CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

INHOUD
  1. De leden van het koninklijk huis
  2. Titels van de leden van het koninklijk huis
  3. Literatuur
  4. Historische versies
   
Versie november 2015[1]

1. De leden van het koninklijk huis

Hoewel al in de Grondwet van 1814 werd gesproken van het ‘Huis’ van de Soevereine Vorst,[2] en daarna ook van het ‘Koninklijk Huis’,[3] is lang onduidelijk gebleven wie daartoe behoorden. Moesten, behalve de Koning, ook al diens levende bloedverwanten tot het huis worden gerekend? Of alleen de Koning en diens mogelijke erfopvolgers? En verliezen mogelijke erfopvolgers die huwen zonder wettelijke toestemming hun lidmaatschap van het koninklijk huis? Behoren de echtgenoten van de mogelijke erfopvolgers van de Koning ertoe?[4]
 
Dergelijke vragen naar de betekenis van de term ‘koninklijk huis’ kwamen onder meer in 1963 en 1964 naar voren naar aanleiding van de verloving en het huwelijk van prinses Irene, waarvoor geen wettelijke toestemming was verleend. Het kabinet-Marijnen maakte zich daarbij vooral zorgen over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid en haastte zich voorafgaand aan het huwelijk te verklaren geen verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen de prinses na dat huwelijk zou doen.[5] Deze kwestie leidde ertoe dat in 1972 een bepaling werd opgenomen – het huidige artikel 39 – die de wetgever opdraagt vast te stellen wie tot het koninklijk huis behoren. De gedachte daarbij was dat voor de leden van het koninklijk huis een ‘afgeleide’ ministeriële verantwoordelijkheid zou gelden – afgeleid van de verantwoordelijkheid voor de Koning – maar voor andere verwanten van de Koning niet.[6]
 


Pas in 1985 kwam een wet tot stand die bepaalde wie lid waren van het koninklijk huis: de Wet lidmaatschap koninklijk huis.[7] De wet bepaalde dat onder meer alle leden van de koninklijke familie die krachtens de grondwettelijke opvolgingsregels de troon konden erven, alsmede hun partners, tot het koninklijk huis behoorden. Daardoor gold automatisch een beperking tot bloedverwanten in de derde graad en hun eventuele echtgenoten. Daarnaast was voortaan helder dat het aangaan van een huwelijk zonder wettelijke toestemming tot verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis zou leiden. De groep met leden van de koninklijke familie die tot het huis behoorden werd desondanks al spoedig behoorlijk groot: behalve de kinderen en hun partners en de kleinkinderen van koningin Beatrix behoorden ook prinses Margriet, haar echtgenoot, hun kinderen en de partners daarvan ertoe. Dat impliceerde dat ook de kring van personen waarvoor de regering een ‘afgeleide’ ministeriële verantwoordelijkheid aannam, erg groot werd.
 
Voornamelijk om die laatste reden werd de wet in 2002 vervangen door een nieuwe regeling.[8] Deze bracht een beperking aan in de kring van leden van de koninklijke familie die tot het koninklijk huis behoren. Voortaan behoren, naast de Koning en diens echtgenoot, daartoe slechts de mogelijke troonopvolgers die aan de Koning niet verder dan de tweede graad bloedverwant zijn, de Koning die van het koningschap afstand heeft gedaan, de echtgenoten van die personen en de weduwen of weduwnaars van overleden leden van het koninklijk huis. Nakomelingen van tot de troon gerechtigde broers en zussen van de Koning zijn bloedverwanten in de derde graad en daarmee wel mogelijke troonopvolgers, maar zijn geen lid van het koninklijk huis. Ten slotte is het Nederlanderschap een voorwaarde voor verkrijging en behoud van het lidmaatschap van het koninklijk huis.
 
Deze regeling houdt in dat op dit moment de volgende personen tot het koninklijk huis behoren: Koning Willem-Alexander, zijn echtgenote koningin Máxima, hun kinderen, prins Constantijn en diens echtgenote en prinses Beatrix. Krachtens een overgangsregeling (artikel 3 van de wet) blijven prinses Margriet en haar echtgenoot, Pieter van Vollenhoven, lid van het koninklijk huis, hoewel prinses Margriet aan Willem-Alexander in de derde graad bloedverwant is. Zij verliezen hun lidmaatschap van het huis pas wanneer Willem-Alexander wordt opgevolgd. De kinderen van prins Constantijn – in de derde graad bloedverwant aan de Koning – vallen niet onder dezelfde overgangsregeling, omdat zij niet meerderjarig waren ten tijde van de inwerkingtreding van de wet. Verder behoort prinses Mabel, de weduwe van wijlen prins Johan Friso, niet tot het huis aangezien zij voor hun huwelijk geen wettelijke toestemming verkregen, waardoor Johan Friso geen mogelijke troonopvolger was.
 
De wet geeft echter geen uitputtende regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis. Het lidmaatschap kan bij een koninklijk besluit waarover de Raad van State is gehoord, ook worden verleend aan andere personen die krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen, alsmede hun echtgenoten. Dat kunnen troonopvolgers zijn die in de derde graad bloedverwant zijn aan de Koning. Wanneer door omstandigheden het aantal leden van het koninklijk huis heel klein is geworden, kan het zinnig zijn een vermoedelijke troonopvolger die geen nakomeling of broer of zuster van de Koning is, toch het lidmaatschap te verlenen (eventueel samen met diens echtgenoot of echtgenote). Ook kan het lidmaatschap van het koninklijk huis worden beëindigd door ontslag, verleend bij een koninklijk besluit waarover de Raad van State is gehoord.[9] Een reden om dat te doen, zou kunnen zijn dat het aantal leden van het huis juist erg groot is geworden.

2. Titels van de leden van het koninklijk huis

De Wet lidmaatschap koninklijk huis bepaalt niet alleen wie lid is van het huis, maar legt ook vast welke titels zij dragen (artikelen 7 en 8). De vermoedelijke troonopvolger draagt de titel van ‘Prins (Prinses) van Oranje’. Verder dragen de vermoedelijke troonopvolger en de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan de titel ‘Prins (Prinses) der Nederlanden’.

Deze laatste titel kan voorts bij koninklijk besluit worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote van de Koning, aan de kinderen geboren uit een huwelijk van de Koning, aan de echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke troonopvolger, aan de kinderen geboren uit een huwelijk van de vermoedelijke troonopvolger en aan personen die krachtens de wet bij koninklijk besluit benoemd zijn tot leden van het koninklijk huis (zie hierboven, paragraaf 1).
 
De Koning, diens vermoedelijke opvolger en de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, dragen daarnaast de titel ‘Prins (Prinses) van Oranje-Nassau’. Bij koninklijk besluit kan deze titel ook worden verleend aan andere leden van het koninklijk huis.
 
Bij koninklijk besluit kan tevens de geslachtsnaam van een lid van het koninklijk huis worden bepaald. De algemene regels betreffende geslachtsnamen in het Burgerlijk Wetboek[10] zijn in dat geval niet van toepassing.
 
Daarnaast heeft de regering in 2000 – in een periode waarin meerdere ‘prinselijke huwelijken' werden gesloten – erkend dat het ‘maatschappelijk gebruik’ meebrengt dat de partners van de mannelijke leden van het koninklijk huis de titel van hun echtgenoot zullen voeren, en derhalve ‘Prinses van Oranje-Nassau’ zullen worden genoemd.[11]

3. Literatuur

- P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 211-215.

4. Historische versies

Art. 21a Gw 1972: De wet regelt, wie lid is van het Koninklijk Huis.
 

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Zie de artikel 15 van de Grondwet van 1814, aangaande belastingvrijdom voor prinsen en prinsessen van het huis, en artikel 106 betreffende leden van het huis waartegen alleen bij de Hoge Raad vervolging kon worden ingesteld.
  3. Zie bijvoorbeeld artikel 39 van de Grondwet van 1815, dat handelt over de voogdij over de minderjarige Koning.
  4. Zie hierover P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 211-215.
  5. Bijl. Hand. II 1963/64, 7614.
  6. Voor een nadere bespreking van de ‘afgeleide’ ministeriële verantwoordelijkheid, zie het commentaar bij artikel 42 Grondwet, paragraaf 3.
  7. Wet van 30 oktober 1985, Stb. 578.
  8. Wet van 30 mei 2002, houdende regeling van het lidmaatschap koninklijk huis alsmede daaraan verbonden titels (Wet lidmaatschap koninklijk huis), Stb. 2002, 275.
  9. Zie de artikelen 4 en 5 van de Wet lidmaatschap koninklijk huis.
  10. Artikel 5, eerste tot en met elfde lid, en artikel 7 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
  11. Kamerstukken I 1999/2000, 7 (R1653) nr. 3.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 39 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Lidmaatschap koninklijk huis

Niet alle leden van de koninklijke familie behoren tot het koninklijk huis. Dat laatste begrip omvat een beperktere kring van familieleden die dicht bij de Koning staan, onder meer omdat ze mogelijke troonopvolgers zijn en hun gedragingen en uitlatingen het aanzien van de monarchie meebepalen. De ministers dragen om die reden politieke verantwoordelijkheid voor hun handelen. Daarnaast is de gedachte achter deze bepaling dat familieleden van de Koning die verder van de troon af staan een leven moeten kunnen leiden buiten de spreekwoordelijke schijnwerpers die op de monarchie zijn gericht.
 
De Wet lidmaatschap koninklijk huis bepaalt welke familieleden van de Koning tot het koninklijk huis behoren. Dat zijn de Koning en diens echtgenote, hun nakomelingen, de Koning die afstand van de troon heeft gedaan en diens echtgenoot, en de familieleden van de Koning die de troon kunnen erven en niet verder dan de tweede graad aan hem bloedverwant zijn, met hun eventuele echtgenoten. Naast Koning Willem-Alexander en koningin Máxima en hun drie kinderen behoren nu prinses Beatrix, prins Constantijn en prinses Laurentien tot het koninklijk huis. Door een overgangsbepaling in de wet blijven ook prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven, die voor het aantreden van Willem-Alexander lid waren, lid van het huis.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Lidmaatschap koninklijk huis

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Lidmaatschap koninklijk huis

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Lidmaatschap koninklijk huis

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Lidmaatschap koninklijk huis

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Lidmaatschap koninklijk huis

In de wereld

Lidmaatschap koninklijk huis