CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.M.H. Hirsch Ballin

ARTIKEL 96 - Oorlogsverklaring

INHOUD
  1. Inleiding
  2. De oorlog in het internationale recht
  3. Collectieve zelfverdediging
  4. Democratische betekenis
  5. Conclusie
  6. Literatuur
  7. Historische versies   
 

Editie december 2015

1 Inleiding

Deze bepaling heeft een lange geschiedenis, waarin het steeds draaide om parlementaire betrokkenheid bij het deelnemen aan een oorlog. In de grondwetten van de Bataafse Republiek (1798, 1801, 1805) en van het Koninkrijk Holland (1806) was instemming van de volksvertegenwoordiging voor een oorlogsverklaring vereist. De grondwetten van 1814 en 1815 brachten dit terug tot een verplichting de Staten-Generaal te informeren, zoals thans bij militair optreden ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde het geval is (zie artikel 100 met het commentaar daarop). Dat paste bij de autocratische ambities van de nieuwe vorst en de door hem nagestreefde positie te midden van de Europese vorsten: “De Souvereine Vorst verklaart Oorlog en maakt Vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de Staten Generaal”, aldus artikel 37 van de Grondwet van 1814. Bij de grondwetsherziening van 1922 (artikel 57, tweede volzin) werd het vereiste van voorafgaande parlementaire instemming hersteld. Volgens Duynstee was dit een uitvloeisel van de “democratisering van het buitenlandse beleid”.[1]
 
Naast de ontwikkeling van de parlementaire betrokkenheid is er – deels in samenhang daarmee – een andere historische lijn die de constitutionele rechtsontwikkeling op dit punt kleur geeft, namelijk de veranderde houding ten opzichte van militair geweld in de internationale betrekkingen. Veelbetekenend is de formulering van de eerste zin van het in 1922 – dat wil zeggen na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog – gewijzigde artikel 57. Daarin werd de vreedzame beslechting van geschillen vooropgesteld: “De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen.” In deze bepaling is de belangrijke rol te herkennen die Nederland, onder meer in de persoon van Tobias Asser (ontvanger van de Nobelprijs voor de vrede in 1911), sinds het einde van de 19de eeuw had gespeeld in de ontwikkeling van structuren voor vreedzame internationale betrekkingen. Dat die pogingen de Eerste Wereldoorlog niet hebben verhinderd, gaf destijds aanleiding om des te harder te werken aan de institutionele verankering. Dit geschiedde onder meer door de oprichting, eveneens in 1922, van het Permanente Hof van Internationale Justitie (thans het Internationale Gerechtshof), gevestigd in Den Haag met een Nederlander als eerste president.
 
Bij de grondwetsherziening van 1953 moest de krachtige openingszin van dit artikel plaatsmaken voor de bredere, maar vagere bepaling die nu in artikel 90 is neergelegd. Wat bleef, is het vereiste van parlementair consent voor een oorlogsverklaring. De praktische betekenis ervan is echter steeds kleiner geworden nu, in elk geval sinds de totstandkoming van het Handvest van de Verenigde Naties, een absoluut verbod van aanvalsoorlogen geldt, zelfs indien pogingen tot vreedzame geschillenbeslechting zijn mislukt. Voor collectieve zelfverdediging is geen oorlogsverklaring vereist omdat de deelneming aan die door anderen begonnen oorlog verplicht is uit hoofde van verdragen (zie hieronder sub 2). In het spraakgebruik heeft het woord oorlog echter een ruimere betekenis. Ook deelneming aan internationaal gelegitimeerd ander militair optreden wordt vaak als deelneming aan een “oorlog” omschreven, maar valt buiten de constitutionele termen van artikel 96. In zulke gevallen is artikel 100 van toepassing. Tijdens een persconferentie op 14 november 2015 zei minister-president Rutte : “ISIS is onze vijand, daarmee zijn we in oorlog. We zijn niet in oorlog met een geloof of de islam.”[2] Ook daar werd de term “oorlog” kennelijk niet in de constitutionele zin gebruikt.

2 De oorlog in het internationale recht

Het Handvest van de Verenigde Naties heeft in 1945 een eenduidig verbod van aanvalsoorlog (artikel 2 onder 4) verbonden met de taak van de Veiligheidsraad om op te treden in geval bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie (hoofdstuk VII) – zo nodig met militaire middelen (artikel 47) – en erkenning van het recht op individuele of collectieve zelfverdediging (artikel 51). Een dergelijk verbod was ook al neergelegd in het verdrag van Parijs van 27 augustus 1928, bekend als het Briand-Kellogg-Pact, dat na de Tweede Wereldoorlog tot de grondslagen voor de berechting van oorlogsmisdrijven in Neurenberg behoorde en nog steeds van kracht is, ook voor het Koninkrijk der Nederlanden.
 
Oorlogsvoering (“warfare”) heeft deels plaats gemaakt voor internationale pressie- en dwangmiddelen van juridische aard (“lawfare”).[3] Bovendien is de grens tussen (verboden) oorlogsvoering en toegelaten vormen van militair geweld minder duidelijk dan de bepalingen van het Handvest doen vermoeden. De naoorlogse geschiedenis heeft talrijke situaties laten zien waarin vermeden werd een – soms grootschalige - militaire actie als oorlog te omschrijven, zonder dat deze door het Handvest van de Verenigde Naties eenduidig werd gelegitimeerd.[4]  
 
In artikel 5 van het Statuut van het Internationaal Strafhof (Rome, 17 juli 1998) is “het misdrijf agressie” onder de rechtsmacht van dit hof gebracht. Het tweede lid schort  echter de uitoefening van rechtsmacht op tot het moment waarop een definitie en voorwaarden voor de uitoefening van rechtsmacht aan het verdrag zijn toegevoegd. Daartoe is het Statuut op 11 juni 2010 tijdens de herzieningsconferentie in Kampala geamendeerd (Trb. 2111, 73). Het Koninkrijk der Nederlanden heeft deze wijzigingen nog niet bekrachtigd. Eind 2015 waren het voorstel van rijkswet voor goedkeuring (33865, R2024) en het voorstel van wet ter uitvoering daarvan (33866) nog in procedure bij de Eerste Kamer.
 
Onder meer bij de Verenigde Staten maar ook bij een deel van het Nederlandse parlement leeft de vrees dat de vaagheid van de strafbaarstelling van agressie een “chilling” effect zou hebben op legitiem gebruik van geweld.[5] Men hoeft hierbij niet alleen te denken aan de inval in Irak in 2003, waarvan de volkenrechtelijke legitimiteit in Nederland door een onderzoekscommissie negatief is beoordeeld.[6] De restrictieve definitie (“an act of aggression which, by its character, gravity and scale, constitute a  manifest violation of the Charter of the United Nations”) en de bijzondere procedure om te bepalen of zich zo’n situatie voordoet, zijn bedoeld om dit soort zorgen te voorkomen.

3 Collectieve zelfverdediging

Artikel 96 heeft in 1953 een declaratoire betekenis gekregen. Collectieve zelfverdediging valt, zoals vermeld, niet onder het geweldsverbod van het Handvest van de Verenigde Naties, “totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen”, aldus artikel 51. Reeds bij de grondwetsherziening van 1953 werd het standpunt ingenomen dat voorafgaande toestemming van het parlement in geval van een verdedigingsoorlog niet vereist is. Deze collectieve zelfverdediging wordt evenmin beschouwd als militair optreden in  de zin  van artikel 100 van de Grondwet.[7] In het kader van de nakoming van een bijstandsverplichting is het eisen van zo’n parlementair besluit ook moeilijk houdbaar, vermits het parlement niet kan afdoen aan de op het Koninkrijk rustende verdragsverplichtingen.[8] Dit betekent overigens niet dat er van een automatisme sprake is. Evenmin is een oorlogsverklaring nodig om een uitzonderingstoestand  in de zin van artikel 103 Gw af te kondigen.  De bijstandsclausule van artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949 (waarin expliciet naar artikel 51 van het VN-Handvest wordt verwezen) bevat geen verplichting zonder nader beraad de aangevallen staat bij te staan.[9] Na de aanvallen op de VS op 9 september 2001 werd aan deze bepaling toepassing gegeven.[10]
 
Van een  dergelijke verplichting lijkt wel het geval te zijn bij artikel 42, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat in de plaats is getreden van de bijstandsclausules van de West-Europese Unie. Hoewel het Bundesverfassungsgericht op dit punt enige twijfel heeft gezaaid, wijst niets erop dat lidstaten zich aan de verplichting tot bijstand zouden mogen onttrekken, behalve voor zover het bijzondere karakter van hun nationale defensiebeleid dat zou vereisen; daarmee wordt gedoeld op de neutraliteit die enkele lidstaten die geen NAVO-lid zijn, zich bij toetreding hebben voorbehouden. Een uitzondering vormt echter Denemarken, dat zich in Protocol 22 bij het VEU van een uitzonderingspositie voor het Gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid heeft verzekerd.[11]
 
In artikel 42, zevende lid,  wordt niet gesproken van een “armed attack”, zoals in artikel 51 VN-Handvest, maar van “armed aggression”, hetgeen op een ruimer toepassingsbereik lijkt te duiden De Franse tekst gebruikt echter dezelfde term, namelijk “agression armée”, wat volgens het grote commentaar van Blank en Mangiameli in samenhang met andere argumenten erop duidt dat geen verschil in betekenis moet worden aangenomen.[12]

4 Democratische betekenis

Democratische constitutionele stelsels, waaronder die van Frankrijk en de Verenigde Staten, kennen een vereiste van Parlementaire toestemming voor oorlogsverklaring, niet echter dat van het Verenigd Koninkrijk.[13] Voor het Koninkrijk der Nederlanden beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal hierover in verenigde vergadering, aldus artikel 96, derde lid. Het gaat hier om een Koninkrijksaangelegenheid in de zin van artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (“de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk” en “de buitenlandse betrekkingen”). Dat is de reden waarom de betreffende grondwetsbepalingen bij rijkswet worden vastgesteld en herzien.
 
De Staten-Generaal treden hier dus op als parlement van het Koninkrijk. De goedkeuring in de zin van artikel 96 is geen daad van wetgeving, maar analoog aan de procedure voor rijkswetten zou het passend en juist zijn geweest aan de parlementen van de andere landen van het Koninkrijk op dezelfde wijze als in de wetgevingsprocedure inzake rijkswetten een bevoegdheid toe te kennen hun zienswijze kenbaar te maken en desgewenst met bijzondere gedelegeerden aan de beraadslaging deel te nemen. Blijkbaar is dit over het hoofd gezien toen de betreffende grondwetsbepalingen na de totstandkoming van het Statuut werden herzien.

5 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat artikel 96 binnen de context van het geldende internationale recht geen betekenis meer heeft. Verplicht militair optreden kan voortkomen uit bondgenootschappen, niet-verplicht optreden (zoals medewerking aan de uitvoering van besluiten van de Veiligheidsraad) valt thans onder artikel 100. Daardoor heeft ook het vierde lid (over de verklaring dat een oorlog beëindigd is) zijn belang verloren.

6 Literatuur

- F.J.F.M. Duynstee, De grondwetsherziening 1953: De nieuwe bepalingen omtrent de buitenlandse betrekkingen in de Grondwet. Deventer: Kluwer 1954.
- Yasuop Hasebe, ‘War powers’, in: Michel Rosenfeld & András Sajó, Comparative Constitutional Law. Oxford / New York: Oxford University Press 2012, pp.463-480.
- David Kennedy, ‘Lawfare and warfare’, in: J. Crawford & M. Koskenniemi (eds.), the Cambridge Companion to International Law. Cambridge / New York: Cambridge University Press 2012, pp. 158-183.

7 Historische versies   

Eerste lid:
Art. 37 Gw 1814: De Souvereine Vorst verklaart Oorlog en maakt Vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de Staten Generaal.
Art. 57 Gw 1815: De Koning verklaart oorlog, en maakt vrede; Hij geeft daarvan kennis aan de beide kamers der Staten‑Generaal, met bijvoeging van alle de openingen, welke Hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar oordeelt (art. 56 Gw 1840).
Art. 56 Gw 1848: De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten‑Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar acht (art. 58 Gw 1887, behoudens dat de woorden `en de zekerheid' worden weggelaten en in plaats van `het Rijk' gelezen wordt `den Staat').
Art. 57 Gw 1922: De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen. Hij verklaart geen oorlog dan na voorafgaande toestemming van de Staten‑Generaal (art. 59 Gw 1938).
Art. 59, eerste lid, eerste volzin, Gw 1953: De Koning verklaart het Koninkrijk niet in oorlog met een andere Mogendheid dan na voorafgaande toestemming van de Staten‑Generaal.
 
Tweede lid:
Art. 59, eerste lid, tweede volzin, Gw 1953: De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten‑Generaal, tengevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand, niet mogelijk is gebleken.
 
Derde lid:
Art. 59, tweede lid, Gw 1953: De Staten‑Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
 
Vierde lid:
Art. 59, derde lid, Gw 1953: De Koning verklaart een oorlog tussen het Koninkrijk en een andere Mogendheid niet beëindigd dan na voorafgaande toestemming van de Staten‑Generaal.
 

Noten

  1. F.J.F.M. Duynstee, De grondwetsherziening 1953: De nieuwe bepalingen omtrent de buitenlandse betrekkingen in de Grondwet. Deventer: Kluwer1954, ad artikel 59 (3).
  2. http://nos.nl/artikel/2069063-rutte-we-zijn-in-oorlog-met-is.html, geraadpleegd op 19 december 2015.
  3. D. Kennedy, “Lawfare and warfare’, p. 160.
  4. Kennedy, ib. p. 165.
  5. H.H. Koh & T.F. Buchwald, ‘The Crime of Aggression: The United States Perspective’, p. 272, in American Journal of International Law 109-2 (2015), pp. 257-295.
  6. Commissie van onderzoek besluitvorming Irak onder voorzitterschap van mr. W.J.M. Davids, Kamerstukken II 2009-2010, 31 847 nr. 14, bijlage, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2010/01/12/rapport-commissie-davids
  7. A. Kristić, De Staten-Generaal en de inzet van de Nederlandse krijgsmacht. Een onderzoek naar de parlementaire betrokkenheid bij de besluitvorming over deelname aan internationale militaire operaties (diss. Tilburg University), Deventer: Kluwer 2012, p., 71.
  8. Duynstee, ib. p. 23.
  9. Duynstee, ib., p. 10-11.
  10. Zie hun brief van 9 november 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 27925, nr. 24, p. 1) schreven de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, in vervolg op hun brief van 9 oktober (27925, nr. 11): “De terroristische aanslagen in de Verenigde Staten van 11 september jl. worden door de internationale gemeenschap beschouwd als een gewapende aanval waartegen, mede gelet op artikel 51 van het VN-Handvest, de VS het recht op zelfverdediging toekomt. De Veiligheidsraad heeft dat uitgangspunt bevestigd in zijn resolutie 1368. Ook het besluit van de Noord-Atlantische Raad van 12 september jl. om artikel 5 van het Verdrag van Washington van toepassing te verklaren, vloeit voort uit datzelfde uitgangspunt. Aansluitend heeft ook Nederland ingestemd met een achttal maatregelen die volgden uit de operationalisering van artikel 5 van het Navo-Verdrag.”
  11. D. Thym in H.-J. Blanke & S. Mangiameli (eds.), The Treaty on European Union, A Commentary, Heidelberg / NBew York / Dordrecht / London 2013, pp. 1228-1229.
  12. D. Thym, ib. pp. 1224-1225.
  13. Yasuop Hasebe, ‘War powers’, in: Michel Rosenfeld & András Sajó, Comparative Constitutional Law. Oxford / New York: Oxford University Press 2012, pp.463-480.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.M.H. Hirsch Ballin, Commentaar op artikel 96 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Oorlogsverklaring

Oorlog voeren is alleen nog mogelijk wanneer het Koninkrijk der Nederlanden wordt aangevallen door een andere mogendheid: een oorlog uit zelfverdediging. Actief een ander land de oorlog verklaren is in het Handvest van de Verenigde Naties, waaraan ook het Koninkrijk is gebonden, onrechtmatig verklaard. Artikel 96 Grondwet heeft daarom betrekking op de vaststelling dat het Koninkrijk in oorlog is, na te zijn aangevallen door een ander land.
 
Het begrip ‘oorlog’ heeft daarbij een beperkte reikwijdte. Nederlandse militairen nemen op vele plaatsen in de wereld deel aan operaties in het verband van de Verenigde Naties of de NAVO. Deze zijn bijvoorbeeld gericht op vredeshandhaving in door oorlog getroffen gebieden in de wereld, op de bestrijding van internationaal terrorisme, de opleiding van politiebeambten of de beveiliging van scheepskonvooien. Daarbij worden soms gevechtshandelingen verricht die nauwelijks van oorlogvoering zijn te onderscheiden, maar die handelingen vallen niet onder artikel 96 Grondwet. Artikel 100 regelt de parlementaire betrokkenheid bij dergelijke vormen van inzet van de strijdkrachten.
 
De voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal heeft in de praktijk weinig betekenis. Wanneer het Koninkrijk feitelijk in oorlog zou zijn, door een aanval van een ander land, heeft parlementaire toestemming voor de formele vaststelling van die oorlogstoestand immers niet zoveel toegevoegde waarde.publicatie van de tekst van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties in het Tractatenblad.
Achtergronden

Oorlogsverklaring

Lees hier het proefschrift van Anamarija Kristić over de inzet van de krijgsmacht en de Staten-Generaal. 

Het rapport van de Commmissie Davids, over de besluitvorming over de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak. 

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Oorlogsverklaring

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Oorlogsverklaring

Recente rechtspraak

Oorlogsverklaring

Politiek

Oorlogsverklaring

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Oorlogsverklaring

  • NIEUWE FILM
  • Persconferentie premier Balkenende over commissie-Davids
  • Belangrijkste conclusies commissie-Davids
  • NIEUWE FILM
  • NIEUWE FILM
  • Constitutioneel betoog van Hans van Mierlo over inval Irak bij Pauw en Witteman
NIEUWE FILM
Blogs

Oorlogsverklaring

In de wereld

Oorlogsverklaring