CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 53 - Evenredige vertegenwoordiging

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Werking van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging
  3. Hervormingspogingen
  4. Geheime stemming
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 
Editie februari 2016[1]
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

De beide Kamers van onze volksvertegenwoordiging worden gekozen volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dit houdt in dat voor alle aan de verkiezingen deelnemende partijen de verhouding tussen de op die partij uitgebrachte stemmen en de behaalde zetels in beginsel gelijk is. Voor de Tweede Kamer werd dit stelsel ingevoerd bij de grondwetsherziening van 1917; sinds 1922 geldt het ook voor de Eerste Kamer.[2]

Daarvoor kende Nederland een zogenaamd absoluut meerderheidsstelsel. Het land was verdeeld in kiesdistricten waarin één volksvertegenwoor­digers werden gekozen.[3] Een kandidaat was verkozen indien hij – de politiek was tot 1917 een mannelijke aangelegenheid – meer dan de helft van de in het district uitgebrachte stemmen verkreeg. Om een absolute meerderheid te bereiken is vaak een tweede ronde nodig. Dat dwingt partijen tot het maken van afspraken over steun aan elkaars kandidaten. Zo’n meerderheidsstelsel met kiesdistricten zorgt gewoonlijk voor een betrekkelijk nauwe band tussen kiezer en gekozene en voor een helder politiek spectrum bestaande uit enkele sterke hoofdstromingen. Aan de andere kant bestaat het gevaar dat de volksvertegenwoordiging een slechte afspiegeling vormt van de stemverhoudingen: kleinere politieke bewegingen of stromingen met een landelijk sterk verspreide aanhang zien de op hen uitgebrachte stemmen vaak slechts gedeeltelijk vertaald worden in kamerzetels.

In 1917 werd een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, in de woorden van regering, een ‘eisch des tijds’ geacht te zijn.[4] De gedachte was dat evenredige vertegenwoordiging ertoe zou leiden dat bij verkiezingen niet langer de persoon van de kandidaat, maar de achterliggende ideologie van diens partij centraal zou staan. Verder werd een minder sterke dominantie van de vier of vijf politieke hoofdstromingen verwacht, omdat kleinere partijen gemakkelijker zetels zouden kunnen verkrijgen. Inderdaad viel na 1917 een verbreding van het politieke spectrum waar te nemen, maar ook een duidelijke verwijdering tussen kiezer en gekozene.[5]

Met name dat laatste levert de laatste decennia met enige regelmaat discussie over ons kiesstelsel op: de afstand tussen de kiezers en de gekozenen zou, onder meer door de overheersende rol van landelijke politieke partijen en hun lijsttrekkers in het verkiezingsproces, te groot zijn geworden. Door toch weer elementen van een districtenstelsel in te voeren, bijvoorbeeld in de vorm van een gemengd kiesstelsel zoals het Duitse, zou de band tussen kiezers en gekozenen kunnen worden versterkt (zie hieronder, paragraaf 2). Een complicatie daarbij is dat vergaande wijzigingen van het kiesstelsel niet bij gewone wet kunnen plaatsvinden: de Grondwet legt immers het stelsel van evenredige vertegenwoordiging vast. Wijzigingen die teveel afdoen aan het uitgangspunt dat de Kamers op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging worden gekozen, vereisen de zwaardere procedure van grondwetsherziening.

Om de band tussen kiezers en gekozenen te versterken is in 1998 de voorkeurdrempel voor een zetel in de Tweede Kamer – het aantal stemmen dat men nodig heeft om rechtstreeks een zetel toegewezen te krijgen, onafhankelijk van de lijstvolgorde – gesteld op 25 procent van het aantal stemmen benodigd voor één Kamerzetel.[6] Daarvóór was de voorkeurdrempel 50 procent van de kiesdeler. De verwachting was dat de kiezer zo een grotere invloed zou hebben op de verdeling van zetels over de kandidaten voor een bepaalde partij. In de praktijk lukt het gewoonlijk maar een enkeling die niet op een verkiesbare plaats op de kieslijst staat, een voorkeurzetel te verdienen; bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 wist alleen Pieter Omzigt (CDA) op die manier een zetel te bemachtigen.
 

2. Werking van het stelsel van evenredige
    vertegenwoordiging

De berekening van de zetelverdeling na verkiezingen geschiedt zowel voor de Tweede als voor de Eerste Kamer[7] als volgt. Eerst wordt het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels. Het resultaat daarvan is de zogeheten kiesdeler.[8] Vervolgens wordt het aantal behaalde zetels voor elke lijst bepaald door vast te stellen hoeveel malen de kiesdeler is begrepen in het aantal op die lijst uitgebrachte stemmen.[9] Omdat het aantal uitgebrachte stemmen op elke lijst vrijwel nooit een exact veelvoud van het aantal Kamerzetels zal zijn, zal na deze rekensom gewoonlijk een aantal zetels resteren dat wordt verdeeld volgens het stelsel van de grootste gemiddelden, dat in het voordeel werkt van grotere fracties.[10]

Het is duidelijk dat, met name door het probleem van de restzetels, een mathematisch zuiver stelsel van evenredige vertegenwoordiging niet realiseerbaar is. Maar de wetgever kan, blijkens het eerste lid van artikel 53, ook zelf grenzen stellen aan de evenredig­heid van het kiesstelsel. Deze mogelijkheid werd in 1938 in de Grondwet opgenomen om te kunnen voorkomen dat het stelsel van evenredige vertegenwoor­diging tot een te grote versplintering in de samenstelling van de Tweede Kamer zou leiden. Een belangrijke aanleiding vormden de Kamerverkiezingen van 1933, waaraan 54 groeperingen deelnamen; zes van die groeperingen waren eenmanspartijtjes. Als directe reactie hierop werd de Kieswet gewijzigd, opdat een waarborgsom voor deelname aan de verkiezingen kon worden gevraagd.[11] Te denken valt daarnaast aan het instellen van een kiesdrempel of het herinvoeren van een beperkt aantal kiesdistricten. Dat eerste kan nuttig zijn om bepaalde ongewenste groeperingen, zoals extremistische partijen, uit de volksvertegenwoordiging te weren. Met het oog daarop is in het verleden verschillende malen getracht bij wet een kiesdrempel van anderhalf of zelfs driemaal de kiesdeler in te voeren, maar steeds zonder succes.[12] Daarnaast wordt met enige regelmaat geopperd opnieuw kiesdistricten in te voeren, omdat dit zou kunnen bijdragen aan de versterking van de band tussen kiezer en gekozene.[13] Kortmann geeft in zijn commentaar op de grondwetsherzieningen van 1983 en 1987 aan dat de herinvoering van kiesdistricten op gespannen voet zou staan met artikel 53 wanneer dit er te veel zouden zijn (bijvoorbeeld meer dan tien); een kleiner aantal districten (waarbinnen dan dus meerdere kandidaten worden verkozen) acht hij niet strijdig met artikel 53.[14]
 

3. Hervormingspogingen

In het midden van de jaren negentig achtte het kabinet-Kok I, waarvan D66 deel uitmaakte, een aanpassing van het kiesstelsel nodig. Het gaf de Tweede Kamer drie varianten in overweging: een gematigd districtenstelsel, het Duitse kiesstelsel en een variant daarop, dat landelijke verkiezingen combineerde met verkiezingen in meervoudige districten.[15] In de Tweede Kamer kon het voornemen van het kabinet echter amper op enthousiasme rekenen en het kabinet kwam niet tot indiening van een wetsvoorstel. In december 1999 probeerde het kabinet-Kok II het opnieuw. Het liet onderzoek doen naar de werking van uiteenlopende kiesstelsels in andere Europese lidstaten en presenteerde op basis daarvan een zestal realistische alternatieven voor aanpassing van het Nederlandse stelsel aan de Tweede Kamer.[16] Tot een wetsvoorstel leidde het ook toen niet.

Weer enkele jaren later, in november 2003, zond het kabinet-Balkenende II – opnieuw met D66 in de gelederen – een nota naar de Tweede Kamer waarin het een wijziging van het kiesstelsel aankondigde, onder de veelbelovende titel ‘Naar een sterker parlement’.[17] Daarbij sprak het kabinet de voorkeur uit voor een gemengd stelsel. De helft van de leden van de Kamer zou worden gekozen via een landelijke lijst, de andere helft in districten. De aantallen zetels die elke partij zou krijgen, werd bepaald door de verdeling van stemmen over de landelijke lijsten; zetels werden eerst toebedeeld aan de gekozenen in districten en aangevuld met kandidaten die via de landelijke lijst werden gekozen. De kiezer zou dus twee stemmen uitbrengen: een op een landelijke lijst en een op een districtslijst. Het betrof in feite een variant op het Duitse kiesstelsel voor de Bondsdagverkiezingen, zonder de mogelijkheid van ‘Überhangmandate’: extra zetels die worden toegekend wanneer een partij meer districtszetels wint dan waarop zij gezien de verdeling van zetels op basis van de landelijke lijsten aanspraak zou kunnen maken. De Nederlandse Grondwet legt het aantal zetels in de Tweede Kamer immers vast op 150. Ditmaal werd de aankondiging wel gevolgd door een wetsvoorstel,[18] dat werd ingediend op 8 februari 2005. Op 23 februari werd het echter weer ingetrokken,[19] nog voor de behandeling in de Tweede Kamer kon plaatsvinden, als gevolg van de ‘Paascrisis’: verantwoordelijk minister De Graaf trad af, onder meer omdat er geen parlementaire meerderheid bleek te zijn voor zijn voorstel om de burgemeestersbenoeming uit de Grondwet te schrappen.

Kort daarna, op 24 maart, werd door minister Pechtold het Burgerforum kiesstelsel ingesteld. Het Burgerforum, dat bestond uit 140 geselecteerde ‘gewone’ burgers, presenteerde in november 2006 zijn advies over de hervorming van het kiesstelsel: ‘Met één stem meer keus.’[20] Het beval een wijziging van het kiesstelsel aan waarbij kiezers één stem konden uitbrengen, ofwel op een lijst, waarmee de lijstvolgorde bepalend zou zijn voor de toedeling van zetels, ofwel op een bepaalde kandidaat op een lijst, waarmee de lijstvolgorde kon worden doorbroken. Ook dit advies leidde niet tot indiening van een concreet wetsvoorstel; sindsdien zijn de pogingen om het kiesstelsel voor de Tweede Kamer te hervormen min of meer gestaakt. Kritiek op het huidige stelsel is er nog steeds, maar brede consensus over een geschikt alternatief nog steeds niet.


4. Geheime stemming

Dat verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming is een ‘wezenskenmerk van verkiezingen in een democratische rechtsstaat’.[21] Het tweede lid van artikel 53 verlangt van de wetgever dat deze garandeert dat de gang van zaken binnen elk stembureau zodanig is, dat ieder zijn of haar stem kan uitbrengen zonder dat anderen daarvan kennis kunnen nemen.[22] Maar het principe van geheime stemming betekent ook dat vervolgens niemand kan worden verplicht – noch door de overheid, noch door een particulier – te kennen te geven op wie de stem is uitgebracht.[23] De regering verwoordde het bij de voorbereiding van de grondwets­herziening van 1983 als volgt: ‘elke kiezer [heeft] het recht (...) voor zich zelf te houden op wie hij zal stemmen, stemt of heeft gestemd.’[24] Op deze wijze geformuleerd heeft het tweede lid van artikel 53 het karakter van een (klassiek) grondrecht, dat bovendien horizontale werking heeft.

Een kiezer is echter niet verplicht zijn of haar politieke voorkeur voor zich te houden in het stemlokaal. In maart 2014, bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen, ontstond wat opschudding over een typisch fenomeen uit het tijdperk van de social media: de ‘stemfie’. Daarmee wordt bedoeld een selfie, een foto van zichzelf, in het stemhokje met een stembiljet waarop de gemaakte keuze zichtbaar is, voordat het biljet in de stembus gaat. In het kader van het stemgeheim is dat niet zonder bezwaren, omdat niet valt uit te sluiten dat dergelijke foto’s onder dwang worden gemaakt, om te kunnen vaststellen of iemand heeft voldaan aan een opdracht om een bepaalde stem uit te brengen.

Kamerlid Pechtold wordt gefotografeerd terwijl hij een stemfie maakt tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart 2014. Foto: Telegraaf.nl.
 
Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties achtte het maken van een stemfie echter niet verboden, zolang dat de ordelijke gang van zaken in het stemlokaal niet zou hinderen.[25] De rechtbank Den Haag overwoog in mei 2014 in een zaak die werd aangespannen door de Stichting Bescherming Burgerrechten en een particulier, dat er inderdaad bezwaren kleven aan de stemfie, maar dat het maken van dergelijke foto’s niet verboden is. De uitlatingen van de minister daaromtrent waren dus niet onjuist. De rechtbank merkte ten overvloede nog wel het volgende op: ‘De rechter laat in het midden of hetgeen de minister heeft gezegd, gelet op het belang van het stemgeheim, verstandig is geweest.’[26] De Kiesraad adviseerde de minister kort daarna het maken van dergelijke selfies toch te verbieden,[27] maar de minister bleef bij zijn standpunt dat een verbod niet nodig was.[28] Wanneer gunsten worden beloofd aan kiezers in ruil voor hun stem, maken stemfies het nakomen van de ongeoorloofde afspraak controleerbaar. Mogelijk heeft minister Plasterk zich dat niet gerealiseerd toen hij – kennelijk zonder voorafgaand beraad – zich zo soepel opstelde.


5. Jurisprudentie

- Rechtbank Den Haag, 9 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5657

6. Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11dedruk, Kluwer: Deventer, 2010
- Burgerforum Kiesstelsel, Met één stem meer keus. Advies van het Burgerforum Kiesstelsel over het toekomstige kiesstelsel, www.parlement.com/9291000/d/advbrgk.pdf
- A.M. Donner, Iets over kiesstelsels, in: Mededelingen KNAW, Afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, dl. 30, nr. 9, Amsterdam 1967
- C.A.J.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987

7. Historische versies

Eerste lid:
Art. 56 Gw 1814: De vergadering der Staten Generaal bestaat uit vijf en vijftig leden. Deze worden benoemd door de Staten der bovengemelde Provincien of Landschappen in de volgende evenredigheid, uit:
Gelderland 6
Holland 22
Zeeland 3
Utrecht 3
Vriesland 5
Overijssel 4
Groningen 4
Braband 7
Drenthe 1
Eerste lid (Tweede Kamer):
Art. 79 Gw 1815: Eene dier kamers bestaat uit 110 leden, benoemd door de Staten der Provincien, te weten, voor:
Noord Braband 7
Zuid Braband 8
Limburg 4
Gelderland 6
Luik 6
Oost Vlaanderen 10
West Vlaanderen 8
Henegouwen 8
Holland 22
Zeeland 3
Namen 2
Antwerpen 5
Utrecht 3
Vriesland 5
Overijssel 4
Groningen 4
Drenthe 1
Luxemburg 4
Leden: 110
Art. 81 Gw 1840: Eene dier Kamers bestaat uit acht en vijftig leden, benoemd door de Staten der provincien, te weten, voor:
Noord Braband 7
Gelderland 6
Zuid Holland 12
Noord Holland 10
Zeeland 3
Utrecht 3
Vriesland 5
Overijssel 4
Groningen 4
Drenthe 1
Hertogdom Limburg 3
58 leden.
Art. 77, eerste lid, Gw 1848: Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45 000 één.
Art. 81, eerste lid, Gw 1887: De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.
Art. 81, eerste lid, Gw 1917: De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, gekozen op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging (art. 82, eerste lid, Gw 1922).
Art. 84, eerste lid, Gw 1938: De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, gekozen op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen (art. 91, eerste lid, Gw 1953).
Art. 91, eerste lid, Gw 1956: De Tweede Kamer bestaat uit honderd en vijftig leden, gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
Eerste lid (Eerste Kamer):
Art. 80 Gw 1815: (...), welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den lande behooren (art. 82 Gw 1840).
Art. 78, vijfde lid, Gw 1848: Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding:
Noordbrabant 5
Gelderland 5
Zuidholland 7
Noordholland 6
Zeeland 2
Utrecht 2
Friesland 3
Overijssel 3
Groningen 2
Drenthe 1
Limburg 3
39 leden.
Ingeval van vereeniging of splitsing van provincien, voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.
Art. 82, tweede lid, Gw 1887: Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding:
Noordbrabant 6
Gelderland 6
Zuidholland 10
Noordholland 9
Zeeland 2
Utrecht 2
Friesland 4
Overijssel 3
Groningen 3
Drenthe 2
Limburg 3
50 leden.
In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provincien of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.
Art. 82, tweede lid, Gw 1917: Zij worden verkozen door de Staten der provinciën op de wijze bij de wet te bepalen.
Art. 83, tweede lid, Gw 1922: Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
Art. 85, tweede lid, Gw 1938: Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen de door de wet te stellen grenzen (art. 92, tweede lid, Gw 1953).
Tweede lid:
Geen historie.

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Opmerking verdient daarbij dat de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer tot 1985 geschiedde in vier districten, bestaande uit groepen van provincies, telkens op de voet van evenredige vertegenwoordiging. Hieraan kwam een eind door wijziging van de Kieswet: wet van 18 mei 1985, Stb. 238.
  3. Tot 1896 kende Nederland ook meervoudige districten, waarin meerdere kandidaten konden worden verkozen. Na 1896 bestonden alleen nog enkelvoudige districten, waar steeds één volksvertegenwoordiger werd verkozen.
  4. Bijl. Hand. II 1915/16, 226, nr. 4, p. 23-24.
  5. Zie A.M. Donner, Iets over kiesstelsels, in: Mededelingen KNAW, Afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, dl. 30, nr. 9, Amsterdam 1967.
  6. Art. P15 van de Kieswet.
  7. Afgezien van de weging van de stemmen, uitgebracht in de verschillende provincies, bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer. Zie het commentaar bij art. 55.
  8. Art. P5 van de Kieswet.
  9. Art. P6 van de Kieswet.
  10. Art. P8 - P10 van de Kieswet. Zie ook http://www.parlement.com/id/vh8lnhrp1x01/zetelverdeling_na_verkiezingen.
  11. Wet van 23 mei 1935, Stb. 306.
  12. P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer, 2010, p. 81 e.v.
  13. Zie Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 3-4 (Nng IIIa, p. 172-173).
  14. C.A.J.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Kluwer: Deventer 1987, p. 202.
  15. Kamerstukken II, 1995/96, 21 427, nr. 112.
  16. Nota wijziging kiesstelsel, Kamerstukken II 1999/2000, 26 957, nr. 2.
  17. Kamerstukken II 2003/04, 29 356, nr. 1.
  18. Kamerstukken II 2004/05, 29 986, nrs. 1-3.
  19. Kamerstukken II 2004/05, 29 986, nr. 6.
  20. Advies van het Burgerforum Kiesstelsel over het toekomstige kiesstelsel, te vinden op: www.parlement.com/9291000/d/advbrgk.pdf
  21. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 4 (Nng IIIa, p. 173).
  22. Zie art. J1 - J39 van de Kieswet.
  23. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 4-5 (Nng IIIa, p. 173-174).
  24. Kamerstukken II 1978/79, 14 223, nr. 6, p. 4 (Nng IIIa, p. 173).
  25. Zie www.volkskrant.nl/binnenland/selfies-tijdens-het-stemmen-de-stemfie~a3618355/.
  26. Rechtbank Den Haag, 9 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5657. Zie ook www.nu.nl/politiek/3882521/stemfie-blijft-toegestaan.html.
  27. Kiesraad, Advies n.a.v. gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen Europees Parlement 2014, 24 juli 2014, p. 3-5; bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 31 142, nr. 46.
  28. Kamerstukken II 2014/15, 31 142, nr. 46, p. 4-5.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 53 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Evenredige vertegenwoordiging

lns:o="urn:schemas-microsoft-com:office:office" xmlns:w="urn:schemas-microsoft-com:office:word" xmlns:m="http://schemas.microsoft.com/office/2004/12/omml" xmlns="http://www.w3.org/TR/REC-html40">Het kiesstelsel voor de beide kamers is gebaseerd op het principe van evenredige vertegenwoordiging. Elke partij of groepering die aan de verkiezingen deelneemt krijgt kamerzetels naar rato van het aandeel dat de kandidatenlijst behaalt in het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Zo wordt bereikt dat het parlement een goede afspiegeling vormt van de politieke overtuigingen van de stemgerechtigde burgers. In zo’n kiesstelsel wordt de verkiezingsstrijd op een landelijke schaal uitgevochten; nationale politieke partijen beslissen over de kandidaatstelling voor kamerzetels en organiseren landelijke verkiezingscampagnes.
 
Een nadeel van het stelsel is dat vooral partijbesturen beslissen wie de verkiesbare kandidaten zijn voor een kamerzetel. De kiezer kent de meeste van deze kandidaten niet en vaak vergaren behalve de lijsttrekkers maar weinig kandidaten genoeg stemmen om op eigen kracht een kamerzetel te winnen. De meeste kamerleden winnen hun zetel op basis van het teveel aan stemmen dat hun lijsttrekker behaalt. De invoering van (elementen van) een meerderheidsstelsel met kiesdistricten zou dat euvel kunnen verhelpen, maar de grondwettelijke eis dat verkiezingen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging dienen plaats te vinden maakt aanpassing van het kiesstelsel moeilijk.
 
De stemming moet geheim zijn. Dat houdt in dat iemand bij het invullen van het stembiljet of het bedienen van een stemmachine niet mag worden gadegeslagen door andere kiezers of door leden van het stembureau, en dat geheim moet blijven welke stem iemand heeft uitgebracht – tenzij een kiezer geheel vrijwillig zelf besluit openheid te geven. Daardoor hoeft niemand te vrezen dat zijn politieke voorkeur hem bij het verlaten van het stemhokje door de overheid of door andere burgers kan worden verweten.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Evenredige vertegenwoordiging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Evenredige vertegenwoordiging

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Evenredige vertegenwoordiging

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Evenredige vertegenwoordiging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Evenredige vertegenwoordiging

  • Evenredige vertegenwoordiging
Evenredige vertegenwoordiging
Blogs

Evenredige vertegenwoordiging

In de wereld

Evenredige vertegenwoordiging