtspraak
Discussie over het imago van de bestuursrechtspraak
Blogs

Civiele en administratieve rechtspraak

In de wereld

Civiele en administratieve rechtspraak