CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W.J.M. Voermans

ARTIKEL 87 - Aanneming en bekrachtiging

INHOUD
1.De bekrachtiging
2. Literatuur
3. Historische versies

Editie december 2015

1. De bekrachtiging

Na de aanvaarding van een wetsvoorstel door de Eerste Kamer is het materiële deel van de vaststelling van een wet afgerond. Om werkelijk de kracht van wet te verkrijgen, dienen er nog wel enkele formele handelingen verricht te worden. Artikel 87, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat, nadat een voorstel van wet door de beide Kamers van de Staten-Generaal is aangenomen, een wet bekrachtigd dient te worden door de Koning. Die bekrachtiging vindt plaats nadat het wetsvoorstel door het gehele parlement is behandeld. Tijdens de behandeling kunnen er namelijk allerlei wijzigingen in het oorspronkelijke door de Koning ingediende voorstel zijn aangebracht. Verder bepaalt artikel 47 van de Grondwet dat alle wetten en koninklijke besluiten door de Koning en een of meer ministers of staatssecretarissen moeten worden ondertekend. In de wetsprocedure is er sprake van een ‘wet’ nadat een voorstel ook daadwerkelijk is aangenomen door de Eerste Kamer en ondertekend door de Koning en een of meer ministers of staatssecretarissen.
 
De voorzitter van de Eerste Kamer biedt een aangenomen wetsvoorstel daarom  ter bekrachtiging aan de Koning aan. Het originele exemplaar van het voorstel wordt vervolgens door de Koning en de verantwoordelijke bewindslieden getekend. Dit gebeurt door op het originele exemplaar van het wetsvoorstel – links bovenaan op de laatste pagina van het wetsvoorstel – de (handgeschreven) zinsnede op te nemen:[1] ‘De Koning bewilligt in het voorstel’, met daaronder de handtekeningen van het staatshoofd. In het zeldzame geval dat de regering zich niet kan vinden in het uiteindelijke door de Kamers aangenomen wetsvoorstel, wordt de weigering tot bekrachtiging op het originele exemplaar van het wetsvoorstel aangegeven met: ‘De Koning houdt het voorstel in overweging.’ Van de bekrachtiging of het onthouden daarvan blijkt niet als zodanig naar buiten (wordt niet actief gepubliceerd).
 
Na de bekrachtiging voorziet de Koning het wetsvoorstel nog van een tweede handtekening. Ditmaal betreft het de handtekening onder het slotformulier van de wet. In dat slotformulier is een  plechtig bevel tot afkondiging opgenomen, het zogenaamde dubbelbevel, waarin onder andere plaatsing van de wet in het Staatsblad wordt gelast (ingeluid met de standaardzin: ‘Lasten en bevelen…’). De beide handelingen, bekrachtiging en het bevel tot afkondiging van de wet, geschieden onder ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom moeten beide handtekeningen van de Koning ook worden voorzien van een contraseign. Daartoe wordt het door de Koning dubbel ondertekende exemplaar van het wetsvoorstel door het Kabinet der Koning aan de verantwoordelijke minister(s) toegezonden.[2] Ook de contrasignerende bewindslieden tekenen tweemaal, eenmaal voor de koninklijke bekrachtiging en eenmaal voor het koninklijke afkondigingsbevel. Het voorstel heeft daarmee kracht van wet gekregen.
 
Vervolgens draagt de Minister van Justitie  zorg voor de plaatsing van de wet in het Staatsblad.[3] De datum waarop een wet wordt bekendgemaakt in het Staatsblad kan van belang zijn in verband met het tijdstip van inwerkingtreding van een wet.[4]
 
Die inwerkingtreding van een wet kan tegenwoordig worden opgeschort door de werking van de Wet raadgevend referendum (Wrr) uit 2015 (zie ook het commentaar bij artikel 81 Gw). Die wet bepaalt dat op het moment dat een wetsvoorstel is bekrachtigd, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenspraak met de minister(s) of staatssecretaris(sen) die verantwoordelijk is/zijn voor de wet zich buigt over de vraag of, in het licht van de uitzonderingen genoemd in artikel 5 van de Wrr, een referendum over het bekrachtigde wetsvoorstel kan worden gehouden (artikel 6 Wrr). Doet geen van de uitzonderingen zich voor dan moet daarvan mededeling worden gedaan in de Staatscourant. Op die mededeling begint de klok voor de referendumperiode te lopen. Binnen vier weken te rekenen vanaf die mededeling kan er een inleidend verzoek tot referendum worden gedaan. Daarom kan het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of onderdeel van een wet, waarover een referendum kan worden gehouden, tegenwoordig niet eerder worden gesteld dan acht weken na de mededeling van referendabiliteit van de wet in de Staatscourant (artikel 8 Wrr).
 

2 Literatuur

- Borman, T.C., De wetgevingsprocedure bij de centrale overheid (hoofdstuk 7), in: Zijlstra, S.E. (red.), Wetgeven; handboek voor de centrale en decentrale overheid, Kluwer: Deventer 2012
 

3 Historische versies

Eerste lid:
Art. 119 Gw 1815: Alle voorstellen van wet, door den Koning en de beide kamers der Staten‑Generaal aangenomen, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd (art. 120 Gw 1840; art. 115, eerste lid, Gw 1848).
Art. 121, eerste lid, Gw 1887: Alle voorstellen van wet, door de Staten‑Generaal aangenomen en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd (art. 122, eerste lid, Gw 1922; art. 124, eerste lid, Gw 1938; art. 131, eerste lid, Gw 1953).
 
Tweede lid:
Art. 46, tweede en derde lid, Gw 1814: De goedkeuring wordt op deze wijze uitgedrukt: `De Souvereine Vorst bewilligt in het voorstel.'
Ingevalle Hij meent het voorstel niet te kunnen goedkeuren, wordt zulks in dezer voege te kennen gegeven:
`De Souvereine Vorst houdt het gedaan voorstel in overweging.'
Art. 68, derde lid, Gw 1814: Wanneer eenig voorstel niet mogt worden aangenomen, wordt daarvan bij het volgende formulier aan den Souvereinen Vorst kennis gegeven:
`De Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden betuigen den Souvereinen Vorst hunnen dank voor Deszelfs ijver in het bevorderen van 's Lands belangen, doch verzoeken Denzelven eerbiediglijk het ontwerp van het gedane voorstel in nadere overweging te willen nemen.'
Art. 110 Gw 1815: Zoo de tweede kamer vermeent het gedane voorstel niet te moeten aannemen, geeft zij daarvan kennis aan den Koning, in de volgende bewoordingen:
`De Tweede Kamer van de Staten‑Generaal betuigt den Koning haren dank voor deszelfs ijver in het bevorderen van 's Rijks belangen, en verzoekt denzelven eerbiediglijk het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.' (art. 111 Gw 1840)
Art. 111, tweede lid, Gw 1815: Zoo zij, na geraadpleegd te hebben over het algemeen verslag uit naam der onderscheidene afdeelingen uitgebragt, het voorstel aanneemt, geeft zij daarvan kennis aan den Koning, in de volgende bewoordingen:
`De Staten‑Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor deszelfs ijver in het bevorderen van 's Rijks belangen, en vereenigen zich met het voorstel'; (...) (art. 112 Gw 1840).
Art. 112, eerste lid, Gw 1815: Zoo de eerste kamer vermeent het voorstel niet te moeten aannemen, drukt zij zich op dezelfde wijze uit, als in art. 110 (art. 113, eerste volzin, Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `art. 110' wordt gelezen `art. 111').
Art. 116, eerste lid, Gw 1815: Wanneer de eerste kamer, na daarover op de gewone wijze geraadpleegd te hebben, het voorstel goedkeurt, zendt zij hetzelve ter bekrachtiging aan den Koning in dezer voege:
`De Staten‑Generaal oordeelende, dat het nevensgaande voorstel tot bevordering van 's lands belangen zoude kunnen strekken, verzoeken eerbiediglijk des Konings bewilliging op hetzelve.' (art. 117, eerste lid, Gw 1840)
Art. 118 Gw 1815: Wanneer de Koning het voorstel van de Staten‑Generaal aanneemt, wordt zulks in de volgende bewoordingen uitgedrukt:
`De Koning bewilligt in het voorstel'.
Zoo de Koning het niet niet aanneemt, wordt zulks op deze wijze te kennen gegeven: `De Koning houdt het voorstel in overweging' (art. 119 Gw 1840).
Art. 108, tweede lid, Gw 1848: Wanneer de Tweede Kamer tot het niet‑aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:
`De Tweede Kamer der Staten‑Generaal betuigt den Koning haren dank voor zijnen ijver in het bevorderen van 's Rijks belangen en verzoekt hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.'
Art. 109, tweede en derde lid, Gw 1848: Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning (...) met de volgende formulieren:
`Aan den Koning.
`De Staten‑Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor zijnen ijver in het bevorderen van 's Rijks belangen, en vereenigen zich met het voorstel, zoo als het daar ligt.'
(...)
Wanneer de Eerste Kamer tot niet‑aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning (...) met de volgende formulieren:
`Aan den Koning.
`De Eerste Kamer der Staten‑Generaal betuigt den Koning haren dank voor zijnen ijver in het bevorderen van 's Rijks belangen, en verzoekt hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.'
(...)
Art. 112, eerste lid, Gw 1848: Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier:
`De Staten‑Generaal, oordeelende dat het nevensgaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van 's Rijks belangen, verzoeken eerbiedig daarop 's Konings bewilliging.'
Art. 114 Gw 1848: De Koning doet de Staten‑Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:
`De Koning bewilligt in het voorstel.'
of:
`De Koning houdt het voorstel in overweging.'(art. 120 Gw 1922; art. 121 Gw 1922; art. 123 Gw 1938; art. 130 Gw 1953)
Art. 113, tweede lid, Gw 1887: Wanneer de Tweede Kamer tot het niet‑aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:
`De Tweede Kamer der Staten‑Generaal betuigt den Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.' (art. 114, tweede lid, Gw 1922; art. 116, tweede lid, Gw 1938; art. 123, tweede lid, Gw 1953)
Art. 114, tweede en derde lid, Gw 1887: Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning (...) met de volgende formulieren:
`Aan den Koning.
`De Staten‑Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat en vereenigen zich met het voorstel zooals het daar ligt.'
(...)
Wanneer de Eerste Kamer tot niet‑aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning (...) met de volgende formulieren:
`Aan den Koning.
`De Eerste Kamer der Staten‑Generaal betuigt den Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat, en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.' (...) (art. 115, tweede en derde lid, Gw 1922; art. 117, tweede en derde lid, Gw 1938; art. 124, tweede en derde lid, Gw 1953)
Art. 118, eerste lid, Gw 1887: Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier:
`De Staten‑Generaal, oordeelende dat het nevensgaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van de belangen van den Staat, verzoeken eerbiedig daarop 's Konings bewilliging.' (art. 119, eerste lid, Gw 1922; art. 121, eerste lid, Gw 1938; art. 128, eerste lid, Gw 1953)
 

Noten

  1. Handgeschreven. Zie Borman 2012, p. 334.
  2. Er is ook een school van staatsrechtwetenschappers die van opvatting is dat de twee koninklijke handtekeningen het gevolg zijn van de opdracht die artikel 47 Gw geeft dat alle wetten en koninklijke besluiten worden ondertekend door de Koning en een of meer ministers of staatssecretarissen. Zie Borman 2012, p. 335 en de daar in noot 181 genoemde literatuur. Daar is misschien wat voor te zeggen, maar voor wie het verder doordenkt, rijst de vraag waarom art. 47 Gw eigenlijk tot een dubbele ondertekening van een wetsvoorstel zou nopen? Het leidt juridisch ook tot een vreemde situatie. Ondertekening bij de bewilligingszinsnede én aan het einde van de wet is eigenlijk dubbelop: een soort dubbele bekrachtiging. En dát kan niet. De bekrachtigingshandeling als juridische handeling heeft een eenmalig rechtsgevolg: een door bekrachtiging tot wet verheven wetsvoorstel. Je kunt nu eenmaal niet eenzelfde besluit tot tweemaal toe bekrachtigen en tot wet verheffen. Wetten in het kwadraat kennen we n
  3. Artikel 2 Bekendmakingswet.
  4. Zie artikel 7 Bekendmakingswet.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W.J.M. Voermans, Commentaar op artikel 87 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Aanneming en bekrachtiging

Bij wetsvoorstellen die door de regering zijn ingediend is de bekrachtiging na aanneming in de Eerste Kamer een formaliteit; alleen bij initiatiefvoorstellen vindt in dat stadium nog een eigen afweging door de regering plaats. De bekrachtiging blijkt uit de bewilliging die op het wetsvoorstel wordt vermeld en door de Koning wordt ondertekend, met daarnaast de handtekening – het contraseign – van een of meer ministers of staatssecretarissen. Vervolgens plaatst de Koning zijn handtekening onder de wet, onder de vermelding van de plaats en datum van die ondertekening (bijvoorbeeld ‘Gegeven de 17de februari 2014 te ’s-Gravenhage,’), wederom met contraseign van de betrokken bewindslieden.
 
De regering zou de bekrachtiging van een initiatiefwetsvoorstel dat tegen haar zin door de beide kamers wordt aangenomen, kunnen weigeren. In de praktijk zal het kabinet, vanwege zijn afhankelijkheid van een politieke meerderheid in de Tweede Kamer, niet snel op deze manier de confrontatie met de volksvertegenwoordiging zoeken. Het kabinet zou een stevig conflict met de Staten-Generaal en mogelijk zelfs de val van het kabinet riskeren wanneer het de wens van de meerderheid van de beide kamers zou afwijzen.
 
De Koning behoort zijn handtekening in elk geval niet uit eigen beweging te weigeren: hij heeft geen politieke rol bij de totstandkoming van wetgeving en moet als staatshoofd de uitkomst van het wetgevingsproces respecteren. Een weigering van de Koning om een wet te bekrachtigen die de Staten-Generaal en de ministers tot stand willen brengen, zou een ernstige constitutionele crisis teweegbrengen. Zo’n crisis zou alleen kunnen worden opgelost door troonsafstand.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Aanneming en bekrachtiging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Aanneming en bekrachtiging

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Aanneming en bekrachtiging

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Aanneming en bekrachtiging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Aanneming en bekrachtiging

In de wereld

Aanneming en bekrachtiging