CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

K.T. Meijer

ARTIKEL 97 - Krijgsmacht

INHOUD
  1. Taakomschrijving van de krijgsmacht
  2. Oppergezag
  3. Literatuur
  4. Historische versies
 
Editie juni 2019[1]

1. Taakomschrijving van de krijgsmacht

Met uitzondering van een algemene bepaling (artikel 44 Gw) over de ministeries zijn in de Grondwet geen aan de regering ondergeschikte diensten genoemd. Slechts één dienst is daar wel vermeld: de krijgsmacht. De krijgsmacht is geconstitueerd in artikel 97[2], waaruit blijkt dat het een instrument van de democratische rechtsstaat betreft.[3] De artikelen 98, 99 en 99a Gw stellen kaders voor haar samenstelling, de artikelen 96 en 100 Gw doen datzelfde voor haar inzet, en artikel 97 beschrijft haar taken en relatie tot de regering.
 
Artikel 97 vormt een samenvoeging van onderdelen van de oude artikelen 97 en 98 van de Grondwet. Deze samenvoeging vond plaats bij de grondwetherziening van 2000. In het voormalige artikel 97 was in het eerste lid de verdedigingsplicht geformuleerd: ‘Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.’ Dit artikel had, naast de in het oude artikel 98 vervatte bepalingen inzake de dienstplicht, naar de heersende opvattingen al enige tijd zijn zelfstandige betekenis verloren. De in het voormalige artikel 97 opgenomen beginselverklaring over de verdedigingsplicht kwam in een wat andere vorm reeds voor in de Grondwet van 1814. Zij wekte, zoals ook bij de grondwetsherziening van 1987 werd opgemerkt,[4] bovendien de onjuiste suggestie dat de beginselverklaring te allen tijde een element van ons verdedigingsstelsel moet zijn, dat in beginsel aan de gehele bevolking verplichtingen tot het verrichten van militaire dienst worden opgelegd.[5]
 
In artikel 97, eerste lid, wordt de taakomschrijving van de krijgsmacht geformuleerd op een wijze die past bij de tegenwoordige internationale verhoudingen. De taakomschrijving van de krijgsmacht is in 2000 geactualiseerd en omvat sindsdien zowel de bescherming van nationale belangen als ook het internationale optreden. Deze omschrijving is drieledig: ten eerste de verdediging en de bescherming van de belangen van het Koninkrijk, ten tweede de handhaving van de internationale rechtsorde en ten derde de bevordering van de internationale rechtsorde.[6] Voorts behoort de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk tot de aangelegenheden van het Koninkrijk, ingevolge artikel 3, eerste lid, sub a, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Sommigen leggen in hun lezing van de taakomschrijving uit artikel 97 meer nadruk op het Koninkrijk, door de verdediging van het Koninkrijk en de bescherming van zijn belangen te noemen als gescheiden taken.[7] Aangezien deze opvatting echter uitgaat van dezelfde elementen lijkt dit verschil niet van groot praktisch belang.
 
Van groter praktisch en principieel belang is het verschil tussen de taak ‘handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde’ en de overige taken. Uit deze bij de grondwetswijziging van 2000 toegevoegde woorden blijkt dat de defensie niet slechts een nationale zaak is. De Nederlandse krijgsmacht moet in toenemende mate gezien worden in het licht van een internationale context. De vermelding van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde brengt tot uitdrukking dat de krijgsmacht op verschillende manieren kan optreden, zoals een optreden bij internationale crisisbeheersing of bij vredesoperaties. Deze taak kan in concrete gevallen betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen ter handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, als bedoeld in de hoofdstukken VI en VII van het Handvest van de Verenigde Naties. Daarnaast dient het Noord­Atlantisch Verdrag te worden genoemd. Op grond van artikel 5 van dit verdrag, dat de basis van de NAVO vormt, wordt een aanval op één of meerdere van de verdragspartijen beschouwd als een aanval op alle partijen. Bij de Grondwetswijziging in 2000 stelde de regering dat deze verdedigingstaak niet in de eerste plaats onder de handhaving van de internationale rechtsorde valt, maar onder de algemene verdedigingstaak.[8]
 
Mede naar aanleiding van de Russische agressie richting Oekraïne, de annexatie van de Krim en de instabiliteit in het Midden-Oosten committeerden de NAVO-lidstaten zich in 2014 aan “het streven naar het laten groeien van defensie-uitgaven richting 2 procent van het bbp in 2024”.[9] De president van de Verenigde Staten Trump heeft op verschillende momenten deze zogenaamde 2 procentnorm verbonden aan de Amerikaanse bereidheid om de Europese lidstaten te verdedigen, in een situatie waarin een beroep wordt gedaan op artikel 5. Hoewel hij later min of meer lieten weten gecommitteerd te zijn aan artikel 5 heeft hij hiermee de trans-Atlantische verhoudingen onder druk gezet.[10] Op de NAVO-Top van 11 en 12 juli 2018 herbevestigden de lidstaten zich aan hun commitment aan de twee procentnorm.[11]
 
Artikel 97 sluit ook aan bij artikel 90 Gw en artikel 100 Gw. Wanneer de inzet van de krijgsmacht de ‘bevordering van de internationale rechtsorde’ dient, dan is er op grond van artikel 100, eerste lid, Gw een verplichting voor de regering om vooraf de Staten­Generaal te informeren. Als het gaat om andere taken van de krijgsmacht bestaat die verplichting niet.[12] Wanneer er beroep wordt gedaan op artikel 5 van het NAVO-verdrag bestaat er dus geen materieel instemmingsrecht van het parlement.[13]
 
In de praktijk bestaat soms echter overlap tussen de verschillende taken.[14] Interne en externe veiligheid liggen namelijk steeds meer in elkaars verlengde, constateerden de Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in hun adviezen over het Defensiebeleid.[15] In gevallen van overlap informeert de regering het parlement zoveel mogelijk conform het zogenaamde Toetsingskader 2009, dat werd opgesteld om handvatten te bieden bij de toepassing van artikel 100 Grondwet.[16] De plaatsing van de patriot­eenheden in Turkije (operatie Anatolian Protector) in 2013 was bijvoorbeeld zo’n geval.[17]
 
Ondanks dat bij de concrete inzet van de krijgsmacht in een bepaald geval sprake kan zijn van een overlap van doelen, is de regering van mening dat het toch steeds mogelijk moet zijn om een verantwoorde keuze te maken voor een doelomschrijving.[18] De regering heeft kennelijk de verwachting dat het in de praktijk wel acceptabele oplossingen zal vinden, maar de principiële vraag naar de wijze waarop de taken van artikel 97 tegen elkaar moeten worden afgewogen blijft hiermee onbeantwoord.[19]
 
Onder de bescherming van de nationale belangen vallen, naast de algemene verdedigingstaak, ook (andere) belangen van het Koninkrijk, zoals de militaire bijstandstaak op grond van artikel 58 e.v. van de Politiewet 2012, de hulpverlening door militairen aan burgers in nood, de bijstandsverlening bij rampenbestrijding, zoals watersnoodrampen en bosbranden, en andere vormen van hulpverlening.
 
Verder is Nederland vanaf 2008 structureel betrokken bij de bescherming van koopvaardijschepen tegen piraterij voor de kust van Somalië. Om de scheepvaart te beschermen maakt de regering gebruik van speciale beveiligingsteams, zogenaamde Vessel Protection Detachments (VDP’s). Zij worden ingezet ter bescherming van transportschepen die varen voor het World Food Program (WPF) en ter bescherming van de koopvaardijschepen die varen onder de vlag van het Koninkrijk. Volgens de regering dienen VPD’s in deze operaties de bescherming van de belangen van het Koninkrijk, conform het eerste lid van artikel 97.[20] Daarnaast gaf de minister aan dat deze bescherming tevens plaatsvindt ‘in het kader van de bestrijding van het universele delict van piraterij, waartoe het internationale recht van de zee staten machtigt’.[21]
 
De grondwettelijke taakomschrijving van de Krijgsmacht is ook leidend voor de inzet van de Krijgsmacht in het digitale domein, dat door het kabinet in 2012 erkend is als vijfde domein van militair optreden (naast land, lucht, zee en space).[22] Analoog aan de bescherming tegen piraterij door VPD’s kunnen cybercapaciteiten bovendien worden ingezet ter bescherming van vitale belangen in het buitenland.[23]

2. Oppergezag

Omdat de doelstellingen in het eerste lid van artikel 97 niet limitatief zijn bedoeld, en de krijgsmacht dus ook mag worden ingezet voor andere doeleinden dan de daar genoemde, is van aanzienlijk gewicht wie vervolgens politieke controle over deze inzet heeft.[24] Het tweede lid van artikel 97 bepaalt dat het alomvattende gezag over de krijgsmacht bij de regering berust. In deze bepaling is de term ‘oppergezag’ gehandhaafd om aan te geven dat niet is beoogd een wijziging te brengen in de bestaande verhoudingen tussen regering en krijgsmacht: de krijgsmacht treedt onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid op. Hierin verschilt de krijgsmacht niet van andere diensten die ondergeschikt zijn aan de regering. Ook brengt deze bepaling geen wijziging in de verhouding tussen regering en Staten­Generaal.
 
Desalniettemin is sinds de Grondwetswijziging van 2000 onduidelijkheid ontstaan over de reikwijdte van het oppergezag. Wat daar precies onder moet worden verstaan werd in 2003 onderwerp van discussie in de Eerste Kamer. Bij de bespreking van een wetsvoorstel rees de vraag of eerder gemaakte afspraken uit het Legerkorpsverdrag met Duitsland over zogenoemde binationale wachteenheden wel in overeenstemming waren met artikel 97, tweede lid.[25] De vraag die voorlag is hoe het oppergezag van de regering over de krijgsmacht zich verhoudt tot de realiteit dat Nederlandse militairen onder bevel kunnen staan van een Duitse bevelhebber.
 
Een ander voorbeeld is de eerder genoemde inzet van VDP’s, die vragen oproept over de rechtsmacht die de regering over hen heeft.[26] In het kader van artikel 97, is de vraag naar de relatie tussen de kapitein van het schip en een VDP het meest pertinent. Als gezagvoerder over het schip heeft de kapitein ook gezag over de VDP. Omdat deze schepen geen oorlogsschepen zijn, doorbreekt dit mogelijk het oppergezag van de regering.
 
De regering heeft het standpunt ingenomen dat oppergezag niet primair in operationele zin moet worden uitgelegd, maar gaat over de beslissing om militaire operaties te beginnen en te eindigen. Vooralsnog is de vraag niet beantwoord of deze betekenis van het oppergezag ook impliceert dat de regering geen instructies in concrete gevallen kan geven aan uitgezonden militairen.[27]
 
Toch kunnen er praktische of operationele redenen bestaan om het oppergezag over te dragen. In toenemende mate zullen militairen of eenheden van de Nederlandse krijgsmacht deel uitmaken van binationale of multinationale operaties. Hierbij kan het van operationeel belang zijn om deze operaties onder het gezag van één buitenlandse bevelvoerder te laten plaatsvinden. Grondwettelijk gezien is dit ook mogelijk op grond van het derde lid van artikel 91. De beide kamers der Staten­Generaal zullen dan de overdracht met een tweederde meerderheid van stemmen moeten goedkeuren.[28]
 
Hoewel het operationele bevel over eenheden van de krijgsmacht in de praktijk steeds vaker ligt bij buitenlandse bevelhebbers, blijft de eindverantwoordelijkheid voor het handelen van deze altijd bij de Nederlandse regering liggen. De regering behoudt immers steeds de mogelijkheid om troepen terug te trekken uit een operatie die onder bevel staat van een buitenlandse of internationale mogendheid.[29]

3. Literatuur

- Adviesraad Internationale Vraagstukken, de toekomst van de NAVO en Internationale Vraagstukken, Den Haag: AIV 2017
­- Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Veiligheid in een wereld van verbindingen, Een strategische visie op het Defensiebeleid, Den Haag: WRR 2017
­- Ducheine en Arnold, Besluitvorming bij Cyberoperaties, in: Militaire Spectator, 2015, jaargang 184, nr. 2 
­- Adviesraad Internationale Vraagstukken, Nederland en crisisbeheersing, drie actuele aspecten (advies van maart 2004, nr. 34), Den Haag: AIV 2004
­- L.F.M. Besselink, ‘Van constitutionele beslissingsmacht tot vermeende politieke zeggenschap: parlementaire betrokkenheid bij de deelname van de Nederlandse krijgsmacht aan internationale operaties’, in: M. van Damme (red.), De Grondwet en het inzetten van de strijdkrachten, Antwerpen: Maklu 2005, p. 137­17
- ­ L.F.M. Besselink, ‘ Geweldsmonopolie, Grondwet en krijgsmacht’, in: R. De Lange (red.), Grondwet , krijgsmacht en oorlog, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007
­- Colijn, Drent, Homan, Rood & Zandee, ‘Krijgsmacht van de toekomst: politiek is nu aan zet’ , Internationale spectator (2013), p. 27
­- De Lange, ‘Inleiding: oorlog, krijgsmacht en Grondwet’ , in: R. De Lange (red.), Grondwet , krijgsmacht en oorlog, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007
­- Ducheine, Hoofdstuk 2 B; Staatsrecht en krijgsmacht, in: P.J.J. van der Kruit, Handboek militair recht. ­ 2e dr. Breda (2009): Nederlandse Defensie Academie
­- M.D. Fink en J.E.D. Voetelink, De status van militaire Vessel Protection Detachments, in: Militair recht, aflevering 2 (2013)
­- Fleuren, Tekst & commentaar, Grondwet voor het koninkrijk der Nederlanden, Deventer 2009: Uitgeverij Kluwer BV
­- Van Herk – van Tilburg & Van WulfftenPalthe (2011), Het A­team op onze koopvaardijschepen? Uit : Handels­ en transportrecht, p. 41­17
­- C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, bewerkt door: P.P.T. Bovend'Eert, J.L.W. Broeksteeg, B.P. Vermeulen, C.N.J. Kortmann. Deventer: Kluwer 2012
­- A. Kristic, De Staten­Generaal en de inzet van de Nederlandse Krijgsmacht: Een onderzoek naar de parlementaire betrokkenheid bij de besluitvorming over deelname aan internationale militaire operaties. Deventer: Kluwer 2012
­- J. Voetelink, (2013), Militair Operationeel Recht, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013

4. Historische versies

Art. 121 Gw. 1814: Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied blijft, overeenkomstig 's Lands oude gewoonte en het grondbeginsel bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle Ingezetenen dezer landen.
Art. 203 Gw. 1815: Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied blijft, overeenkomstig 's lands oude gewoonte, den geest van de pacificatie van Gent, en de grondbeginselen bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen van het Rijk (art. 201 Gw. 1840).
Art. 177 Gw. 1848: Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en tot beveiliging van zijn grondgebied, blijft een der eerste pligten van alle ingezetenen.
Art. 180 Gw. 1887: Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.
Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd (art. 181 Gw. 1922; art. 187 Gw. 1938; art. 194 Gw. 1953).

Noten

  1. De bijdrage is geschreven door K.T. Meijer, op basis van het commentaar bij artikel 97 J. van Schooten­ Van der Meer.uit A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 3e dr. 2000 (alsook de 2e dr. 1992).
  2. Bij de Grondwetsherziening van 1983 had de Eerste Kamer grote bezwaren tegen het herzieningsvoorstel waarin de krijgsmacht niet uitdrukkelijk werd genoemd. Kortmann (2012), p. 196.
  3. Ducheine (2009), Staatsrecht en krijgsmacht, in: Handboek militair recht. ­ 2e dr., p. 43.
  4. Kamerstukken II 1984/ 85, 19 017 (R 1285), p. 7.
  5. Kamerstukken II 1996/ 97, 25 367 (R 1593), nr. 3, p. 2.
  6. Besselink (2007), Geweldsmonopolie, Grondwet en krijgsmacht, in: Grondwet, krijgsmacht en oorlog, p. 86.
  7. Fleuren (2009) Tekst en commentaar Grondwet, Artikel 97. Hofman (2008), Commentaar op artikel 97 Gw, in: Lexplicatie.
  8. Kamerstukken II 1996/ 97, 25 367 (R 1593), nr. 3, p. 3.
  9. De zogenaamde Wales Defence Investment Pledge, Kamerstukken II 2014/ 15, 28 676, nr. 210, p. 4.
  10. Zie: .
  11. Kamerstukken II 2018/ 19, 28676, nr. 302.
  12. Kristic (2012), De Staten­ Generaal en de inzet van de Nederlandse Krijgsmacht, p. 69.
  13. AIV (2017), p. 20. De AIV vraagt aandacht voor deze positie van de Staten-Generaal vanwege de verslechterde veiligheidssituatie, het toenemende beroep dat op de krijgsmacht zal worden gedaan en de noodzakelijke verdieping van de Europese defensiesamenwerking.
  14. Voetelink (2013), Militair Operationeel Recht, p. 14.
  15. AIV (2004), Nederland en crisisbeheersing, p. 35, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Veiligheid in een wereld van verbindingen, Een strategische visie op het Defensiebeleid, p. 19.
  16. Voetelink (2013), Militair Operationeel Recht, p. 13.
  17. Kamerstukken 99/ 00, 26 900, nrs. 1­ 2, Defensienota 2000, p. 41.
  18. Kamerstukken II 2012/ 13, 32 623, nr. 78, p. 1.
  19. AIV (2004), Nederland en crisisbeheersing, p. 35.
  20. Idem, p. 35.
  21. Kamerstukken II 2010/ 11, 32 706, nr. 1.
  22. Kamerstukken II 2012, 333321, nr. 1, Defensie Cyber Strategie, p. 1. Kamerstukken II 2018/ 11, 33 321, nr. 9, Defensie Cyberstrategie 2018, p. 12. Deze strategie vestigt in het bijzonder de aandacht op de aandacht op het handhaven in bevorderen van de internationale rechtsorde.
  23. Ducheine en Arnold (2015), Besluitvorming bij Cyberoperaties, p. 67.
  24. Kamerstukken II 2010/ 11, 32 706, nr. 9.
  25. Besselink (2008), Grondwet, Krijgsmacht en oorlog, p. 94.
  26. Besselink (2008), Grondwet, Krijgsmacht en oorlog, p.107. EK 2002­ 2003, (27624, R1677) nr.207a, p.1. Trb. 1998, 117, Legerkorpsverdrag, het gaat om artikel 10 van het verdrag. Op 19 maart 2019 heeft de Eerste Kamer overigens het wetsvoorstel Wet Ter Bescherming Koopvaardij aangenomen, dat ook private maritieme beveiliging van Koopvaardijschepen mogelijk maakt wanneer er geen militaire bescherming door Vessel Protection Detachement mogelijk is, Kamerstukken II 2019/ 11, 34.558.
  27. Fink en Voetelink (2013), De status van militaire Vessel Protection Detachments, p. 41. Voetelink, (2013), Militair Operationeel Recht, p. 152.
  28. De Lange (2008), Inleiding: oorlog, krijgsmacht en Grondwet, p. 14.
  29. Besselink (2008), Grondwet, Krijgsmacht en oorlog, p. 123. In de afgelopen jaren zijn er, met betrokkenheid van Nederland, diverse initiatieven genomen om de Europese Defensiesamenwerking te verdiepen. Het gaat bijvoorbeeld om de Permanente Gestructureerde Samenwerking op Defensie en Veiligheidsgebied (PESCO) Kamerstukken II 2017/21 501-02, nr. 1791, het Europees Defensiefonds (EDF) Kamerstuk 22 112, nr. 2676, en de Europese interventie initiatief (E12), Kamerstukken II 21501-20, nr. S. Het is niet ondenkbaar dat in dit verband de onduidelijkheid over de reikwijdte van het oppergezag opnieuw voorwerp van parlementair debat wordt.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    K.T. Meijer, Commentaar op artikel 97 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Krijgsmacht

De krijgsmacht kan worden ingezet om de belangen van het koninkrijk te verdedigen en beschermen en om de internationale rechtsorde te bevorderen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is gaandeweg steeds meer nadruk op de internationale rol van de krijgsmacht komen te liggen. Onderdelen van de krijgsmacht worden regelmatig in verschillende gebieden in de wereld ingezet om bescherming te bieden tegen schendingen van de internationale rechtsorde: de zogenoemde vredesoperaties. Gewoonlijk heeft de Nederlandse krijgsmacht daarbij geen volledig zelfstandige rol, maar opereert zij in samenwerking met krijgsmachtonderdelen van andere landen.
 
Onder ‘verdediging en bescherming’ valt natuurlijk de landsverdediging, maar ook zaken als de inzet van de krijgsmacht bij de bestrijding van rampen, de hulpverlening aan burgers in nood en het optreden bij ernstige verstoringen van de openbare orde.
 
De regering heeft het opperbevel over de krijgsmacht; dat houdt in dat de betreffende minister altijd de verantwoordelijkheid draagt voor de inzet van de krijgsmacht, zowel binnen als buiten het Koninkrijk der Nederlanden, en dat deze daarop kan worden aangesproken door de Staten-Generaal. De krijgsmacht vormt geen autonome macht binnen de staat, maar valt volledig onder het gezag van het hoogste bestuursorgaan in ons land.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Krijgsmacht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Krijgsmacht

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Krijgsmacht

  • Wynia over hervorming krijgsmacht
Wynia over hervorming krijgsmacht
Blogs

Krijgsmacht

In de wereld

Krijgsmacht