CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 46 - Staatssecretarissen

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Benoeming en ontslag
  3. Tweezijdigheid van ambt van staatssecretaris
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Na een mislukte poging in 1937[1] is de functie van staatssecretaris in 1948 in de Grondwet opgenomen. Er bestonden twee motieven om deze functie naast die van de minister in het leven te roepen. Ten eerste zou door de aanstelling van staatssecretaris overbelasting van de minister worden voorkomen. Ten tweede werd als bijkomend voordeel gezien dat de functie van staatssecretaris een goede leerschool zou zijn voor jonge politici voor het ministerschap.[2] Beide motieven hebben echter geleid tot een gecompliceerde staatsrechtelijke constructie. Enerzijds moet de staatssecretaris de minister ontlasten en hem kunnen vervangen, maar anderzijds dient hij tegelijk onderschikt te blijven aan de minister als hoofd van het departement: ‘…onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister’. De constructie luidt thans als volgt: intern bezien is de staatssecretaris onderminister, extern treedt hij ‘als minister’ op zowel richting het parlement als naar de samenleving, doch dit laatste onverminderd de ondergeschiktheid aan de minister en diens eigen verantwoordelijkheid op basis van artikel 42 Grondwet.[3] Dat de staatssecretaris ‘als minister optreedt’ betekent dat hij voor de vervulling van de hem toevertrouwde taken alle relevante ministeriële bevoegdheden heeft en handelt als een minister. Het betekent tegelijkertijd niet dat de staatssecretaris tevens minister (in de functie van hoofd van het ministerie of lid ministerraad) kan zijn. De verantwoordelijkheden van de staatssecretaris doen derhalve niets af aan de bevoegdheden van de minister.[4] Vandaar ook dat de titel ‘onderminister’ in ons staatsrecht onbekend is gebleven.[5] Het huidige takenpakket van staatssecretarissen doet inhoudelijk overigens niet onder voor die van een minister. Juist bij het verminderen van het aantal leden van de ministerraad zoals in 2012, neemt de omvang van de portefeuille van staatssecretarissen evenredig toe.[6] Het kabinet-Rutte III heeft acht staatssecretarissen met elk hun eigen, vaak omvangrijke, portefeuille.[7]
 

2. Benoeming en ontslag

Evenals voor ministers gelden voor de staatssecretaris geen benoemingsvereisten(zie paragrafen 2 en 3 bij artikel 43 Grondwet). Ook zwijgt de Grondwet over benoemingsduur, benoemingsprocedure en de gronden voor ontslag van staatssecretarissen. Zij worden evenals ministers benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit. De minister-president en de verantwoordelijke minister contrasigneren deze benoemingsbesluiten op basis van artikel 48 Grondwet, dat overigens alleen de handtekening van de minister-president eist. Doorgaans worden besluiten tot benoeming van een of meer staatssecretarissen genomen aan het einde van de kabinetsformatie in het overleg van de formateur en de fractievoorzitters van de partijen die een regeringscoalitie zullen aangaan. Het is een staatsrechtelijke gewoonte om, wanneer de minister zijn functie ter beschikking stelt, de staatssecretaris dat ook doet. Zodoende krijgt de nieuwe minister de mogelijkheid om eventueel een andere persoon voor te stellen voor benoeming tot ‘zijn’ staatssecretaris.[8] Voor het overige geldt voor de staatssecretaris de vertrouwensregel in volle omvang. Dit betekent dat er op zichzelf staande redenen kunnen zijn die een staatssecretaris uit eigen beweging doen besluiten af te treden, of dat het parlement hem dwingt tot aftreden.[9]
 

3. Tweezijdigheid van ambt van staatssecretaris

Artikel 46 Grondwet, tweede lid, is bepalend voor de staatsrechtelijke positie van de staatssecretaris. De tweezijdigheid van het ambt laat zich als volgt omschrijven. Enerzijds treedt de staatssecretaris in de plaats van de minister op. In dit kader komen hem bevoegdheden toe welke eveneens zijn verbonden met het ministersambt. Dit komt vooral tot uiting in de bevoegdheid van de staatssecretaris om wetten en koninklijke besluiten te contrasigneren. Dit betekent vervolgens weer dat de staatssecretaris de volledige verantwoordelijkheid draagt voor alle besluiten die hij contrasigneert. Hij is dus in het verkeer met de Staten-Generaal volledig aanspreekbaar voor al zijn handelen en nalaten. Ook op de staatssecretaris rust de grondwettelijke plicht om beide kamers van het parlement alle informatie te geven die een of meer leden verlangen (artikel 68 Grondwet) en kan hij strafrechtelijk worden vervolgd door de Hoge Raad vanwege ambtsmisdrijven (artikel 119 Grondwet). Ook kan de kamer beslissen een staatssecretaris heen te zenden en de minister te laten aanblijven. Per geval dient de kamer uit te maken welke bewindsman men hoofdverantwoordelijk acht voor zaken die de kamer afkeurt. Ook het gebrek aan vertrouwen van de geestverwante regeringsfractie kan aanleiding zijn om als staatssecretaris op te stappen.[10]
 
De staatssecretaris vervangt de minister bij diens afwezigheid, zowel in de dagelijkse gang van zaken op het departement, bij voordrachten en ondertekening van besluiten, als in de beraadslagingen (niet echter eventuele stemmingen) in de ministerraad. In dit laatste ligt de beperking van het ambt van staatssecretaris. Hij kan geen volwaardig lid zijn van de ministerraad. De regering gaf al bij de herziening van de Grondwet van 1983 aan dat de tekst van het hier besproken grondwetsartikel ruimte laat voor een opwaardering van het ambt van staatssecretaris, dat wil zeggen dat hij de minister in al zijn hoedanigheden (eventueel ook met stemrecht in de ministerraad[11]) zou mogen vervangen. Wat echter niet mogelijk is, is dat hij tevens als lid van de ministerraad optreedt omdat artikel 45 Grondwet zich hiertegen verzet. Ministers worden bij tijdelijke afwezigheid vervangen door de staatssecretaris van hetzelfde ministerie voorzover en voor zolang de minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen dienaangaande te geven.[12] Dit laatste betekent dat de staatssecretaris formeel niet direct betrokken is bij de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid omdat hij geen lid is van de ministerraad. Indirect is hij dat wel omdat hij deel uitmaakt van het kabinet en als zodanig medeverantwoordelijk is voor het gehele kabinetsbeleid. In de praktijk is hier overigens slechts sprake van een theoretisch probleem; knelpunten doen zich niet voor.
 
Het grondwetsartikel geeft verder in het tweede lid aan dat de staatssecretaris zijn taken uitoefent op basis van aanwijzingen van de minister. Hij is dus ondergeschikt aan de minister. Hij dient de instructies van de minister op te volgen en is alleen aan hem hiervoor verantwoordelijk. Er is sprake van een hiërarchische relatie tussen minister en staatssecretaris. De minister bepaalt op welk beleidsterrein de staatssecretaris werkzaam zal zijn.[13] Deze taakomschrijving wordt vastgelegd in een ministerieel besluit. Dit is mede de reden voor de regel dat de staatssecretaris niet kan aanblijven als de minister dat niet langer meer wenst.[14] Het komt ook voor dat een staatssecretaris tegelijk met de minister opstapt indien het eenzelfde (politiek omstreden) kwestie betreft. Zo traden zowel de minister als de staatssecretaris van Justitie, Opstelten en Teeven, in maart 2015 af vanwege de zogenoemde “bonnetjesaffaire”.[15] In de praktijk echter is de relatie minister-staatssecretaris veel minder hiërarchisch dan de Grondwet aangeeft. In de meeste gevallen gaat het veeleer om goede collegiale verhoudingen en werksfeer en worden minister en staatssecretaris als bestuurlijk koppel in de politiek beschouwd.
 

4. Literatuur

- Anne Bos, Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen 1967-2002, Amsterdam 2018
- H.A. Groeneveld, De staatssecretaris in Nederland 1948-1988, Deventer 1989
 

5. Historische versies

Eerste lid:
 Art. 79, tweede lid, derde volzin, Gw 1948: Hij kan voor een departement een of meer Staatssecretarissen benoemen, die in alle gevallen, waarin de Minister, hoofd van het departement, zulks nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen in diens plaats als Minister optreden (art. 86, tweede lid, derde volzin, Gw 1953).
 
Tweede lid:
 Art. 79, tweede lid, derde‑‑vijfde volzin, Gw 1948: Hij kan voor een departement een of meer Staatssecretarissen benoemen, die in alle gevallen, waarin de Minister, hoofd van het departement, zulks nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen in diens plaats als Minister optreden. De Staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de Minister, hoofd van het departement. Op hem is van overeenkomstige toepassing hetgeen omtrent Ministers is bepaald in dit artikel en in de artikelen 55, 97, 99, 100, 113 en 171 (art. 86, tweede lid, derde‑‑vijfde volzin, Gw 1953, behoudens dat, i.p.v. de `artikelen 97, 99, 100, 113 en 171', gelezen worden de `artikelen 104, 106, 107, 120 en 178').
 

Noten

  1. H.A. Groeneveld, De staatssecretaris in Nederland, Deventer 1989, p. 5-17.
  2. Idem, p. 19-33.
  3. Bijl. Hand. II 1947-1948, 775, nr. 6, p. 12.
  4. Bijl. Hand. I 1950-1951, 1472, p. 7 en 8.
  5. Pogingen om deze titel in te voeren zijn bij de grondwetsherziening mislukt (Nng, II, p. 197 en 361-365).
  6. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, Deventer 2014, p. 524.
  7. https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen.
  8. Nng, II, p. 129.
  9. Nng, II, p. 129 en 168. Het laatste deed zich voor in september 2015 toen de positie van staatssecretaris Wilma Mansveld onder druk kwam te staan door de financiële problemen bij spoorbeheerder ProRail. Bij de presentatie van het (kritische) rapport van de parlementaire enquêtecommissie naar de Fyra-treinverbinding tussen Nederland en België op 28 oktober 2015, trekt zij haar conclusies en dient haar ontslag in. Volgens het eindrapport had zij de Tweede Kamer onjuist en onvolledig ingelicht.
  10. Zie voorbeelden in Groeneveld 1989, p. 415-421 en 430-439.
  11. Nng, II, p. 351.
  12. Zie Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001818, houdende de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een minister.
  13. Idem. Artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris schrijft voor dat de taakomschrijving van de staatssecretaris(sen) in de Staatscourant moet worden gepubliceerd.
  14. Een voorbeeld hiervan is het ontslag van staatssecretaris Glastra van Loon van Justitie in mei 1975 vanwege het feit dat de minister van Justitie niet langer meer met hem overweg kon. Zie Anne Bos, Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen 1967-2002, Amsterdam 2018, p. 69-85.
  15. Kamerstukken II, 2014-2015, 34 174, nr. 1.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 46 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Staatssecretarissen

Een staatssecretaris kan aan een ministerie worden toegevoegd om het takenpakket van de betreffende minister te ontlasten. Aan een staatssecretaris wordt een zo goed mogelijk afgebakend deelterrein toevertrouwd; de minister behoudt wel de uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid over het gehele beleidsterrein. Een andere reden om een staatssecretaris te benoemen is volgens sommigen dat het ambt een goede leerschool kan zijn voor jonge, veelbelovende politici. Jonge bewindslieden worden dan aanvankelijk benoemd tot staatssecretaris en klimmen daarna, bijvoorbeeld in een volgend kabinet, op naar het volwaardige ministerschap. Soms komt het creëren van een nieuwe post voor een staatssecretaris voort uit de onderhandelingen over de verdeling van kabinetsposten tijdens de kabinetsformatie.
 
De staatssecretaris is geen lid van de ministerraad, maar kan met een raadgevende stem aan de vergaderingen deelnemen. Hij draagt zelf de politieke verantwoordelijkheid voor het aan hem toevertrouwde beleidsterrein, maar handelt binnen het departement waar hij werkzaam is onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de betreffende minister. Intern, binnen het ministerie, is hij onderminister; tegenover de Tweede Kamer en de samenleving treedt hij op als verantwoordelijk bewindspersoon.
 
Het koninklijk besluit waarmee een staatssecretaris wordt benoemd, wordt achtereenvolgens ondertekend door de Koning, de minister-president en de uiteindelijk verantwoordelijke minister.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Staatssecretarissen

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Staatssecretarissen

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Staatssecretarissen

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Staatssecretarissen

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Staatssecretarissen

In de wereld

Staatssecretarissen