CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

ARTIKEL 45 - Ministerraad

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Ministerraad
  3. Minister-president
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

De ministerraad werd in 1983 voor het eerst in de Grondwet opgenomen. Voor 1983 kwam een aanduiding van de ministerraad (‘de ministers, in rade verenigd’) wel voor, maar dan in een heel specifieke omstandigheid namelijk in geval van buiten staat raken van de Koning (thans artikel 35 Gw). Reeds in 1823 werd de ministerraad als permanent college ingesteld. Dit college had destijds een andere functie: eenheid in de adviezen aan de Koning. Pas na 1848 ontwikkelde het zich geleidelijk tot een bestuurscollege.[1] De regering achtte tijdens de grondwetsherziening van 1983 de tijd gekomen om de ministerraad en zijn voorzitter, de minister-president, grondwettelijk te funderen, omdat beide organen tot de ‘fundamentele elementen van ons staatkundig bestel’ gerekend worden en omdat ‘bij het optreden naar buiten beide organen zich duidelijk als zelfstandige grootheden hebben gemanifesteerd’.[2] De ministerraad (of: ‘raad van ministers’) is volgens de regering ‘een zelfstandig orgaan dat naar buiten collectief verantwoordelijk is en dat een eigen competentie heeft tegenover individuele ministers’.[3]
 
De vraag is wat moet worden verstaan onder ‘zelfstandig orgaan’ en het ‘collectief naar buiten treden’ van de ministerraad. De ministerraad als zodanig heeft weinig bevoegdheden die van betekenis zijn in het staatsrechtelijke verkeer tussen regering en parlement. Weliswaar somt het reglement van orde een groot aantal zaken op waarover in de ministerraad besluiten moeten worden genomen, maar zeer zelden hebben besluiten van de ministerraad zelfstandige juridische betekenis.[4] Relevant in het reguliere verkeer tussen regering en parlement zijn slechts wetsvoorstellen en koninklijke besluiten. In elk geval kan de ministerraad wel worden beschouwd als een orgaan waarin wekelijks belangrijke besluiten worden genomen die vervolgens door de regering en afzonderlijke ministers dienen te worden uitgevoerd. In deze zin is de ministerraad een collegiaal college waarin ministers elkaar kunnen aanspreken op hun individuele en hun collectieve verantwoordelijkheid voor de vormgeving en de inhoud van het algemeen regeringsbeleid. De leden zijn gebonden aan de besluiten van de raad (artikel 12 van het Reglement van orde voor de ministerraad). De minister-president heeft tot taak de raad voor te zitten en zorg te dragen voor correcte besluitvorming. Het lijkt er dus op dat de ministerraad vooral van belang is voor de interne afstemming en coördinatie van het regeringsbeleid en derhalve vanuit juridisch oogpunt niet als zodanig zelfstandig naar buiten treedt. De wekelijkse persconferenties van de voorzitter van de ministerraad na afloop van de ministerraad hebben meer het karakter van voorlichting en profilering.[5]
 

2. Ministerraad

De ministerraad bestaat uit de ministers en ministers zonder portefeuille en staat onder voorzitterschap van de minister-president. De staatssecretarissen maken geen deel uit van de ministerraad. Zij kunnen met raadgevende stem aan de vergaderingen van de raad deelnemen (artikel 3 van het Reglement van orde en artikel 46 Gw). Staatssecretarissen zijn aanwezig als een onderwerp uit hun portefeuille aan de orde is of als zij hun minister vervangen. De ministerraad van het Koninkrijk, die beraadslaagt en besluit over koninkrijksaangelegenheden waaronder verdragen die een of maar Caribische landen van het Koninkrijk raken, voorstellen van rijkswet en ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur. Daaraan nemen ook deel de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde gevolmachtigde ministers.[6] De Koning heeft derhalve geen zitting in de ministerraad.[7] De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid, zo stelt het derde lid van het grondwetsartikel. De passage betreffende het algemeen regeringsbeleid is door een amendement van de Tweede Kamer later ingevoegd.[8] Deze passage brengt de coördinerende functie en de collectieve verantwoordelijkheid van de raad tot uitdrukking. De precieze uitwerking van dit begrip is echter zo wisselend, dat bewust is gekozen voor een vage omschrijving zodat ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen de Grondwet geen belemmeringen kan creëren.[9] In elk geval is duidelijk dat de ministerraad zelf uitmaakt hoe het regeringsbeleid eruit ziet en wat onder dit begrip valt.[10] Ook hier geldt dat de bepaling betreffende het algemeen regeringsbeleid slechts interne werking heeft en van belang is voor Koning en ministers.[11]
 
De raad bevordert ook de eenheid van het beleid. Dit omvat de eis dat in de ministerraad bestaande verschillen van mening tussen ministers moeten worden beslecht. Naar buiten toe presenteert de ministerraad, en dus ook ministers afzonderlijk, zich met één stem. Dit principe wordt ook wel omschreven als de homogeniteit van de ministerraad. Dit beginsel is van groot belang in het verkeer tussen regering en parlement. Bij verschil van opvatting tussen ministers in het openbaar is het voor het parlement ondoenlijk te achterhalen wat nu precies het regeringsstandpunt is en daarmee is controle niet meer mogelijk. Daarbij is tevens van belang dat de leden van de ministerraad een geheimhoudingsplicht hebben ten aanzien van de beraadslagingen in de raad (artikel 26 van het Reglement van orde). Het lekken uit de ministerraad komt (gelukkig) weinig voor.[12] Verder wordt de ministerraad administratief ondersteund door een secretariaat van de ministerraad, ondergebracht op het ministerie van Algemenen Zaken, het departement van de minister-president.[13] Van de beraadslagingen worden notulen gemaakt die in de regel na 50 jaar openbaar gemaakt worden. Voor wetenschappelijke doeleinden kan een uitzondering worden gemaakt. Tenslotte pleegt de hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst alle vergaderingen van de ministerraad bij te wonen (artikel 3, tweede lid, van het Reglement van orde).
 

3. Minister-president

De aanduiding minister-president staat pas sinds 1983 in de Grondwet. Hiervoor was de functie wel erkend in opeenvolgende reglementen van orde van de ministerraad vanaf 1945, maar een grondwettelijke basis ontbrak. De regering wees tijdens de grondwetsherziening van 1983 op het toegenomen belang van de functie van de minister-president. In de loop van de tijd is hij de centrale schakel geworden bij het beginsel van de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid.[14] Ook in Europees verband, namelijk als lid van de Europese Raad, is zijn functie als eerstverantwoordelijke voor het regeringsbeleid gegroeid.[15] De minister-president is voorzitter van de ministerraad (tweede lid). Hij vervult deze taak voornamelijk op grond van de Grondwet en het Reglement van orde van de ministerraad.[16] Behalve om het voorzitten van de raad gaat het vooral om het coördineren en structureren van het overleg voorafgaand en tijdens vergaderingen van de raad. Na afloop is de MP (zoals de functie van de minister-president in Haagse kringen wordt afgekort) woordvoerder namens de raad op de wekelijkse persconferentie. De minister-president kan bij diens afwezigheid worden vervangen door een of meer vice-minister-president(en). Zij worden bij koninklijk besluit benoemd en zijn ondervoorzitter van de ministerraad (artikel 2, derde lid, van het Reglement van orde). Het is gebruikelijk bij coalitiekabinetten zoals in ons land dat vice-premiers tot een andere partij behoren dan de minister-president. De premier beschikt verder over een aantal bevoegdheden dat het functioneren van de ministerraad bevordert. Te denken valt aan het aanwijzen van een verantwoordelijke minister indien dat onduidelijk is en het uitbrengen van een beslissende stem indien de raad niet tot een besluit kan komen vanwege het ‘staken der stemmen’ (artikelen 6 en 11 van het Reglement van orde).
 

4. Literatuur

- R.B. Andeweg (red.), Ministers en Ministerraad, Den Haag 1990
- Handboek voor aantredende bewindspersonen, Ministerie van Algemene Zaken, Den Haag, 16 april 2013
- R.J. Hoekstra, Ministerraad en vorming van regeringsbeleid, Zwolle 1988
- H.Th.J.F. van Maarseveen, De heerschappij van de ministerraad, ’s-Gravenhage 1969
- WRR, Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken, ’s-Gravenhage 1987
 

5. Historische versies

Geen eerdere versies.
 

Noten

  1. Besluit van 19 september 1823, Reglement van orde Raad van Ministers (zie de tekst in: R. Senelle, De Ministerraad in België. Preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Zwolle/Antwerpen 1983, p. 3-6.
  2. Nng, II, p. 204.
  3. Idem.
  4. Zie Reglement van orde voor de ministerraad (besluit van 2 maart 1994, Stb. 203).
  5. Zie verder over de praktische gang van zaken: Het Blauwe Boek. Handboek voor bewindspersonen, Ministerie van Algemene Zaken, Den Haag, juli 2017.
  6. Zie artikel 7 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 1, onder c Reglement van orde voor de ministerraad.
  7. In de 19e eeuw en begin 20ste eeuw kwam de kabinetsraad nog wel eens bijeen. Dit college, dat geen formele staatsrechtelijke grondslag had, stond onder voorzitterschap van de Koning. Dit college komt sinds 1906 niet meer bijeen en is overigens nimmer officieel afgeschaft. Het is een staatsrechtelijk onvaste aanduiding, die niet meer gebruikt wordt in ons land.
  8. Amendement-De Kwaadsteniet/Brinkhorst (Nng, II, p. 245). Zie tevens artikel 4 RvOMR.
  9. Nng, II, p. 226.
  10. I.C. van der Vlies, De bevoegdheden van de ministerraad, in: NJB 1982, p. 426.
  11. Nng, II, p. 282-284 en 340.
  12. In het in december 2002 verschenen boek 'Blinde ambitie' beschreef oud-minister Bomhoff hoe het er in de ministerraad aan toe ging. Zo citeerde hij bijvoorbeeld 'uit zijn geheugen' de minister-president inzake de toetreding van Polen tot de Europese Unie. Nader onderzoek door de minister-president wees uit dat er geen sprake was van schending van het ambtsgeheim.
  13. Zie hierover uitvoerig: WRR, Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken, ’s-Gravenhage 1987. Zie ook noot 5.
  14. Nng, II, p. 151.
  15. Nng, II, p. 229.
  16. Stb. 203, 2 maart 1994.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 45 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ministerraad

De ministerraad bestaat uit de ministers die aan het hoofd staan van de ministeries, en de ministers zonder portefeuille die geen eigen departement leiden. Staatssecretarissen maken geen deel uit van de ministerraad. De vergadering van alle ministers en staatssecretarissen tezamen wordt aangeduid als het kabinet.
 
De ministers beraadslagen en besluiten over het algemeen regeringsbeleid. Dat houdt in dat zij wekelijks bijeenkomen, vooral voor de onderlinge afstemming en coördinatie van hun individuele beleid. Wanneer zij in dat kader gezamenlijk besluiten nemen of standpunten formuleren, dragen zij daarvoor collectief de politieke verantwoordelijkheid en treden zij eensgezind naar buiten. Daarbij geldt bovendien dat de leden van de ministerraad een geheimhoudingsplicht hebben ten aanzien van hetgeen daar is besproken.
 
De Grondwet geeft niet aan welke onderwerpen tot het algemeen regeringsbeleid behoren. Het Reglement van orde voor de ministerraad noemt een aantal onderwerpen die in elk geval in de ministerraad moeten worden besproken, maar verder bepalen de ministers zelf wat daar ter sprake komt. De minister-president is voorzitter van de ministerraad en voert namens de ministerraad het woord op de wekelijkse persconferentie.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ministerraad

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ministerraad

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Ministerraad

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Ministerraad

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Ministerraad

  • Beëdiging kabinet Drees
  • Beëdiging kabinet Zijlstra
  • Beëdiging kabinet De Geer
  • Beëdiging kabinet Van Beel
  • Beëdiging kabinet De Jong
  • Historie Trêveszaal
  • Kabinet Rutte II voor het eerst bijeen
  • NIEUWE FILM
Beëdiging kabinet Drees
Beëdiging kabinet Drees (1951)
Blogs

Ministerraad

In de wereld

Ministerraad