CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Inlichtingenplicht van bewindspersonen
  3. Inhoud en reikwijdte van de inlichtingenplicht
  4. Strijd met het belang van de staat
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Editie februari 2016

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis[1]

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd voor de eerste keer een voorschrift opgenomen over de inlichtingenplicht van bewindslieden aan het parlement. In de periode voor 1848 was het geven van inlichtingen aan het parlement voorbehouden aan de Koning, die dat per koninklijk besluit deed. In (koninklijke) besluiten van 1820 en 1830 werden regelingen getroffen met betrekking tot het doen van mededelingen over wetsontwerpen aan de beide Kamers der Staten-Generaal. In een besluit van 17 maart 1841 werd hoofden van departementen opgedragen inlichtingen te verstrekken die door de beide Kamers noodzakelijk werden geacht voor het onderzoek van de geloofsbrieven van nieuwe leden. Pas in 1848 werd de algemene inlichtingenplicht grondwettelijk verankerd. Het huidige artikel 68 is een uitvloeisel van de grondwetsherziening van 1987.[2]
 
Nauw verbonden met de inlichtingenplicht is het vragenrecht van leden van de Kamer, dat geregeld is in de reglementen van orde van beide Kamers. Aanvankelijk stelde de regering voor om een onderscheid tussen beide rechten te maken, maar na kritiek vanuit de Tweede Kamer kwam zij op haar standpunt terug.[3] De Kamer amendeerde de voorgestelde tekst van artikel 68 in die zin dat de inlichtingenplicht nu onverkort ook van toepassing werd verklaard op inlichtingen die door een individueel Kamerlid of een minderheid van de Kamer worden gevergd.[4]
 
De inlichtingenplicht van bewindslieden aan leden van de beide Kamers vloeit voort uit de verantwoordingsplicht van artikel 42, tweede lid Grondwet . Deze plicht is een van de hoekstenen van onze parlementaire democratie.[5] De inlichtingenplicht is in 1848 ingevoerd tegelijk met de politieke ministeriële verantwoordelijkheid. De informatieplicht is het middel bij uitstek om de ministeriële verantwoordelijkheid te laten functioneren. Zonder informatie van ministers en staatssecretarissen kan het parlement, en een Kamerlid, zijn taak niet naar behoren vervullen. Het inlichtingenrecht wordt onmisbaar geacht voor de controlefunctie van het parlement: het kan zijn belangrijkste controlerende functie niet uitvoeren indien het niet over de daarvoor noodzakelijk informatie beschikt.[6] Op dezelfde wijze is de inlichtingenplicht een basisvoorwaarde voor een goede vervulling van de medewetgevende taak van het parlement. Dit alles verklaart tevens waarom het parlement alert is op het geven van onvolledige, onjuiste dan wel niet-tijdige informatie door bewindspersonen aan het parlement. Dat bleek recent nog weer eens bij de discussie naar aanleiding van de enquête betreffende het Fyra project in 2015 en de discussie met de regering over de feiten rond de zogenaamde Teeven-deal. In beide kwesties werd de Staten-Generaal onjuist, onvolledig en niet tijdig geïnformeerd door de regering. Daardoor kon het parlement zijn controlerende taak onvoldoende, althans niet volledig uitoefenen. Onjuist en onvolledige informatie door de regering aan het parlement, wordt, terecht, in Den Haag beschouwd als een politieke doodzonde.[7] Overigens was in 2003 al in de kwestie Mink K. de vraag aan de orde of de minister van Justitie deals tussen het OM en een informant voor het parlement geheim kan houden. Volgens de Hoge Raad is dat het geval, waarbij het rechtscollege tevens grote waarde hechtte aan de betekenis van artikel 68 Grondwet.[8] Een “oplossing” op korte termijn kan zijn de kamer vertrouwelijk te informeren over dit soort gevoelige kwesties. Nadeel is wel dat het parlement met de informatie vervolgens niets kan doen. Terughoudendheid met het geven van vertrouwelijke informatie van de regering aan de kamer, is dus wijs.

2. Inlichtingenplicht van bewindspersonen[9]

De in artikel 68 neergelegde inlichtingenplicht is als passief te karakterise­ren, nu zij betrekking heeft op inlichtingen waarom door één of meer Kamerleden is verzocht. De regering onderscheidde bij de grondwetsherziening van 1983 vier verschillende wijzen waarop aan een bewindspersoon inlichtingen kunnen worden gevraagd: het stellen van schriftelijke vragen, het stellen van mondelinge vragen, het stellen van vragen bij een door de Kamer aan de orde gesteld onderwerp en het stellen van vragen over een onderwerp dat vreemd is aan de orde van de dag (de zogenoemde interpellatie). Over het vragenrecht en het recht van interpellatie zijn regels in de reglementen van orde van de beide Kamers neergelegd.
 
Naast de passieve inlichtingenplicht heeft de grondwetgever een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie aanvaard. Volgens de regering vloeit uit ons democratisch stelsel voort dat ministers de plicht hebben om uit eigen beweging gegevens aan het parlement te verstrekken als dit wenselijk is in het belang van een goede en democratische bestuursvoering.[10] Zij wees er daarbij op dat bij vele gelegenheden zeer veel informatie aan het parlement pleegt te worden verschaft. Het belang van een goede en democratische bestuursvoering, daarbij inbegrepen dat binnen overheidsorganen in het kader van de beleidsvoor­bereiding vrijelijk intern beraad moet kunnen worden gepleegd, noopt volgens de regering echter ook tot een zekere selectie bij het verstrekken van gegevens.
 
De inlichtingenplicht is volgens de regering individueel van aard aangezien in artikel 68 uitdrukkelijk wordt gesproken over de ministers en de staatssecreta­rissen en niet over het collectief van ministers en staatssecretarissen.[11] Zij blijven ter zake van hun inlichtingenplicht individueel verantwoordelijk ten opzichte van de Staten-Generaal.

3. Inhoud en reikwijdte van de inlichtingenplicht

Naast de hierboven genoemde passieve inlichtingenplicht, heeft de grondwetgever een actieve plicht tot het verstrekken van inlichtingen voorgeschreven. Uit ons democratisch bestel vloeit voort dat ministers de plicht hebben uit eigen beweging gegevens aan het parlement te overleggen indien dat wenselijk is in het belang van een goede en democratische besluitvorming.[12] De regering wees er hierbij op dat bij veel gelegenheden zeer veel informatie aan het parlement pleegt te worden verschaft. Daarbij kan volgens de regering wel een zekere selectie worden toegepast mede gelet op de aan de regering toekomende ruimte om vrijelijk en breed tot besluitvorming te komen na intern beraad. De inlichtingenplicht is van individuele aard volgens de regering omdat in artikel 68 uitdrukkelijk gesproken wordt van minister en staatssecretarissen en niet van een collectief van minister en staatssecretarissen.[13] Dat neemt niet weg dat bewindslieden vanuit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming in veel gevallen een beroep op het verschoningsrecht (zie hieronder paragraaf 3) eerst afstemmen met de collega’s in de ministerraad. Deze afstemming leidt er echter niet toe dat de inlichtingenplicht een collectief karakter draagt.[14] 
 
Hoe ver strekt de inlichtingenplicht zich uit? Een eerste grens is aangegeven in artikel 68: is de verschonings- of weigeringsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ van toepassing, dan geldt er geen verplichting tot het verstrekken van verlangde inlichtingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf verder ingegaan.
 
Een tweede grens is gelegen in ‘natuurlijke belemmeringen’.[15] Onder dit begrip is een aantal gevallen te brengen waarin de verlangde inlichtingen niet behoeven te worden verstrekt, zonder dat een beroep op het belang van de staat moet worden gedaan. Daarbij gaat het met name om gevallen waarin gevraagde inlichtingen niet voorhanden zijn en het belang van beantwoording van de vraag niet wordt geacht op te wegen tegen de moeite die het verstrekken van de inlichtingen zal kosten, een overleg nog niet is afgerond, of is gevraagd om inlichtingen die binnen een korte termijn aan het parlement zullen worden gezonden. In dit verband wordt ook wel gesproken van praktische redenen of redenen van opportuniteit.[16]
 
Dan is er nog een derde grens. Deze is bij de parlementaire behandeling weliswaar aan de orde geweest, maar is door de regering en het parlement niet als zodanig onderkend.[17] Het gaat daarbij om een beperking van de reikwijdte van de inlichtingenplicht tot aangelegenheden waarvoor de ministeriële verantwoorde­lijkheid geldt. Overigens is het mede aan de betrokken kamer te beoordelen of zich in een concreet geval een dergelijke aangelegenheid voordoet. Deze derde grens hangt direct samen met de grondslag van de inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht is gebaseerd op het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid, zodat haar omvang tot de reikwijdte van dit beginsel is beperkt. Er zijn ruimere opvattingen die de omvang van de inlichtingenplicht koppelen aan een brede interpretatie van artikel 68 Grondwet.[18]  Algemene consensus is er over de opvatting dat dat de ministeriële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit artikel 42, tweede lid Grondwet meer inhoud heeft dan de rechten van het parlement ontleend aan artikel 68 Grondwet.[19]
 
Hiernaast kunnen we een bijzondere vorm van vertrouwelijke verstrekking van gegevens onderscheiden. Het betreft dan het verstrekken van bepaalde inlichtingen die met het oog op het belang van de staat uitsluitend aan de leden van een bepaalde Kamercommissie worden verstrekt (bijvoorbeeld de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, CIVD). In dit geval blijft controle door de Kamer mogelijk, echter wel op basis van vertrouwelijke informatie.[20]
In 2007 ontstond een discussie tussen Kamer en regering over de vervanging van de F-16 straaljagers van Defensie. Conclusie was dat mede met het oog op de onderhandelingspositie van de regering, de Kamer vertrouwelijk zou worden geïnformeerd over deze aanschaf.[21]
 
Elke weigering om inlichtingen te verschaffen behoort te worden gemoti­veerd.[22] Regering en parlement waren het erover eens dat bewindspersonen aanvankelijk om praktische redenen of om redenen van opportuniteit gevraagde inlichtingen kunnen weigeren, zonder dat een beroep op de verschoningsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ wordt gedaan. Het komt immers in de praktijk wel eens voor dat een antwoord wordt geweigerd omdat de betrokken minister de gestelde vraag niet ter zake doende vindt, of omdat het belang dat de Kamer bij de inlichting heeft zijns inziens niet opweegt tegen de belangen die bij het geven van het antwoord in geding zijn. Ofschoon regering en parlement zich daarover niet hebben uitgesproken, kan men aannemen dat een bewindspersoon in eerste instantie ook inlichtingen mag weigeren over een aangelegenheid waarvoor geen ministeriële verantwoordelijkheid geldt.
 
Als een bewindspersoon een door een individueel Kamerlid of door meerdere Kamerleden, bijvoorbeeld een Kamercommissie, verlangde inlichting aanvan­kelijk niet verstrekt en door het betrokken lid of de betrokken leden vervolgens toch op het verstrekken van de inlichtingen wordt aangedrongen, dient de bewindsper­soon zich af te vragen of hij bij zijn standpunt blijft de inlichtingen niet te verschaffen. Daarbij geldt dan het beginsel dat de gevraagde inlichtingen moeten worden verstrekt, tenzij het belang van de staat zich daartegen verzet. Bij de grondwetsherziening van 1983 waren regering en parlement het erover eens dat er ook in tweede instantie nog praktische redenen zouden kunnen zijn om de gevraagde inlichtingen niet te verschaffen, bijvoorbeeld als kort voor Prinsjesdag zou worden gevraagd om inlichtingen die in de begrotingstoelichting zijn opgenomen.[23] In gevallen waarin het desbetreffende onderwerp op korte termijn in de Kamer zou worden besproken, zou er bij weigering geen sprake zijn van een inbreuk op het inlichtingenrecht. Ook in tweede instantie mogen verlangde inlichtingen worden geweigerd voor zover ze betrekking hebben op een aangelegen­heid die niet valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

4. Strijd met het belang van de staat

De verschoningsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ brengt allereerst tot uitdrukking dat daarop geen lichtvaardig beroep mag worden gedaan.[24] Het gaat om een belangenafweging: het staatsbelang om de inlichtingen te weigeren, dient zo zwaar te wegen  dat het eveneens zwaarwegende belang de Staten-Generaal te informeren daarvoor niettemin moet wijken. Het weigeren van inlichtingen zal dan ook uitzondering moeten zijn.[25] In het verkeer tussen regering en parlement moet ‘het belang van de staat’ als het om inlichtingen gaat uiterst beperkt worden geïnterpreteerd.[26] De betekenis van de verschoningsgrond bestaat niet in de laatste plaats hierin dat de bewindspersonen erdoor worden genoopt daarop uitdrukkelijk een beroep te doen en voor dit beroep argumenten aan te voeren.
 
Het criterium ‘belang van de staat’ heeft volgens de regering onvermijdelijk een zekere vaagheid. Als voorbeelden van belangen die onder omstandigheden zo zwaarwegend kunnen zijn dat zij als belang van de staat moeten worden aangemerkt, zijn genoemd de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur vermelde belangen, met name de eenheid van de Kroon, de veiligheid van de staat, vertrouwelijk aan de overheid medegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens, de betrekkingen van Nederland met andere landen, economische en financiële belangen van de staat en persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens.[27] Van meer actuele betekenis is dat gegevens over lopende of afgesloten strafrechtelijke onderzoeken, waarbij (naast de bescherming van de persoonlijke levenssfeer) het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan zijn betrokken, een grond zijn voor weigering om inlichtingen te verstrekken aan de Kamers.[28]
 
Daarmee is niet gezegd dat het in geding zijn van die belangen te allen tijde grond oplevert om het verstrekken van inlichtingen strijdig te achten met het belang van de staat. In veel gevallen waarin de genoemde belangen in het geding zijn, zal er geen bezwaar tegen bestaan de Kamer vertrouwelijk de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Overigens geldt als uitgangspunt dat de inlichtingen in de regel in openbare vorm worden verstrekt.[29] Als openbare verstrekking niet verantwoord is, dient bij het verschaffen van de gevraagde inlichtingen te worden gezocht naar een modaliteit die zoveel mogelijk recht doet aan het belang het parlement te informeren. Vertrouwelijke overlegging van stukken dan wel vertrouwelijke mondelinge informatieverschaffing aan een Kamercommissie kan een modaliteit zijn. Slechts in uitzonderlijke gevallen zullen zo zwaarwegende belangen in het geding zijn dat het inlichtingenrecht daarvoor moet wijken, en dat de gevraagde inlichtingen zelfs niet vertrouwelijk kunnen worden verstrekt.[30]
 
Wanneer een bewindspersoon ook in tweede instantie weigert om de verlangde inlichtingen te verstrekken en deze weigering door het betrokken lid of de betrokken leden niet wordt aanvaard, kan het gerezen conflict aan de Kamer als zodanig worden voorgelegd.[31] De Kamer zal uiteindelijk dienen te beoordelen of zij die weigering gerechtvaardigd acht. In dit verband hebben de bewindspersoon en de Kamer een eigen verantwoordelijkheid.[32] Als de bewindspersoon immers, ook nadat de Kamer blijk heeft gegeven de juistheid van de weigering niet te aanvaarden, de verlangde inlichtingen blijft weigeren, kan dit voor de Kamer aanleiding zijn het vertrouwen in de betrokken bewindspersoon of zelfs in het gehele kabinet op te zeggen. Daarmee is echter niet gezegd dat de Kamer vervolgens wel de beschikking krijgt over de verlangde inlichtingen. Een nieuw aangetreden bewindspersoon of kabinet zal immers weer zelf moeten beoordelen of de gevraagde inlichtingen zullen worden verstrekt.
 
Tevens is het mogelijk dat internationale verdragsbepalingen of -besluiten, met name kan worden gedacht aan EU regelgeving, geheimhoudingsplichten bevatten. Afhankelijk van de formulering daarvan, kan het verstrekken van informatie aan het parlement, ook vertrouwelijk, in strijd zijn met de internationale regel. Gezien de gebondenheid van bewindslieden aan het internationale recht, moet het verstrekken van de informatie in dergelijke gevallen in strijd worden geacht met het belang van de staat.[33]
 
De vraag of het inlichtingenrecht van artikel 68 eventueel door tussen­komst van de rechter kan worden afgedwongen door een Wob-beroep in te stellen, is tijdens de parlementaire behandeling niet aan de orde geweest. In de literatuur heerst de opvatting dat een beroep op de rechter niet past in onze staatsrechtelijke verhoudingen. Zeer wel denkbaar is dat de rechter zich onbevoegd zal verklaringen omdat het in een dergelijk geval gaat om een politiek conflict tussen Kamer en regering. Een enkeling verdedigt de opvatting dat het inlichtingenrecht wel via de rechter kan worden afgedwongen.[34] De regering was bij de behandeling van de Wet openbaarheid van bestuur in elk  geval van mening dat “het belang van een goed geïnformeerde volksvertegenwoordiging immers zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van bestuur jegens de burger”.[35] Daarmee zijn de verhoudingen tussen beide regimes helder aangegeven.

5. Jurisprudentie

- HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5149

6. Literatuur

- A.A.L. Beers, Grondwettelijk inlichtingenrecht van kamerleden afdwingbaar bij Arob-rechter?, in: H.A.M. Backx, e.a., Recht doen door wetgeving. Opstellen over wetgevingsvraagstukken aangeboden aan mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Zwolle 1990
- H.R.B.M. Kummeling, Relatieve geheimhoudingsplichten. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het staatsrecht met inbegrip van het vergelijkend staatsrecht aan de Universiteit Utrecht op woensdag 19 november 1997, Deventer 1997
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Kluwer Deventer 2014
- Notitie inzake de reikwijdte van artikel 68 Grondwet, Kamerstukken II 2001-2002, 28 632, nr. 2
- S. Munneke, Inlichtingenplichten en verschoningsgronden in het staatsrecht, diss. RUG, Groningen 2006

7. Historische versies

Art. 89, tweede lid, Gw. 1848: Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang en de zekerheid van het Rijk, de kolonien en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen.
Art. 94, tweede lid, Gw. 1887: Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat (art. 95, tweede lid, Gw. 1922; art. 97, tweede lid, Gw. 1938; art. 104, tweede lid, Gw. 1953).
Art. 68 Gw. 1983: De ministers en de staatssecretarissen geven aan de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verlenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van de staat.
 

Noten

  1. Zie tevens A.A. L. Beers, Artikel 68, in: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 1992 p. 654-663.
  2. Kamerstukken II 1984/85, 19 014 (R 1284).
  3. Kamerstukken II 1984/85, 19 014 (R 1284), A-C, p. 5.
  4. Kamerstukken II 1984/85, 14 225 (R 1051) nr. 13 (Nng, IIIa, p. 331), amendement en handelingen II 1979/80, p. 2090 en 2722 (Nng, IIIb, p. 106 en 134), debat.
  5. Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 1 (Nng IIIa, p. 324).
  6. Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051) nr. 7, p. 2 (Nng IIa, p. 303).
  7. Zie Stenogram Tweede Kamer van 17-12-2015,nr. 2015D50427; Debat over het rapport van de Commissie Oosting (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/12/09/rapport-oosting).
  8. HR 28 maart 2003, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AE5149 en S. Munneke, Inlichtingenplichten en verschoningsgronden in het staatsrecht, diss. RUG, Groningen 2006, hoofdstuk 3.
  9. Zie ook de notitie van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 21 januari 2002, Kamerstukken II 2001-2002, 28 362, nr. 2.
  10. Kamerstukken II 1985/86, 19 014, nr. 5, p. 6.
  11. Hand. I 1985/86, p. 939.
  12. Kamerstukken II 1985/86, 19 014, nr. 5, p. 6.
  13. Hand. I 1985/86, p. 939.
  14. Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), nr. 7, p. 1.
  15. Hand. I 1979/80, p. 1954, 1961 en 1962 (Nng IIIb, p. 107, 45 en 56); Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326).
  16. Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326); Hand. II 1979/80, p. 1954 (Nng IIIb, p. 45); Kamerstukken II 1985/86, 19 014, nr. 5, p. 3.
  17. Hand. II 1979/80, p. 2722 (Nng IIIb, p. 134).
  18. Met name C.H.F. Polak, De ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording, in: Bestuurswetenschappen, 33 (1979), p. 8.
  19. Zo zijn Bovend’Eert en Kummeling van mening dat artikel 68 Grondwet geen rechtsplicht schept voor ministers om de kamer ook ongevraagde verantwoording te laten afleggen over het gevoerde beleid (P.P.T. Bovend’eert en H.R.B.M. Kummeling, Van Raalte’s Het Nederlandse Parlement, 8e druk, Deventer 1995, p. 234-236.
  20. Kamerstukken II 2001/02, 28 362, nr. 2, p. 6.
  21. Kamerstukken 2008/09, 26 488, nr. 169.
  22. Kamerstukken II 1985/86, 19 014, nr. 5, p. 3.
  23. Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326).
  24. Kamerstukken II 1976/77, 14 225 (R 1051), nr. 3, p. 5 (Nng IIIa, p. 286).
  25. Kamerstukken II 1976/77, 14 225 (R 1051), nr. 4, p. 10 (Nng IIIa, p. 290).
  26. Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), nr. 5, p. 7.
  27. Kamerstukken II 1976/77, 14 225 (R 1051), nr. 4, p. 10 (Nng IIIa, p. 290); Kamerstukken II 1978/79, 14 225 (R 1051), nr. 7, p. 6 en 8 (Nng IIIa, p. 307 en 309). Wob, artikel 10 (Wet van 31 oktober 1991, Stb. 1991, 703).
  28. Zie ook HR 23 maart 2003, a.w. en Kamerstukken II, 2001/02, 28 362, nr. 2.
  29. Kamerstukken II 1985/86, 19 014, nr. 5, p. 3.
  30. Kamerstukken I 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 57b, p. 2 (Nng, IIIb, p. 225). Zie voorbeeld uit 2000 in een kwestie waarin de kamer de regering verzocht inzicht te geven in de correspondentie tussen de ministeries van EZ en VWS inzake de dossier tabak, alcohol en geneesmiddelen. De toenmalige minister van VWS legde uitvoerig uit waarom het in haar ogen onwenselijk was de gevraagde informatie aan de kamer te verstrekken, zonder dat zij zich nadrukkelijk beriep op het belang van de staat (Kamerstukken II, 2000/01, 27 437, nr. 3).
  31. Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), nr. 5, p. 2.
  32. Kamerstukken II 1979/80, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 5 (Nng, IIIa, p. 328); Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), p. 4.
  33. Zie hierover ook de discussie bij het wetsvoorstel Toezicht op toezicht, Kamerstukken II 1997/98, 24 456 C.
  34. A.A.L. Beers, Grondwettelijk inlichtingenrecht van kamerleden afdwingbaar bij Arob-rechter?, in: H.A.M. Backx, e.a., Recht doen door wetgeving. Opstellen over wetgevingsvraagstukken aangeboden aan mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Zwolle 1990, p. 377-389.
  35. Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, p. 12.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 68 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Inlichtingenplicht bewindslieden

In een parlementair regeringsstelsel als het onze werken kabinet en volksvertegenwoordiging nauw samen, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van wetgeving. Tegelijk heeft het parlement een controlerende taak: het dient ministers aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor het in hun naam gevoerde bestuur als daar reden toe is. Daarvoor heeft het parlement informatie nodig. Vooral in de Tweede Kamer, de politieke partner van het kabinet, is informatie de basis voor vrijwel alles wat kamerleden doen. Ministers en staatssecretarissen hebben de plicht de beide kamers volledige en betrouwbare informatie te geven over alles wat voor de kamers van belang is om hun controlerende en medewetgevende taken goed te kunnen uitvoeren.
 
Om de benodigde informatie te verkrijgen beschikken de kamers over verschillende instrumenten. Kamerleden kunnen schriftelijke vragen stellen aan een minister, vragen stellen tijdens een debat over het onderwerp dat dan aan de orde is en vragen stellen over een onderwerp dat niet aan de orde van de dag is (een interpellatie). In de Tweede Kamer is er wekelijks op dinsdag gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen (het ‘vragenuurtje’).
 
De kamers verkrijgen niet alleen informatie via de ministers. Met behulp van hoorzittingen en rondetafelgesprekken raadplegen zij belanghebbenden en deskundigen buiten de politiek. Ook kunnen beide kamers een onderzoek verrichten of een parlementaire enquête houden, wanneer de omvang en ernst van een probleem de inzet een van deze zware middelen rechtvaardigen (artikel 70 Grondwet).

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Inlichtingenplicht bewindslieden

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Inlichtingenplicht bewindslieden

Mink

HR 28-03-2003
Een toezegging tot absolute geheimhouding is niet onverenigbaar met artikel 68 van de Grondwet, maar in die mate beperkt dat in het geval een minister in verband met zijn verplichting tot het geven inlichtingen op vertrouwelijk informatie aan het parlement kenbaar moet maken.
Recente rechtspraak

Inlichtingenplicht bewindslieden

Politiek

Inlichtingenplicht bewindslieden

De SP beschuldigt Minister Blok van Wonen en Rijksdienst beschuldigt van het achterhouden van informatie.

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Inlichtingenplicht bewindslieden

  • Guido Enhoven over transparantie in relatie Regering en Tweede Kamer
  • BBC documentaire over gevolgen Wikileaks
Guido Enhoven over transparantie in relatie Regering en Tweede Kamer
Mr. dr. Guido Enthoven gaf tijdens de bijeenkomst 'Gij zult openbaar maken' een presentatie over het belang van transparantie en openbaarheid in het openbaar bestuur. In 2011 promoveerde Enthoven op de informatierelatie tussen regering en parlement met het proefschrift 'Hoe vertellen we het de Kamer?'
Blogs

Inlichtingenplicht bewindslieden

In de wereld

Inlichtingenplicht bewindslieden