CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 50 - Vertegenwoordiging

INHOUD
  1. De Staten-Generaal
  2. Vertegenwoordiging
  3. Het gehele Nederlandse volk
  4. Politieke partijen
  5. Literatuur
  6. Jurisprudentie
  7. Historische versies
 

Editie december 2015[1]

1. De Staten-Generaal

Een bepaling over de vertegenwoordigende taak van de Staten-Generaal heeft sinds 1814 een plaats in de Grondwet. De term ‘Staten-Generaal’ dateert echter al van ver vóór die tijd. Al in de Bourgondisch-Habsburgse tijd, vanaf het midden van de vijftiende eeuw, vonden onregelmatige bijeenkomsten plaats van vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de stedelijke burgerij – de standen of ‘Staten’ – van de zeventien provinciën, die niet alleen het huidige Nederland omvatten, maar ook gebieden die nu tot België, het noorden van Frankrijk en Luxemburg behoren. De eerste ‘Staten-Generaal’ in de Nederlanden werden in die vorm in 1464 bijeengeroepen te Brugge door Filips de Goede, de hertog van Bourgondië.[2]


Aanbieding van het Remissorium Philippi aan Filips de Goede (midden); detail van een boekverluchting uit ca. 1450, Nationaal Archief, inventarisnr. 2149.

Gijsbert Karel van Hogendorp, die de aanduiding gebruikte in zijn Schets, een ontwerp uit 1812 voor de latere Grondwet van 1814, verwees ermee naar het gemeenschappelijke orgaan van de samenwerkende Nederlandse gewesten na de Unie van Utrecht (1579) en ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795). De bestuurscolleges van de zeven soevereine gewesten of provinciën, aangeduid met de term ‘Staten’, kwamen voor het bestuur van de ‘generaliteit’ op eigen initiatief bijeen in een gezamenlijk orgaan, de Staten-Generaal, om te besluiten over zaken die de gehele Republiek aangingen – met name oorlogvoering, buitenlandse politiek en financiën.[3] De naam van het Nederlandse parlement refereert daarmee aan een lang en rijk verleden van vertegenwoordiging en bestuur van gezamenlijke belangen.

2. Vertegenwoordiging

De idee van ‘volksvertegenwoordiging’ heeft, sinds het ontstaan van de eerste parlementen, een fundamentele ontwikkeling doorgemaakt. De West-Europese parlementen die in de middeleeuwen vergaderden (vanaf ongeveer 1200), bestonden uit vertegenwoordigers van de standen, die gewoonlijk werden samengeroepen door de vorst of landsheer om hen tot medewerking aan de landszaak te verplichten. De toenemende financiële afhankelijkheid van veel vorsten ten opzichte van deze standen zorgde ervoor dat parlementen in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw meer en meer de rol van onderhandelaar namens de standen met de vorst verkregen. Nog weer later, vanaf de zestiende eeuw, bestonden parlementen veelal uit gemachtigden die namens landsdelen – in de Nederlanden de gewesten of provinciën – belast waren met het behartigen van de ‘particuliere’ ofwel de eigen regionale belangen bij het bestuur van de gemeenschappelijke aangelegenheden.[4]

In de Republiek der Verenigde Nederlanden waren zo de gewesten of provinciën vertegenwoordigd in de Staten-Generaal. Die bestonden uit afgevaardigden van de zeven gewesten; de omvang en samenstelling van de delegaties konden wisselen, maar steeds had elk gewest één stem in de Staten-Generaal. Voor het nemen van besluiten over belangwekkende zaken, zoals defensie, buitenlandse politiek en financiën, was unanimiteit vereist. De delegaties waren bovendien gebonden aan een strikt mandaat – een ‘last’ – van de gewestelijke Staten en hadden dus een beperkte onderhandelingsruimte. Indien dat mandaat niet toereikend was om in de Staten-Generaal overeenstemming te bereiken, moesten de delegaties terug naar hun gewestelijke Staten voor nader overleg – ‘ruggespraak’.[5] Vertegenwoordiging betekende dus het behartigen van de bijzondere belangen van elk van de gewesten, binnen de grenzen van een daartoe verstrekt mandaat.

In de Nederlandse Grondwet heeft de term volksvertegenwoordiging sinds 1814, toen de voorloper van artikel 50 werd opgenomen, een andere betekenis. Volksvertegenwoordigers treden niet op als gemachtigden namens bepaalde groepen in de samenleving, maar nemen deel aan de beraadslagingen op eigen titel en beslissen op basis van hun eigen opvattingen en oordelen over voorliggende kwesties.[6] Artikel 50 moet zo worden begrepen dat van volksvertegenwoordigers mag worden verwacht dat zij hun inspanningen zullen verrichten in dienst van het algemeen belang, niet van lokale belangen of bijzondere belangen van bepaalde groeperingen in de samenleving.[7] En omdat van die volksvertegenwoordigers wordt verwacht dat zij dit op eigen gezag doen, op basis van eigen kennis en ervaring, vloeit daaruit voort dat aan hen hoge eisen mogen worden gesteld ten aanzien van geschiktheid en bekwaamheid.[8]
 
Vrijwel elke moderne democratie is tegenwoordig een representatieve democratie. Instrumenten als het referendum en moderne vormen van burgerbetrokkenheid ten spijt, is een directe democratie in algemene zin niet te realiseren. Democratie veronderstelt tegenwoordig representatie, waarmee artikel 50 Grondwet in feite de grondwettelijke bevestiging van de vertegenwoordigende democratie is. Representatie betekent in dat verband dat het volk zeggenschap krijgt bij de samenstelling van de Staten-Generaal, door de leden daarvan te verkiezen. Die gekozen leden nemen vervolgens deel aan de medewetgevende taak van de Staten-Generaal.[9] Eenmaal gekozen volksvertegenwoordigers beschikken echter over een vrij mandaat ten opzichte van de kiezers: zij zijn niet gebonden aan de opdrachten of wensen van degenen die hen hebben gekozen, maar representeren alle Nederlanders. Een onvermijdelijk gevolg van die opvatting over vertegenwoordiging is wel dat een zekere afstand en vervreemding tussen kiezers en gekozenen ontstaat.[10]

3. Het gehele Nederlandse volk

Wat precies moet worden verstaan onder de aanduiding ‘het gehele Nederlandse volk’ is niet helemaal duidelijk. Ten tijde van de algehele grondwetsherziening van 1983 is daarover niet veel opgemerkt, afgezien van een zinsnede over het ‘nationale karakter’ van de Staten-Generaal en de vaststelling dat zij ‘héél het Nederlandse volk’ vertegenwoordigen.[11] Tegenwoordig is de vraag naar de betekenis van de woorden ‘het gehele Nederlandse volk’ relevant, nu vele mensen kortere of langere tijd in Nederland verblijven die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, waaronder EU-burgers die krachtens Europees recht in beginsel gelijk moeten worden behandeld met de eigen onderdanen (maar geen stemrecht hebben voor de verkiezingen van de leden van de Staten-Generaal).
 
Wanneer artikel 50 wordt gelezen in samenhang met de artikelen 54, 55 en 129 van de Grondwet, die het kiesrecht voor de beide Kamers van de Staten-Generaal voorbehouden aan Nederlanders, zou men daaruit kunnen concluderen dat het slechts gaat om Nederlanders – maar niet eens om alle Nederlanders, aangezien de Nederlanders die ingezetene zijn van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geen kiesrecht hebben voor de verkiezingen van leden van de Staten-Generaal.[12] Die lezing van artikel 50 lijkt om meerdere redenen te beperkt. Om te beginnen vormen de Staten-Generaal ook het parlement dat namens het gehele Koninkrijk meebesluit over de vaststelling van Rijkswetten en beslist over de goedkeuring van verdragen. Daarnaast zou het toch eigenaardig zijn wanneer Nederlandse volksvertegenwoordigers zich niet ook de belangen zouden hoeven aantrekken van niet-Nederlanders die kortere of langere tijd in Nederland verblijven. De term ‘volk’ zou daarom in elk geval alle Nederlanders moeten omvatten, en wellicht ook iedereen die binnen de grenzen van Nederland woont (alle ingezetenen), alsmede personen die tijdelijk verblijf houden in ons land, bijvoorbeeld in het kader van een asielaanvraag. Artikel 50 geeft hieromtrent echter geen duidelijkheid.

4. Politieke partijen

Wanneer duidelijk is dat het begrip ‘vertegenwoordiging’ verbonden is met de behartiging van het algemeen belang, kunnen vragen rijzen over de rol van politieke partijen in het staatsrechtelijke bestel. Politieke partijen organiseren en stimuleren het debat over politieke vraagstukken, kanaliseren in feite de gedachtevorming over die vraagstukken en stellen kandidaten voor de verkiezing van vertegenwoordigende organen, daarbij uitgaande van een bepaalde levensbeschouwelijke of filosofische overtuiging of een gemeenschappelijk belang. Nu zou men kunnen beweren dat politieke partijen dus volksvertegenwoordigers binden aan bijzondere belangen van groepen burgers en daarmee de behartiging van het algemeen belang door die vertegenwoordigers verstoren.[13] Voor de meeste partijen geldt echter dat zij juist het algemeen belang trachten te dienen vanuit een specifieke levensbeschouwing of filosofie.[14] Dat zou anders kunnen liggen bij partijen die nadrukkelijk deelbelangen of belangen van bepaalde groepen burgers behartigen. Te denken valt daarbij aan de ouderenpartij 50Plus of de Partij voor de Dieren. Dergelijke groeperingen mogen zich organiseren als politieke partij en deelnemen aan verkiezingen, maar artikel 50 Grondwet houdt in dat ook van volksvertegenwoordigers die lid zijn van dergelijke partijen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang dienen.
 
Overigens kunnen de (privaatrechtelijke) afspraken tussen een partijbestuur en de leden van die partij de (publiekrechtelijke) regels met betrekking tot de onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger (met name artikel 67, tweede lid, Grondwet) en de bepalingen van de Kieswet niet opzij zetten.[15] Zo kan de afspraak tussen een partijbestuur en een door die partij kandidaat gesteld lid, inhoudende dat de laatste zijn Kamerzetel zal opgeven na het verlaten van de fractie of bij beëindiging van het lidmaatschap van de partij, het lid in staatsrechtelijke zin niet binden: indien hij of zij op persoonlijke titel de zetel wil behouden, kan de partij dat niet verbieden. Hetzelfde geldt voor afspraken omtrent het niet innemen van een zetel die is verkregen door voorkeurstemmen ten gunste van hoger geplaatste kandidaten.[16] Wel kan een partij jegens een volksvertegenwoor­diger die handelt in strijd met het partijprogramma, privaatrechtelijke sancties treffen, bijvoorbeeld ontneming van het partijlidmaatschap.

5. Literatuur

- F.H. van der Burg, Overheid en onderdaan in een representatieve democratie, preadvies Vereniging voor Administatief Recht, H.D. Tjeenk Willink: Haarlem 1970
- F.H. van der Burg, Representatie en participatie, Kluwer: Deventer 1973
- R.J. Fruin, Het antirevolutionaire staatsregt van mr. Groen van Prinsterer ontvouwd en beoordeeld, Amsterdam 1853
- P.P.T Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, het Nederlandse Parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer 2010
- H.R. Nord, Historische ontwikkeling en beteekenis van de representatiegedachte in het Staatsrecht, diss. RUL, Leiden 1945
- J.H. Prins, Over representatie en identiteit, Kluwer: Deventer, 1978
- L.C. Suttorp, F.A. van Hall en zijn constitutionele beginselen, diss. RUL, Amsterdam 1932, p. 97-99.
- Th. Veen, De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk, Nijmegen: Ars Aequi, 1994

6. Jurisprudentie

- ArRvS 6 september 1982, AB 1983, 114 (Beesel)
- HR 18 november 1988, AB 1989, 185 (Aruba)

7. Historische versies

Art. 52 Gw 1814: De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk (art. 77 Gw 1815; art. 79 Gw 1840; art. 74 Gw 1848; art. 78 Gw 1887; art. 79 Gw 1922; art. 81 Gw 1938).
Art. 81 Gw 1948: De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk (art. 88 Gw 1953; art. 88 Gw 1972).

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Zie hierover J.P.H. de Monté VerLoren en J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, 7de druk, Kluwer: Deventer 2000, p. 201-202.
  3. Zie o.a. D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlands staatsrecht, 16de druk, Wolters Kluwer: Deventer, 2014, p. 125-126; P.P.T Boven¬¬d’Eert, H.R.B.M. Kummeling, het Nederlandse Parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer 2010, p. 4-7; H.T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet, deel I, 's Gravenhage 1908, p. 5, 119-120, 126; J.T. Buijs, De Grondwet: toelichting en kritiek, deel I, Gouda Quint: Arnhem, 1883, p. 383.
  4. Zie over deze ontwikkeling G. Leenknegt, R.M.H. Kubben, B.M.C. Jacobs, Opstand en Eenwording. Een institutionele geschiedenis van het Nederlandse openbaar bestuur, 3de druk, WLP: Nijmegen 2010, hoofdstukken 2 en 3.
  5. P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 504 e.v.
  6. Zie ook het commentaar bij artikel 67, tweede lid, Gw.
  7. C.A.J.M. Kortmann, bew. door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann, B.P. Vermeulen, Constitutioneel recht, 7de druk, Kluwer: Deventer, 2012, p. 203-204; J.T. Buijs, De Grondwet: toelichting en kritiek, deel I, Gouda Quint: Arnhem, 1883, p. 378, 384; Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 9 (Nng, IIIa, p. 9); H.R. Nord, Historische ontwikkeling en beteekenis van de representatiegedachte in het Staatsrecht, diss. RUL, Leiden 1945.
  8. J.T. Buijs, De Grondwet: toelichting en kritiek, deel I, Gouda Quint: Arnhem, 1883, p. 379; F.H. van der Burg, Overheid en onderdanen in een representatieve democratie, preadvies VAR, H.D. Tjeenk Willink: Haarlem, 1970, p. 21 en 22. Zie ook Th. Veen, De Veen, De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk, Nijmegen: Ars Aequi, 1994.
  9. Oud I 1967, p. 493.
  10. F.H. van der Burg, Representatie en participatie, Kluwer: Deventer, 1973, p. 6 en 8.
  11. Kamerstukken II 1967/77, 14 222, nr. 3, p. 9 (Nng IIIa, p. 9).
  12. Zie artikelen B1, B2 en Q1 van de Kieswet.
  13. In die zin o.a. R.J. Fruin, Het antirevolutionaire staatsregt van mr. Groen van Prinsterer ontvouwd en beoordeeld, Amsterdam 1853; L.C. Suttorp, F.A. van Hall en zijn constitutionele beginselen, diss. RUL, Amsterdam 1932, p. 97-99.
  14. Zie hierover Kortmann 2012, p. 207; zie ook J.H. Prins, Over representatie en identiteit, Kluwer: Deventer, 1978.
  15. ArRvS 6 september 1982, AB 1983, 114 (Beesel).
  16. Zie HR 18 november 1988, AB 1989, 185 (Aruba).

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 50 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Vertegenwoordiging

De naam van het Nederlandse parlement, de Staten-Generaal, verwijst naar het centrale orgaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden, waarin afgevaardigden van de besturen van de zeven gewesten – de gewestelijke Staten – de belangen van die gewesten behartigden. Tegenwoordig heeft de term ‘vertegenwoordiging’ een andere betekenis. De huidige Staten-Generaal vertegenwoordigen niet bepaalde landsdelen, groeperingen of deelbelangen, maar behartigen ieders belang, ofwel het algemeen belang. Dat betekent ook dat parlementariërs hun werk doen zonder gebonden te zijn aan de opdrachten of beslissingen van een achterban (artikel 67 Grondwet).
 
Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat parlementariërs hun vertegenwoordigende werk doen vanuit een bepaalde overtuiging of ideologie. Gekozen volksvertegenwoordigers zijn gewoonlijk lid van een politieke partij met een partijprogram dat is gegrond op ideologische, levensbeschouwelijke of religieuze beginselen. De gekozenen dragen namens de partij die beginselen uit en bepalen op grond daarvan hun standpunten. Daar is niets mis mee, zolang zij steeds vanuit die ideologie of overtuiging trachten het algemeen belang te behartigen. Pogingen van een partijbestuur om van parlementariërs bepaalde standpunten of stemgedrag af te dwingen, of om een kamerlid te dwingen zijn zetel op te geven wanneer deze de partijlijn verlaat, zijn echter strijdig met de Grondwet.
Achtergronden

Vertegenwoordiging

Op 10 maart 2016 hield Ernst Hirsch Ballin de Artikel 50 Grondwet-lezing, een lezing die bedoeld is om aandacht te vragen en bewustzijn te bevorderen over de betekenis van artikel 50 van de Grondwet. Klik hier voor de tekst van de lezing, en klik hier voor de reactie van Gert-Jan Segers (Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie).

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Vertegenwoordiging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Vertegenwoordiging

Recente rechtspraak

Vertegenwoordiging

Politiek

Vertegenwoordiging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Vertegenwoordiging

  • Prof. Sandel over de kunst van het democratisch debat
  • Korte Amerikaanse documentaire over representatieve vertegenwoording
Prof. Sandel over de kunst van het democratisch debat
Blogs

Vertegenwoordiging

Student rechtsgeleerdheid Tim de Waard bespreekt de stelling dat het parlement een representatieve afspiegeling moeten zijn van "het volk" in het licht van artikel 50 van de Grondwet. .
In de wereld

Vertegenwoordiging