CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 51 - Eerste en Tweede Kamer

INHOUD
  1. Het tweekamerstelsel
  2. Kritiek op het tweekamerstelsel
  3. Het primaat van de Tweede Kamer
  4. De ledenaantallen van de Kamers
  5. De verenigde vergadering
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Versie januari 2016[1]

1. Het tweekamerstelsel

Veel – maar lang niet alle – moderne parlementen bestaan uit meerdere kamers of ‘huizen’. Een tweekamerstelsel kan uiteenlopende doelen dienen. Sommige Europese tweekamerparlementen bestonden oorspronkelijk uit een afzonderlijke ‘adelskamer’, een vertegenwoordiging van de aristocratie, en een kamer voor het ‘gewone volk’, zoals in het Britse stelsel respectievelijk het House of Lords en het House of Commons.[2] In de loop van de negentiende eeuw, onder invloed van processen van democratisering en het ontstaan van een sociaal-economische middenklasse, verliezen veel van dergelijke hogerhuizen geleidelijk hun aristocratische karakter en is het niet langer legitiem alleen daarvoor een tweekamerstelsel te behouden.  
 
Een andere reden om een tweekamerstelsel te hebben, is gelegen in een federale staatsvorm. In een federale senaat zijn steeds op een of andere wijze de deelstaten binnen de federatie vertegenwoordigd, waardoor die betrokken zijn bij de vaststelling van federale wetgeving, zoals onder meer in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Ook een senaat in een eenheidsstaat kan de regio’s binnen dat land op nationaal niveau vertegenwoordigen, zoals in Spanje het geval is. De Ierse senaat kent onder meer vertegenwoordigers die worden gekozen door de afgestudeerden van twee universiteiten en leden die de belangrijkste sociaal-economische sectoren representeren.[3]
 
Verder kan een senaat ook bedoeld zijn om een zeker evenwicht in het politieke bestel te waarborgen. Zo rekent onze Eerste Kamer het tot haar taak om wetsvoorstellen die door de Tweede Kamer zijn aangenomen, te beoordelen op hun legislatieve en rechtsstatelijke kwaliteiten. Ook kan de Eerste Kamer een tegenkracht vormen tegen het overheersende monisme in de verhouding tussen regering en Tweede Kamer. Senaten die vooral fungeren als ‘chambre de réflexion’ krijgen soms als kritiek dat ze het wetgevingsproces onnodig ophouden en een behoudzuchtige inslag hebben. In een aantal landen, waaronder Denemarken en Zweden, leidden dergelijke overwegingen uiteindelijk tot afschaffing van het tweekamerstelsel.[4]
 
Aan de inrichting en het behoud van het Nederlandse tweekamerstelsel hebben in de periode na 1815 uiteenlopende motieven ten grondslag gelegen. De Grondwet van 1814 introduceerde een Staten-Generaal, bestaande uit één kamer met 55 volksvertegenwoordigers. Deze werden benoemd door de Staten van de provinciën, waarbij het aantal vertegenwoordigers uit elke provincie was gerelateerd aan hun bevolkingsomvang. Zo koos Holland 22 leden, Drenthe één.[5] Toen die Grondwet in 1815 moest worden herzien bij gelegenheid van de aansluiting van de zuidelijke Nederlanden – voor de zuidelijke gewesten betrof het de vaststelling van een nieuwe Grondwet – werd onder aandrang van de ‘Belgische’ vertegenwoordigers in de grondwetscommissie een tweekamerstelsel in het leven geroepen.[6] Vooral de adel in de zuidelijke provincies wenste een dergelijk instituut, dat hun rol in het bestuur van het nieuwe koninkrijk zou verzekeren. Tot een echte adelskamer naar Brits model kwam het niet; wel werd naast de bestaande kamer, waarvan het ledental werd verdubbeld en die voortaan Tweede Kamer zou heten, een door de Koning samengestelde Eerste Kamer gevormd. Door deze wijze van samenstellen waren de leden in de praktijk toch vrijwel steeds van adel.
 
Na de afscheiding van de zuidelijke provincies, bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1840 die mede daardoor noodzakelijk was geworden, werd de Eerste Kamer ondanks kritiek op haar functioneren in de voorafgaande periode[7] (zie paragraaf 2) gehandhaafd. Deze keuze werd verdedigd met het argument dat het instituut ‘een overwicht van democratische elementen’ kon voorkomen en dat het nodig was ‘de troon te omringen met een bolwerk waartegen alle partijen afstuiten’.[8] Kennelijk bestond de vrees dat de – toen nog door provinciale staten gekozen – volksvertegen­woordigers in de Tweede Kamer een te sterke dadendrang zouden kunnen hebben en dat een door de Koning samengesteld instituut nodig zou zijn dat corrigerend en matigend kon optreden. Daarnaast werd de Eerste Kamer ook een functie toegedacht als ‘bemiddelaar’ tussen de vorst en de natie, ter voorkoming van dwingelandij.
 
Na de grondwetsherziening van 1848, toen niet langer de Koning, maar de leden van de provinciale staten de Eerste Kamer gingen samenstellen, verloor de klassieke ‘bolwerktheorie’ haar betekenis als bestaansgrond. De Eerste Kamer werd voortaan in de eerste plaats gezien als een ‘chambre de réflexion’, waar wetsvoorstellen van regering en Tweede Kamer op basis van deskundigheid en ervaring zouden worden heroverwogen alvorens ze in werking konden treden. Dat is nog steeds de voornaamste functie van de Eerste Kamer.


De beide zijden van het Binnenhof: rechts de Tweede Kamer, links de Eerste. In het midden de Ridderzaal, waar elke derde dinsdag van september de beide kamers in verenigde vergadering bijeen zijn. Foto: NRC.nl.

De benamingen ‘Tweede Kamer’ en ‘Eerste Kamer’ dateren overigens al uit de tijd van de Bataafse Republiek. De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 bepaalde dat het Vertegenwoordigend Lichaam bestond uit zoveel leden als er twintigduizendtallen zielen in de Bataafse Republiek werden gevonden. Deze vergadering werd in haar geheel ineens gekozen, maar splitste zichzelf daarna in een Eerste Kamer (dertig leden) en een Tweede Kamer (de overige leden, ongeveer het dubbele aantal). Daarbij vormde de Eerste Kamer de wetgevende vergadering; de Tweede Kamer kon de voorstellen van de Eerste bekrachtigen, of die bekrachtiging weigeren.[9]

2. Kritiek op het tweekamerstelsel

Al ten tijde van de grondwetsherziening van 1840 werd het bestaansrecht van de Eerste Kamer ter discussie gesteld. Doordat haar leden werden benoemd door Koning, bestond de Eerste Kamer bijna uitsluitend uit hoge adel, die loyaal was aan de Koning. Spottend werd de Eerste Kamer daarom wel ‘la ménagerie du Roi’, ofwel de koninklijke diergaarde, genoemd.[10] Bij de grondwetsherziening van 1840 stelde de regering desondanks geen wijzigingen voor ten aanzien van het tweekamerstelsel. Het bestaansrecht van de Eerste Kamer motiveerde de regering slechts terloops met de verklaring dat het behoud van die kamer `eene der fundamentele verordeningen van het Nederlandsche Staatsregt' was.[11] Thorbecke keerde zich in zijn geschriften over de Grondwet echter tegen het bestaansrecht van de Eerste Kamer; hij noemde haar ‘zonder grond en zonder doel’.[12] Ook de conservatief Van Hall bepleitte in een memorie aan Koning Willem II in 1841 de afschaffing van de Eerste Kamer, omdat die overbodig zou zijn: ‘De verdeeling der vertegenwoordiging in twee Kamers, bij de Grondwet van 1815 ingevoerd, bij die van 1814 onbekend, levert in ons land eene nuttelooze complicatie en kostbaarheid op'.[13]
 
Bij de grondwetsherziening van 1848 overleefde de Eerste Kamer opnieuw de twijfel aan haar bestaansrecht. De regering verdedigde dat bestaansrecht door te stellen dat deze kamer ‘overijling’ diende te voorkomen van ‘hare driftige zuster’ – bedoeld werd de Tweede Kamer.[14] Na 1848 ontwikkelde de Eerste Kamer zich geleidelijk tot een kamer van heroverweging; bij de grondwetsherziening van 1887 werd haar bestaan zonder enig protest van betekenis gecontinueerd.[15] Het in tweede instantie op basis van degelijkheid en onafhankelijkheid nogmaals beoordelen van voorstellen van wet werd en is nog steeds de voornaamste taak van de Eerste Kamer.[16]
 
Bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1922 werd wel aandacht besteed aan het bestaansrecht van de senaat. Doordat werd voorgesteld de verkiesbaarheidsvereisten voor de beide Kamers gelijk te stellen, zou de senaat nog meer een loutere doublure van de Tweede kamer lijken.[17]Een voorstel om de Eerste Kamer dan maar af te schaffen[18] haalde het echter niet. Haar behoud werd, opnieuw, vooral gerechtvaardigd met de revisiegedachte.[19] Ook bij de grondwetsherziening van 1983 werd enige aandacht besteed aan de positie van de Eerste Kamer. De regering was van opvatting dat de heroverweging van door de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerpen als een waardevol element van het wetgevingsproces was. Daarnaast erkende de regering niettemin dat de Eerste Kamer wat haar niet-wetgevende activiteiten betreft tot op zekere hoogte kon worden gezien als een overbodige doublure van de Tweede Kamer.[20]
 
De laatste decennia is er vrijwel voortdurend kritiek op het functioneren van de Eerste Kamer te horen: zij zou te activistisch en te weinig terughoudend zijn, voornamelijk vertragend werken bij de totstandkoming van wetgeving en daarbij over een zwakke democratische legitimatie beschikken door haar indirecte, archaïsche manier van verkiezen.[21] Het huidige kabinet-Rutte II kan zelfs niet rekenen op een gunstig gezinde politieke meerderheid in de senaat, wat het soms moeilijk maakt in het regeerakkoord aangekondigde wetgeving en beleid tot stand te brengen.[22] Begin 2016 is besloten dat een staatscommissie de werking van ons parlementaire stelsel zal gaan onderzoeken, waarbij ook de positie van de Eerste Kamer aan de orde zal komen.[23]

3. Het primaat van de Tweede Kamer

De volgorde waarin artikel 51 de beide Kamers noemt – eerst de Tweede, dan de Eerste – is niet toevallig: de grondwetgever heeft hiermee tot uitdrukking willen brengen dat het politieke primaat binnen de Staten-Generaal aan de Tweede Kamer toekomt.[24] De grotere betekenis van de Tweede Kamer in ons parlementaire stelsel hangt samen met de zwakkere democratische legitimatie van de indirect gekozen Eerste Kamer, de beperktere bevoegdheden van de Eerste Kamer, met name in de wetgevingsproce­dure, en de praktijk rond de totstandkoming van regeerakkoorden en de vorming van kabinetten.[25] De formulering van artikel 51, eerste lid, weerspiegelt deze verhouding tussen de kamers.
 
Dit betekent echter niet dat er in het werk van de Eerste Kamer geen plaats kan zijn voor politieke overtuigingen. De wijze van samenstelling van de Eerste Kamer – verkiezing door de leden van de Provinciale Staten – en de politieke achtergrond en belangstelling die veel van haar leden gewoonlijk hebben, leiden ertoe dat ook in de Eerste Kamer politiek wordt bedreven. Daarbij dient zij terughoudendheid te betrachten jegens Tweede Kamer en regering in de zin dat zij geacht wordt de hoofdlijnen van de reeds gemaakte politieke keuzen, zeker als die behoren tot de kern van het regeringsbeleid en zijn neergelegd in een regeerakkoord, te respecteren.
 
Een garantie dat de Eerste Kamer zich dan steeds zal neerleggen bij de wens van de Tweede Kamer en de regering, biedt de Grondwet echter niet. In de nacht van 18 en 19 mei 1999 verwierp de Eerste Kamer met één stem verschil[26] een wetsvoorstel dat behoorde tot de kern van het regeerakkoord voor het kabinet-Kok II, aangaande de invoering van het correctief wetgevingsreferendum. Deze ‘Nacht van Wiegel’ bracht het kabinet ertoe zijn ontslag aan te bieden; de crisis kon echter worden bezworen en na enkele dagen trok het kabinet zijn ontslagaanvrage weer in.[27]
 
Omdat de verkiezingen voor de Eerste Kamer en de Tweede Kamer op verschillende momenten plaatsvinden, en ook de wijze van verkiezen verschilt, kan het voorkomen dat de politieke samenstelling van de beide Kamers flink verschilt. Een gevolg kan zijn dat een kabinet dat wel steunt op een meerderheid in de Tweede Kamer, geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer. In zo’n situatie kan de Eerste Kamer een nog prominentere politieke factor zijn. Het huidige kabinet-Rutte II, dat zich in die situatie bevindt, dient voor de realisatie van zijn plannen terdege rekening te houden met de verlangens van de oppositie, die de meerderheid vormt in de Eerste Kamer.
 
Enigszins in strijd met de gedachte van het politieke primaat van de Tweede Kamer komt het voorzitterschap van de verenigde vergadering toe aan de voorzitter van de Eerste Kamer (artikel 62 Grondwet). Dit is sinds 1815 steeds zo geweest. Pogingen om bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 verandering in deze zaak te brengen, strandden tot tweemaal toe doordat de betreffende wetsvoorstellen door de Eerste Kamer werden verworpen.[28]

4. De ledenaantallen van de Kamers

De Grondwet van 1814 riep een Staten-Generaal in het leven die bestond uit één kamer met 55 leden. Al in 1815 kwam daarin grondig verandering, doordat de zuidelijke Nederlanden – ruwweg het huidige België – bij het koninkrijk werden gevoegd. Het ledental van de bestaande Staten-Generaal, voortaan de Tweede Kamer, werd verdubbeld om ook vertegenwoordigers van de zuidelijke provincies te huisvesten. De nieuwe Eerste Kamer had geen vast ledental, maar bestond uit ten minste 40 en ten hoogste 60 leden, door de Koning te benoemen. In 1840 was weer een grondwetswijziging nodig, onder meer als gevolg van de erkenning door Nederland van de afsplitsing van België. Feitelijk was dat al gebeurd in het najaar van 1830, waardoor de Staten-Generaal al langere tijd niet konden functioneren overeenkomstig de Grondwet van 1815 – de vertegenwoordigers van de zuidelijke provincies ontbraken immers. Het aantal leden van de Tweede Kamer werd in het kleinere koninkrijk teruggebracht naar 58; in de Eerste Kamer benoemde de Koning ten minste twintig en ten hoogste dertig leden.
 
De Grondwetswijziging van 1848 bracht de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, en als grondslag voor die verkiezing het districtenstelsel. Dat had opnieuw gevolgen voor de ledentallen van de Tweede Kamer: het aantal kamerzetels werd gerelateerd aan het inwonertal van het koninkrijk en aan de daarop gebaseerde kiesdistricten; daarmee kon het ledental variëren. In de Grondwet van 1887 werd het aantal Tweede Kamerleden toch vastgelegd op 100, onder meer omdat het steeds aanpassen van districtsgrenzen aan verschuivingen in de bevolkingsaantallen omslachtig was. Ook bleek het bepalen van districtsgrenzen gevoelig voor misbruik: door bepaalde gebieden in een district te sluiten of juist erbuiten te houden, was het mogelijk de uitkomst van verkiezingen in dat district te beïnvloeden (het fenomeen ‘gerrymandering’).
 
In 1848 werd het ledental van de Eerste Kamer, die voortaan werd verkozen door de leden van de Provinciale Staten, op 39 gesteld; in 1887 werd dat verhoogd tot 50. In 1956 werden de huidige aantallen vastgelegd: 150 en 75 leden voor respectievelijk de Tweede en de Eerste Kamer. De voornaamste aanleiding voor deze verhogingen van de ledentallen was dat de omvang van het takenpakket van de overheid aan het einde van de negentiende eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog sterk toenam. Die ontwikkeling maakte ook de taken van de volksvertegenwoordigers complexer en omvangrijker.
 
In 1983, bij de algehele grondwetsherziening, zijn geen wijzigingen aangebracht, hoewel de ledenaantallen wel voorwerp van discussie waren. Enkele leden van de staatscommissie die de herziening voorbereidde, stelden een vermindering van het aantal leden voor; de meerderheid van de commissie en de regering achtten dit echter geen reële optie, onder meer omdat het aantal leden van beide kamers in relatie tot de omvang van de bevolking klein was in vergelijking met andere landen en bovendien de omvang en complexiteit van het werk van de volksvertegenwoordiging gestaag toenamen.!29!# Uitbreiding van de ledenaantallen werd door de regering eveneens van de hand gewezen, met als belangrijkste argument dat in de periode sinds 1956 niet was gebleken dat een groter aantal Kamerleden duidelijke voordelen zou bieden.[30]
 
In 1990 leidde een onderzoek naar de doorstroming van leden van de Tweede Kamer tot de constatering dat de werkdruk van Kamerleden erg hoog was geworden. Om dit probleem te ondervangen zou uitbreiding van het aantal Tweede Kamerleden kunnen worden overwogen.[31] Een concreet voorstel daartoe werd echter niet gedaan en sindsdien is uitbreiding van de ledentallen niet meer serieus overwogen.

5. De verenigde vergadering

Voor bepaalde in de Grondwet genoemde zaken vergaderen en besluiten de beide Kamers gezamenlijk, waarbij ze dan één vergadering vormen. De Grondwet schrijft een verenigde vergadering van de beide Kamers van de Staten-Generaal voor in de volgende gevallen: de vaststelling van een toestemmingswet voor het huwelijk van een lid van het Koninklijk Huis (artikel 28); de beslissing om een of meer personen uit te sluiten van de troonerfopvolging (artikel 29); het benoemen van een Koning of troonopvolger (artikel 30); de beëdiging en inhuldiging van een nieuwe Koning, in Amsterdam (artikel 32); het nemen van een besluit over het ouderlijk gezag en de voogdij over een minderjarige Koning (artikel 34); het verklaren dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen (artikel 35); het vaststellen van de wet waarmee de Koning de uitoefening van zijn gezag tijdelijk wenst neer te leggen (artikel 36); het vaststellen van de wet waarmee de regent wordt benoemd en van andere wettelijke regelingen rondom het regentschap, alsmede bij de eedaflegging door de regent (artikel 37, tweede en vierde lid); bij de Troonrede op de derde dinsdag van september (artikel 65); het verlenen van toestemming voor de verklaring dat het Koninkrijk in oorlog is, alsmede voor het beëindigen van die toestand (artikel 96); het besluiten over de voortduring van de uitzonderingstoestand (artikel 103).
 
Een verenigde vergadering van de Staten-Generaal is uitsluitend in de genoemde gevallen mogelijk. De beide Kamers kunnen niet op eigen initiatief bijeenkomen om over andere dan de in de Grondwet genoemde zaken in verenigde vergadering te besluiten.[32] De regering onderbouwde deze lezing van artikel 51 bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 door te stellen dat de Staten-Generaal in onderling overleg niet zouden mogen afwijken van de grondwettelijk gewaarborgde procedure inzake de wetgeving. Bovendien vreesde de regering een ondermijning van de positie van de Eerste Kamer indien de mogelijkheid van behandeling van wetgeving in één instantie zou worden toegestaan.[33] De leden van de Eerste Kamer zijn in een verenigde vergadering immers veruit in de minderheid ten opzichte van de leden van de Tweede Kamer: zij vormen slechts een derde van het ledental van de verenigde vergadering.
 
Het vierde lid van artikel 51 geeft slechts aan dat in die gevallen de beide Kamers als één orgaan optreden. Volgens de regering betekent dit gezamenlijk bijeenkomen vanzelfsprekend dat ‘het verschil in karakter van de kamers teloor gaat’.[34]

6. Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer 2010
- B.H. van den Braak, De Eerste Kamer. Geschiedenis, samenstelling en betekenis 1815-1995, diss. 1998
- M.C. Burkens, De huidige Eerste Kamer, RegelMaat 1987, p. 111‑118
- S.W. Couwenberg, Het tweekamerstelsel als staatsrechtelijk instituut, Namens 1990, p. 28‑33
- F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer der Staten‑Generaal I, II en III, TvO 1990, p. 302‑306; p. 333‑338 en p. 364‑366
- H. Krabbe, De Eerste Kamer, De Gids 1910, tevens opgenomen in: Staatsrechtelijke Opstellen uitgegeven ter gelegenheid van het aftreden van prof. Krabbe als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden, eerste deel, Verspreide opstellen, 's‑Gravenhage 1927, p. 146‑205
- R. Kranenburg, De Eerste Kamer, in: Studiën over Recht en Staat, Haarlem 1919, p. 131‑142
- H.R.B.M. Kummeling, De Eerste Kamer: Chambre de Révolution?, NJB 1990, p. 261‑268
- A. Postma, L.M. de Rijk, A. Sprey, J.J. Vis, Y.P.W. van der Werff (red.), Aan deze zijde van het Binnenhof. Gedenkboek ter gelegenheid van het 175‑jarig bestaan van de Eerste Kamer der Staten‑Generaal, 's‑Gravenhage 1990
- W.C.D. Olivier, Van de Staten‑Generaal, 's‑Gravenhage 1876
- A.Ch.M. Rijnen, De Eerste Kamer; op zoek naar de kwadratuur van de cirkel?, AA 1975, p. 61‑85
- Tweehonderd jaar Eerste Kamer. Veelzijdig in deeltijd. De laatste 25 jaar in het vizier, Bju: Amsterdam, 2015
- J. Vis, Wetgeving op de valreep. De Eerste Kamer als medewetgever, Publiek Domein 1990, p. 112‑116
- Volkeren Vertegenwoordigd. De Interparlementaire Unie 100 jaar, 's‑Gravenhage 1989.
- P.L. de Vos, De uitgang van het Binnenhof, Arnhem 1990
- F. de Vries, De staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer, diss. Groningen, 2000

7. Historische versies

Eerste lid:
Art. 78 Gw 1815: De Staten Generaal bestaan uit twee kamers (art. 80 Gw 1840).
Art. 75 Gw 1848: De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer (art. 79 Gw 1887; art. 80 Gw 1922; art. 82 Gw 1938; art. 89 Gw 1953).
 
Tweede lid:
Art. 56, eerste volzin, Gw 1814: De vergadering der Staten Generaal bestaat uit vijf en vijftig leden.
Art. 79 Gw 1815: Eene dier kamers bestaat uit 110 leden (...).
Art. 81 Gw 1840: Eene dier Kamers bestaat uit acht en vijftig leden (...).
Art. 77 Gw 1848: Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45 000 één.
Art. 81, eerste lid, Gw 1887: De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden (...)(art. 82, eerste lid, Gw 1922; art. 84, eerste lid, Gw 1938; art. 91, eerste lid, Gw 1953).
Art. 91, eerste lid, Gw 1956: De Tweede Kamer bestaat uit honderd en vijftig leden (...).
 
Derde lid:
Art. 80 Gw 1815: De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, (...) (art. 82 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden' wordt gelezen `niet minder dan twintig en niet meerder dan dertig leden').
Art. 78, eerste lid, Gw 1848: De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.
Art. 82, eerste lid, Gw 1887: De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden (art. 83, eerste lid, Gw 1922; art. 85, eerste lid, Gw 1938; art. 92, eerste lid, Gw 1953).
Art. 92, eerste lid, Gw 1956: De Eerste Kamer bestaat uit vijf en zeventig leden.
 
Vierde lid:
Art. 104, eerste lid, Gw 1815: Wanneer volgens deze grondwet, de beide kamers eene vereenigde zitting houden, het zij de tweede kamer in enkelen of in dubbelen getale zij, zitten de leden zonder onderscheid, tot welke kamer zij behooren (art. 105, eerste lid, Gw 1840).
Art. 103, eerste lid, Gw 1848: Bij eene vereenigde zitting worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats (art. 108, eerste lid, Gw 1887; art. 109, eerste lid, Gw 1922; art. 111, eerste lid, Gw 1938; art. 118, eerste lid, Gw 1953).

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Erskine May's Treatise on the Law, Privileges, Proceedings and Usage of Parliament, 24th ed., Malcolm Jack, London 2011, p. 11.
  3. Voor een overzicht van uiteenlopende tweekamerstelsels in de (tegenwoordige) wereld, zie www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/11/27/parlementaire-tweekamerstelsels-een-internationale-vergelijking. Zie ook: P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer 2010, p. 29 e.v.
  4. Het Deense parlement werd in 1953 unicameraal, het Zweedse in 1970.
  5. Artikel 56 van de Grondwet van 1814.
  6. Uitvoerig hierover: H. de Schepper, De Eerste Kamer in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, in: A. Postma e.a. (red.), Aan deze zijde van het Binnenhof. Gedenkboek ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, Den Haag 1990 , p. 15 e.v.
  7. Zie hierover uitvoerig De Schepper, a.w. 1992, p. 30 57 en G.A.M. Beekelaar, Tussen twee revolutiejaren. De Eerste Kamer van 1830 tot 1848, in: Gedenkboek 175 jarig bestaan van de Eerste Kamer, Den Haag 1990, p. 83 137.
  8. Bovend’Eert/Kummeling, a.w. 2010, p. 33.
  9. Zie de artikelen 51-70 van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798.
  10. Bovend’Eert/Kummeling, a.w. 2010, p. 33.
  11. Hand. II 1839 1840, p. 433 en 434.
  12. J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der grondwet, Amsterdam 1948, met notities en bijlagen van C.W. de Vries, p. 46.
  13. F.A. van Hall, Memorie met opdrachtbrief d.d. 23 december 1841, opgenomen in L.C. Suttorp, F.A. Van Hall en Zijne Constitutionele Beginselen, diss. RUL, Amsterdam 1932, p. 188 en 189.
  14. W.C.D. Olivier, Van de Staten Generaal, 's Gravenhage 1876, p. 65.
  15. Over deze periode uitvoerig: J.J. Vis, Van 'Ménagerie du Roi' tot politiek college. De Eerste Kamer van 1849 tot 1887, in: Gedenkboek 175 jarig bestaan van de Eerste Kamer, Den Haag 1990, p. 163 209.
  16. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, deel I, Arnhem: Gouda Quint, 1883, p. 403, 404; H. Krabbe, De Eerste Kamer, in: De Gids 1910, tevens opgenomen in Staatsrechtelijke opstellen uitgegeven ter gelegenheid van het aftreden van Prof. H. Krabbe als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden, eerste deel, 's Gravenhage 1927, p. 185 186.
  17. Zie o.a. het Verslag van de Staatscommissie ingesteld bij KB van 20 december 1918, no. 78, aan welke is opgedragen de voorbereiding van eene herziening van de Grondwet. Zie ook Hand. II 1921/22, p. 662-664.
  18. Bijl. Hand II 1921/22, nr. 90, p. 6 en 7.
  19. N. Cramer, De Eerste Kamer na 1917 in heroverweging, in: Gedenkboek 175 jarig bestaan van de Eerste Kamer, Den Haag 1990, p. 283 296.
  20. Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid, deel I, 's Gravenhage 1977, Bijl. Hand. II 1973/74, 12 994, nr. 2 (Nng, 12, p. 18-19).
  21. Een voorbeeld is de kritiek die de VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer Zijlstra uitte in een interview in april 2013: www.volkskrant.nl/politiek/zijlstra-te-politieke-eerste-kamer-beter-afschaffen~a3428375/. Zie over de discussie over de rol van de Eerste Kamer gedurende de afgelopen 25 jaar: Tweehonderd jaar Eerste Kamer. Veelzijdig in deeltijd. De laatste 25 jaar in het vizier, Bju: Amsterdam, 2015; zie met name hoofdstuk 5 (p. 118-154).
  22. Zie bijvoorbeeld: www.volkskrant.nl/politiek/eerste-kamer-tegen-wet-kamp-energieakkoord-dreigt-te-kapseizen~a4212908/.
  23. www.nrc.nl/nieuws/2016/01/19/overeenstemming-over-staatscommissie-eerste-kamer.
  24. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 9 en 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 18 (Nng IIIa, p. 9 en 67).
  25. Bovend’Eert/Kummeling, a.w. 2010, p. 37-39.
  26. Aangezien het de tweede lezing van een voorstel tot herziening van de Grondwet betrof, was een tweederde meerderheid nodig.
  27. Hierover: J. van Merriënboer, Carambole! De nacht van Wiegel in de parlementaire geschiedenis, in: Jaarboek Parlementaire geschiedenis 1999; zie ook www.parlement.com/id/vh8lnhrouwxi/kabinetscrisis_1999_de_nacht_van_wiegel.
  28. C.A.J.M. Kortmann, Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Kluwer: Deventer 1987, p. 215-216; zie ook het commentaar bij artikel 62 Gw.
  29. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 9-10 (Nng IIIa, p. 9-10).
  30. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 19 (Nng IIIa, p. 68). Overigens merkt de regering hierbij op dat de ledenaantallen in 1956 ‘betrekkelijk willekeurig’ waren gekozen.
  31. Aldus P.L. de Vos, Uitbreiding aantal Kamerleden gewenst!, in: Namens 1990, p. 14-23; zie ook P.L. de Vos, De uitgang van het Binnenhof, Arnhem 1990.
  32. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 7 en 8 (Nng, IIIa, p. 7-8).
  33. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 8 (Nng, IIIa, p. 8) en uitvoeriger de argumenten van de regering in Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 10-17 (Nng, IIIa, p. 59-66).
  34. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 12 (Nng IIIa, p. 61).

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 51 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Eerste en Tweede Kamer

Het Nederlandse parlement is georganiseerd in twee kamers, met deels verschillende taken en bevoegdheden. De volgorde waarin de Grondwet de beide kamers noemt – eerst de Tweede, daarna de Eerste – is een uitdrukking van het politieke primaat van de Tweede Kamer. In de Tweede Kamer worden de voornaamste politieke beslissingen genomen; de Eerste Kamer (ook wel senaat genoemd) dient wetsvoorstellen die in de Tweede Kamer zijn aangenomen te beoordelen op hun wetstechnische kwaliteit en op hun aanvaardbaarheid in het licht van rechtsstatelijke beginselen.
 
Sommigen menen dat de Eerste Kamer eigenlijk een overbodig instituut is, dat vooral de politieke besluitvorming hindert. Het zou voor dubbel werk en onnodige vertraging bij de totstandkoming van wetten zorgen. Vanuit een rechtsstatelijk oogpunt is de heroverwegende taak van de Eerste Kamer juist van groot belang voor de kwaliteit van de wetgeving en voor een goede balans in de verhouding tussen regering en volksvertegenwoordiging.
 
Artikel 51 noemt ook de ledentallen van de kamers. Met enige regelmaat wordt geopperd het aantal leden van met name de Tweede Kamer te verkleinen, omdat een kleiner parlement minder kostbaar en slagvaardiger zou zijn. Het is maar de vraag of dat zinnig zou zijn: vergeleken met de parlementen in de ons omringende landen is het aantal leden helemaal niet zo groot en de werkdruk van onze kamerleden is hoog.
 
Soms schrijft de Grondwet voor dat de kamers in verenigde vergadering bijeenkomen, zoals bij complicaties rondom de erfopvolging van de Koning, bij het behandelen van een toestemmingswet voor een koninklijk huwelijk en bij de beëdiging en inhuldiging van de Koning. De beide kamers vormen dan samen één orgaan, voorgezeten door de voorzitter van de Eerste Kamer. De leden van de beide kamers zitten door elkaar, gewoonlijk op alfabetische volgorde van de achternamen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Eerste en Tweede Kamer

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Eerste en Tweede Kamer

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Eerste en Tweede Kamer

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Eerste en Tweede Kamer

De Raad van State is kritisch over het plan van kabinet Rutte I om het aantal leden van de Eerste en Tweede Kamer te verminderen. 

Staatsrechtgeleerde Couwenberg reageert op de kritiek op het bovengenoemde plan van Rutte I om het aantal leden van het parlement terug te dringen.

Senator van 50plus Jan Pleit voor het gelijktijdig kiezen van de Eerste en Tweede Kamer en tevens voor de opheffing van de Eerste Kamer.
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Eerste en Tweede Kamer

  • De Eerste Kamer
  • Wordt de Eerste Kamer te machtig?
De Eerste Kamer
Blogs

Eerste en Tweede Kamer

Op het blog Sargasso.nl schreef Markus Haverland over de nutteloosheid van een politiek ingestelde Eerste Kamer.

Hoogleraar Staatsrecht Paul Bovend'Eert schreef dat het Kabinet Rutte II deals moet sluiten met de Eerste Kamer in plaats van met Tweede Kamerfracties.

Volgens professor Wim Voermans en dr. Geerten Boogaard is het onderhandelen  van Kabinet Rutte II, dat geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer, met de oppositiepartijen in de Tweede Kamer "constitutioneel spelbederf".


Karsten Meijer reageert op de stelling dat de onderhandelingen tussen de regering en oppositiepartijen "constitutioneel spelbederf" zijn. In een vitale en effectieve democratie is tegenwicht voor de regering juist noodzakelijk.

In België is de senaat in 2014 "afgeslankt". Senator en professor Lode Vereeck bespreekt de rol van de nieuw senaat, die volgens hem van onverminderd belang is "als ontmoetingsplaats worden voor de gemeenschappen, om na te denken over de staatsinrichting en om een volgende staatshervorming voor te bereiden."

In de wereld

Eerste en Tweede Kamer

In België is de senaat in 2014 "afgeslankt". Senator en professor Lode Vereeck bespreekt de rol van de nieuw senaat, die volgens hem van onverminderd belang is "als ontmoetingsplaats worden voor de gemeenschappen, om na te denken over de staatsinrichting en om een volgende staatshervorming voor te bereiden."