CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

INHOUD
  1. Het tijdelijk neerleggen van de uitoefening van het koninklijk gezag
  2. Procedurele aspecten
  3. Literatuur
  4. Historische versies
   
Editie november 2015

1. Het tijdelijk neerleggen van de uitoefening van het koninklijk gezag[1] 

De Grondwet maakt het niet alleen mogelijk dat de Koning zonder diens medewerking buiten staat wordt verklaard het koningschap uit te oefenen (zie artikel 35), maar bepaalt ook dat de Koning zelf kan besluiten zijn gezag tijdelijk neer te leggen. Redenen om dat te doen kunnen bijvoorbeeld zijn een slechte gezondheidstoestand of de behoefte aan een periode van rust. Koningin Wilhelmina legde tweemaal de uitoefening van het koningschap neer, beide keren wegens haar zwakke gezondheid: van 14 oktober tot 1 december 1947 en van 14 mei tot 30 augustus 1948.[2] Ook andere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om tijdelijk de uitoefening van het ambt neer te leggen. Toen de bepaling in 1922 in de Grondwet werd opgenomen, werd bijvoorbeeld nadrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat koningin Wilhelmina een langdurige reis zou willen maken naar de overzeese gebieden van het Koninkrijk  – in die tijd Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao, waaronder destijds de zes Boven- en Benedenwindse Eilanden werden verstaan.[3]  Overigens zou het tegenwoordig, gelet op de moderne communicatiemiddelen, niet langer noodzakelijk zijn daarvoor de uitoefening van het koningschap tijdelijk neer te leggen. Wetten en koninklijke besluiten worden regelmatig op een plaats buiten het Koninkrijk ondertekend. Daarvan geeft de plaats van dagtekening in het betreffende officiële stuk blijk.
 
Welke omstandigheden het nodig maken de uitoefening van het koningschap tijdelijk neer te leggen, beslist de regering – waarbij de wens van de Koning zelf in belangrijke mate bepalend zal zijn. De Staten-Generaal besluiten vervolgens naar aanleiding van dat voorstel. Ten minste in theorie kunnen de leden van de verenigde vergadering het wetsvoorstel amenderen, bijvoorbeeld waar het gaat om het begin en het einde van de periode van neerlegging, of ten aanzien van andere voorzieningen die in de wet moeten worden getroffen. Het voorstel zou zelfs kunnen worden verworpen, wanneer de Staten-Generaal van mening zouden zijn dat er zwaarder wegende belangen in het geding zijn dan de omstandigheden op grond waarvan de Koning de uitoefening van zijn ambt wenst neer te leggen. De kans dat dit zich zal voordoen lijkt echter klein: een Koning zal van de mogelijkheid die artikel 36 biedt niet lichtvaardig gebruik willen maken.

2. Procedurele aspecten

Het neerleggen van de uitoefening van het koninklijk gezag geschiedt krachtens een wet. Dat houdt in dat de betreffende wet niet noodzakelijk alle aspecten zelf regelt. Zo kunnen in een op de bedoelde wet gebaseerd koninklijk besluit de datums worden vastgesteld waarop de periode van neerlegging begint en eindigt.
 
In elk geval moet of de wet, of een daarop gebaseerd koninklijk besluit steeds de beide datums bevatten: de Koning legt de uitoefening van zijn gezag volgens artikel 36 immers slechts tijdelijk neer. Wanneer de einddatum niet vooraf zou worden vastgesteld, zou de neerlegging feitelijk neerkomen op troonsafstand.[4] De einddatum kan evenmin in een afzonderlijk koninklijk besluit worden vastgesteld tijdens de periode van neerlegging, aangezien dat besluit dan niet door de Koning kan worden ondertekend, maar door de regent van een handtekening zou moeten worden voorzien. Dat zou in strijd zijn met artikel 36, waar wordt bepaald dat de Koning de uitoefening neerlegt en hervat krachtens een wet. De beslissing over het moment van hervatting kan niet worden overgelaten aan de regent.
 
Er zal daarom vooraf een inschatting moeten worden gemaakt van de duur van de omstandigheden die de Koning doen besluiten de uitoefening van zijn ambt te willen neerleggen. Wanneer na afloop van die periode zou blijken dat de Koning, bijvoorbeeld wegens ziekte, nog niet in staat is zijn ambt weer op te nemen, kan eventueel artikel 35 Grondwet worden toegepast, dat het mogelijk maakt hem zonder zijn medewerking buiten staat te verklaren. Zo’n wet komt dan wel tot stand met medewerking van de regent (zie het commentaar bij artikel 35 Grondwet).
 
De tekst van artikel 36 sluit niet uit dat één wet wordt gebruikt om meerdere malen het koninklijk gezag neer te leggen. In 1947 en 1948 is één wet in dit kader tweemaal toegepast. De wet van 10 oktober 1947[5] bepaalde dat koningin Wilhelmina de uitoefening van haar koninklijk gezag kon neerleggen indien haar gezondheid dat noodzakelijk maakte en liet het vaststellen van de betreffende datums over aan de regering.[6] Daarna kwam tweemaal een koninklijk besluit tot stand waarmee zij de uitoefening van haar gezag tijdelijk neerlegde.[7] Bij de behandeling van het betreffende wetsvoorstel in de verenigde vergadering van de Staten-Generaal werden over die constructie kritische vragen gesteld. Was het niet de bedoeling van de Grondwetgever geweest dat de verenigde vergadering betrokken zou zijn telkens wanneer de Koning de uitoefening van het ambt wilde neerleggen? Werd hier in feite een algemene machtigingswet ingediend, die naar believen en zonder verdere betrokkenheid van de Staten-Generaal kon worden toegepast? De regering gaf daarop toe dat de constructie weliswaar niet in strijd was met de letter van de Grondwet, maar waarschijnlijk wel met de bedoeling van de Grondwetgever van 1922. Het zou correcter zijn om telkens wanneer de Koning de uitoefening van zijn gezag wenste neer te leggen, een afzonderlijke wet tot stand te brengen.[8] 

Tijdens de periode waarin de Koning de uitoefening van het koningschap heeft neergelegd, wordt het ambt uitgeoefend door een regent. De wet of een daarop gebaseerd koninklijk besluit waarmee de uitoefening tijdelijk wordt neergelegd, hoeft sinds de Grondwetsherziening van 1983 geen regeling van het regentschap te bevatten. De Grondwet regelt sindsdien in artikel 37, derde lid, zelf een voorziening: de troonopvolger wordt, indien die meerderjarig is, op het moment van neerlegging van rechtswege regent. Wanneer er op dat moment geen meerderjarige troonopvolger is, oefent de Raad van State het koningschap uit tot bij wet een regent is benoemd (artikel 38 Grondwet).

3. Literatuur

- F.J.A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Arnhem: Gouda Quint, 1925, p. 40
- P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 163-164

4. Historische versies

Art. 41 Gw 1922: Het koninklijk gezag wordt mede waargenomen door een Regent, ingeval de Koning krachtens eene wet, waarvan het ontwerp door hem is voorgedragen, tijdelijk de uitoefening van het koninklijk gezag heeft neergelegd. Over het ontwerp dier wet, welke tevens in de benoeming van den Regent voorziet, beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering (art. 43 Gw 1938).

Noten

  1. In deze paragraaf zijn gedeelten overgenomen uit het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Kort na de tweede periode, op 4 september 1948, deed zij troonsafstand. Haar dochter Juliana had gedurende de beide genoemde periodes van ziekte als regent het koningschap uitgeoefend.
  3. F.J.A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Arnhem: Gouda Quint, 1925, p. 40; P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 163-164.
  4. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 15 (Nng II, p. 21).
  5. Wet houdende toepassing van art. 43 van de Grondwet, Stb. H 338; zie hierover o.a. Oud I 1967, p. 165-168.
  6. De wet benoemde daarnaast prinses Juliana tot regent; dit was nodig omdat de Grondwet tot 1983 geen regeling voor dergelijke gevallen kende zoals nu in art. 37, derde lid, is neergelegd.
  7. Het KB van 11 oktober 1947, Stb. H 339, voor de periode van 14 oktober tot 1 december 1947 en het KB van 8 mei 1948, Stb. I 176, voor de periode van 14 mei tot 30 augustus 1948.
  8. Bijl. Hand. verenigde vergadering 1947/48, 1, nr. 4.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 36 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Grondwet maakt het niet alleen mogelijk dat de Koning zonder diens medewerking buiten staat wordt verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen (artikel 35 Grondwet), maar bepaalt ook dat de Koning zelf kan besluiten zijn gezag tijdelijk neer te leggen. De aanleiding daarvoor kan bijvoorbeeld een naar verwachting langdurige ziekte van de Koning zijn. In dergelijke gevallen neemt een regent tijdelijk het koningschap waar (artikel 37 Grondwet).
 
De bepaling werd in de Grondwet opgenomen om het koningin Wilhelmina mogelijk te maken een reis naar de (toenmalige) Aziatische, Zuid-Amerikaanse en Caribische delen van het Koninkrijk te ondernemen. Tegenwoordig is het, gelet op de hedendaagse communicatiemiddelen, niet meer nodig daarvoor het koningschap tijdelijk neer te leggen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.

Recente rechtspraak

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

In de wereld

Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag