CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 30 - Benoemde Koning

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Voorziening bij ontbreken van een troonopvolger
  3. Geen benoeming van een Koning of troonopvolger?
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 
Editie november 2015
 

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis[1] 

Artikel 30 bepaalt wat er moet gebeuren, indien bij een overlijden van of troonsafstand door de Koning een opvolger ontbreekt (tweede lid), of indien al voordat zo’n gebeurtenis zich voordoet het vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken (eerste lid). Al vanaf de vestiging van de monarchie in 1814 is een voorziening in de Grondwet opgenomen voor het geval zich een dergelijke situatie zou voordoen. De Grondwet neemt dus de voortzetting van de monarchie in Nederland als uitgangspunt, ook wanneer een erfopvolger in de lijn van koning Willem I zou ontbreken.
 
Tegenwoordig is er een behoorlijk aantal mogelijke troonopvolgers voorhanden en lijkt het niet waarschijnlijk dat deze bepaling in de nabije toekomst toepassing zal moeten krijgen. Maar aan het begin van de twintigste eeuw, na de Eerste Wereldoorlog, bevond het Huis van Oranje zich wat betreft mogelijke erfopvolgers wel in een precaire situatie.[2] Koningin Wilhelmina, de enige nog levende nakomeling van Willem III, had zelf slechts één dochter, prinses Juliana. Er waren wel meer mogelijke troonopvolgers, omdat de Grondwet destijds geen beperkingen stelde wat betreft de verwantschap tot de laatste Koning,[3] maar dat waren verre verwanten van koningin Wilhelmina, woonachtig in het buitenland, die geen band meer hadden met Nederland.[4] In de Grondwet van 1922 werd de erfopvolging daarom beperkt tot bloedverwanten in de derde graad van de laatste Koning, zodat werd voorkomen dat iemand die in het geheel geen band met Nederland zou hebben, aanspraak zou kunnen maken op de troon. Een logische consequentie van die keuze was dat ook eerder een situatie zou kunnen ontstaan waarin een troonopvolger ontbrak. De benoeming van een Koning of troonopvolger maakt dan toch de voortzetting van de monarchie mogelijk. De bepaling geeft zo in feite uitdrukking aan de historisch gegroeide positie van het erfelijk koningschap in Nederland en van de wens om die – in beginsel – te continueren.[5]  
 
Sinds 1922 is het benoemen van een Koning of troonopvolger, in het geval die ontbreekt of dreigt te zullen ontbreken, niet langer verplicht. Tot dat jaar waren de artikelen die betrekking hadden op de benoeming van een Koning of een troonopvolger zodanig geformuleerd dat in voorkomend geval hoe dan ook een opvolger zou moeten worden benoemd. De Grondwet stelde, in imperatieve termen, dat een opvolger ‘wordt benoemd’; evenzo de formulering ‘de Koning draagt een opvolger voor’. Artikel 9 van de Grondwet van 1814 stelde zelfs letterlijk dat de Koning in zo’n geval ‘verplicht’ was een opvolger aan de Staten‑Generaal voor te dragen. De huidige bepaling gebruikt een facultatieve formulering: een troonopvolger ‘kan’ worden benoemd, en er wordt besloten ‘omtrent’ de benoeming van een Koning. Die formulering laat, anders dan de teksten die tot 1922 werden gebruikt, ruimte om te besluiten geen troonopvolger of Koning te benoemen. In dat geval zou Nederland uiteindelijk moeten overgaan op een republikeinse staatsvorm (zie hierover paragraaf 3).
 

2. Voorziening bij ontbreken van een troonopvolger[6] 

De regeling van de erfopvolging in artikel 25 van de Grondwet geeft aan wie de opvolger van de regerende Koning is, zolang er eigen nakomelingen of bloedverwanten tot in de derde graad van de regerende Koning beschikbaar zijn. Wanneer een dergelijke erfopvolger ontbreekt bij overlijden of troonsafstand van de Koning, dan wel het vooruitzicht bestaat dat die situatie zich zal gaan voordoen, geeft artikel 30 aan wat er dient te gebeuren.
 
In het geval het vooruitzicht bestaat dat bij overlijden of troonsafstand van de regerende Koning een erfopvolger zal ontbreken, kan volgens het eerste lid van artikel 30 bij wet een opvolger worden benoemd. Het ligt voor de hand dat dan familieleden van de Koning in aanmerking komen die minder nauw aan hem zijn verwant dan de derde graad (de grens die de Grondwet in artikel 25 stelt), maar in beginsel is iedereen in zo’n situatie benoembaar. Daarbij is het initiatiefrecht beperkt tot de regering: de regerende Koning zelf is daardoor altijd betrokken bij het indienen van een voorstel tot voorziening in zijn opvolging. Na de indiening van het voorstel worden beide Kamers van de Staten-Generaal ontbonden en volgen er verkiezingen. De nieuw gekozen Kamers behandelen het voorstel vervolgens in verenigde vergadering. Ten slotte is een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig voor het aannemen van het voorstel.
 
Nu kan zich in elk geval in theorie de situatie voordoen dat na benoeming van een troonopvolger toch nog een volgens de regels van de erfopvolging tot de troon gerechtigde opvolger wordt geboren, bijvoorbeeld uit een (bij wet goedgekeurd) huwelijk van de regerende Koning dat is gesloten na benoeming van de opvolger. De opvatting van de regering was bij de grondwetsherziening van 1983 dat de benoemde opvolger dan alsnog dient te wijken voor de pas geboren erfopvolger.[7]  
 
In het geval op het moment van overlijden of troonsafstand van de Koning geen tot de troon gerechtigde verwante of, met toepassing van de hierboven geschetste procedure, benoemde troonopvolger voorhanden is, geldt volgens het tweede lid een andere procedure. In dat geval worden de beide Kamers direct ontbonden en worden verkiezingen uitgeschreven. Binnen vier maanden na het wegvallen van de Koning dienen de nieuw gekozen kamers in verenigde vergadering te besluiten omtrent de benoeming van een nieuwe Koning. Dit besluit heeft niet de vorm van een wet, aangezien de Staten-Generaal zelfstandig besluit. Het tweede lid geeft, anders dan het eerste, niet aan wie het voorstel voor benoeming van een Koning moet doen: dit kunnen leden van de Staten-Generaal zijn, maar ook de regering (op dat moment gevormd door de leden van het kabinet en de waarnemer van het koninklijk gezag, de Raad van State: zie artikel 38).[8] Opnieuw geldt dat een besluit met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden genomen.
 
De grondwetgever heeft er in 1983 voor gekozen steeds een ontbinding van beide Kamers te laten voorafgaan aan een beslissing aangaande de voorziening in de troonopvolging, omdat het voortbestaan van de monarchie een zodanig gewichtige zaak is dat dat niet buiten de kiezers om mag geschieden.[9] De regering was bovendien van opvatting dat een nieuw gekozen Staten-Generaal meer oog zou hebben voor het ‘algemeen staatkundig beleid’, hetgeen juist bij beslissingen over de benoeming van een Koning of een troonopvolger van groot belang zou zijn.[10] De eis van een tweederde meerderheid moet verzekeren dat een te benoemen Koning of troonopvolger een algemeen aanvaardbaar persoon zou zijn.[11]  

3. Geen benoeming van een Koning of troonopvolger?

Artikel 30 bepaalt dat een troonopvolger ‘kan’ worden benoemd (eerste lid) en dat een ‘besluit omtrent’ de benoeming van een Koning moet worden genomen (tweede lid). Deze formuleringen laten de mogelijkheid open dat helemaal geen nieuwe Koning of troonopvolger wordt benoemd. Zo kan zich de situatie voordoen dat er geen kandidaten voorhanden blijken te zijn die door een tweederde meerderheid in de Staten-Generaal worden gesteund. De vraag is in dat geval of de monarchie gehandhaafd kan blijven. Wanneer de laatste Koning overlijdt of afstand doet, terwijl geen opvolger is of wordt aangewezen, wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door een regent (artikel 37) of door de Raad van State (artikel 38), maar de bedoeling is dat dit van tijdelijke aard is. Het ligt in de rede dat bij langdurig uitblijven van de aanwijzing van een nieuwe Koning het volk wordt geraadpleegd over het voortbestaan van de monarchie, in de vorm van een grondwetsherziening waarbij de monarchie zou worden ingeruild voor de republiek. Ten slotte laat artikel 30 de mogelijkheid open dat zelfs geen poging wordt gedaan een nieuwe Koning te benoemen, maar direct tot beëindiging van de monarchie wordt besloten via de procedure van grondwetsherziening.[12]  
 
In theorie is het mogelijk dat in de Staten-Generaal geen tweederde meerderheid wordt gevonden voor benoeming van een Koning of een troonopvolger, en evenmin de vereiste tweederde meerderheid voor de noodzakelijke wijzigingen in de Grondwet om een overgang naar de republiek mogelijk te maken. Dat zou een constitutionele patstelling opleveren,[13] waarin de uitoefening van het koninklijk gezag door de regent of de Raad van State moet worden voortgezet.

4. Literatuur

- H.L.T. de Beaufort, Wilhelmina (1880-1962). Een levensverhaal, 's-Gravenhage 1965.
- S.W. Couwenberg, Monarchie of Republiek, Civis Mundi 1981, p. 39 e.v.
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2de druk, Den Haag: Bju, 2013.
- F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje‑Monarchie in de Herziene Grondwet (I), Groen Katern, Ons Burgerschap 1986, p. 35‑36.
- G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red.), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000.
- P.J. Oud, Het jongste verleden, dl. I, Assen: Van Gorcum, 1968.
- L.T.A. Rutges, Monarchie en democratie, Civis Mundi 1981, p. 47 e.v.
- H.A. van Wijnen, De Kroon kan geen kwáád doen. Van de macht des Konings Mythe en werkelijkheid van de constitutionele monarchie, Amsterdam: Contact, 1975.

5. Historische versies

Eerste lid:
Art. 9 Gw 1814: Ingevalle er geen bevoegde Erfopvolger volgens het tot nu toe voorgestelde mogt bestaan, zal de regerende Vorst verplicht zijn een opvolger aan de Staten‑Generaal voor te dragen.
Art. 10 Gw 1814: De Staten‑Generaal, deze voordragt goedgekeurd hebbende, zal de Souvereine Vorst als dan dien opvolger ter kennisse van den volke brengen, op de wijze waarop alle andere wetten worden gepromulgeerd.
Art. 27 Gw 1814: Indien de Souvereine Vorst geene der schikkingen, bij art. 9 (...) vermeld, met de Staten‑Generaal beraamd heeft, verklaren deze plegtiglijk, welk geval er bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd.
Art. 51 Gw 1814: In de gevallen, bij art. (...) 10 (...) omschreven, wordt de vergadering der Staten Generaal in dubbelden getale bij een geroepen, overeenkomstig hetgeen daaromtrent bij het negende hoofdstuk zal worden bepaald.
Art. 25 Gw 1815: Ingeval er geen bevoegde Troonopvolger volgens deze Grondwet mogt bestaan, draagt de Koning aan de Staten‑Generaal, vergaderd en zamengesteld in voege als bij het vorig artikel is aangewezen, eenen Opvolger voor (art. 24 Gw. 1840).
Art. 26 Gw 1815: De Staten‑Generaal deze voordragt hebbende goedgekeurd, brengt de Koning dien Opvolger ter kennis van den volke, op de wijze waarop de wetten worden afgekondigd, en doet denzelve plegtiglijk uitroepen (art. 25 Gw. 1840).
Art. 51 Gw 1815: Indien de Koning aan de Staten‑Generaal geen Troonopvolger heeft voorgedragen (art.25); (...) verklaren de Staten‑Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd bij art. 27, 41 en 44 (art. 50 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `art. 25, 27, 41 en 44', wordt gelezen `art. 24, 26, 40 en 43').
Art. 24 Gw 1848: Hetzelfde [zie art. 29, nr. 1] vindt plaats, wanneer er geen bevoegde opvolger naar deze Grondwet bestaat.
Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting.
Art. 20 Gw 1887: Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.
Art. 18 Gw 1922: Wanneer vooruitzicht bestaat, dat geen bevoegde opvolger naar de Grondwet aanwezig zal zijn, kan deze worden benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.
 
Tweede lid:
Art. 11 Gw 1814: Indien door onvoorziene omstandigheden zulk een opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den regerenden Vorst, zullen de Staten‑Generaal eenen opvolger benoemen, uitroepen en aan den volke bekend maken.
Art. 51 Gw 1814: In de gevallen, bij art. (...) 11 (...) omschreven, wordt de vergadering der Staten‑Generaal in dubbelden getale bijeengeroepen, overeenkomstig hetgeen daaromtrent bij het negende hoofdstuk zal worden bepaald.
Art. 27 Gw 1815: Indien zulk een Opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den Koning, zullen de Staten‑Generaal, vergaderd en zamengesteld als bij art. 24, eenen Opvolger benoemen en plegtiglijk uitroepen (art. 26 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. ‘art. 24’ wordt gelezen ‘art. 23’).
Art. 24, tweede lid, Gw 1848: Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting.
Art. 21 Gw 1887: Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten‑Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen (art. 21 Gw 1917, behoudens dat i.p.v. `eene maand' wordt gelezen `twee maanden').
Art. 19 Gw 1922: Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, worden de Staten‑Generaal binnen vier maanden na het overlijden door den Raad van State in dubbelen getale bijeengeroepen, ten einde in vereenigde vergadering een Koning te benoemen.
 
 

Noten

  1. In deze paragraaf zijn enkele passages overgenomen uit het commentaar bij dezelfde bepaling in de tweede druk van: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, Tjeenk Willink: Zwolle, 1992; het commentaar op artikel 30 was van de hand van L.T.A. Rutges.
  2. M.R.T. de Beaufort, Wilhelmina, ‘s Gravenhage 1965, p. 105.
  3. Zie ook het commentaar bij artikel 25 Grondwet.
  4. P.J. Oud, Het jongste verleden, dl. I, Assen: Van Gorcum, 1968, p. 335.
  5. Kamerstukken II 1979 1980, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 (Nng, II, p. 14).
  6. In deze en de volgende paragraaf zijn passages overgenomen uit het commentaar bij dezelfde bepaling in de derde druk van: A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink: Deventer, 2000; het commentaar op artikel 30 was eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  7. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 10 (Nng II p. 16).
  8. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 10 (Nng II p. 16); zolang na overlijden of troonsafstand van de Koning geen opvolger voorhanden is, wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door een regent of, tot die benoemd is, door de Raad van State (zie art. 37 en 38).
  9. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 (Nng II p. 14).
  10. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 9 (Nng II p. 15).
  11. Kamerstukken II 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 16 (Nng II p. 82).
  12. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 ( Nng, II, p. 14).
  13. Hierover: F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje Monarchie in de Herziene Grondwet (I), Groen Katern, Ons Burgerschap 1986, p. 35 36.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 30 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Benoemde Koning

Wanneer er op enig moment geen enkele nakomeling van de Koning, diens ouder of diens grootouder beschikbaar is die aan de laatste Koning tot maximaal de derde graad bloedverwant is, en het ook niet waarschijnlijk is dat nog een troonopvolger geboren zal worden, kan bij wet een opvolger worden benoemd. Na indiening van het wetsvoorstel worden de beide kamers der Staten-Generaal ontbonden, waarna verkiezingen worden gehouden. De nieuw gekozen kamers dienen dan in een verenigde vergadering (artikel 51, vierde lid, Grondwet) het voorstel te behandelen en kunnen het slechts met ten minste een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen aannemen.
 
Wanneer een Koning zonder mogelijke opvolgers komt te overlijden of afstand doet van het koningschap, volgen eveneens verkiezingen en beslissen de nieuw gekozen Staten-Generaal zelf in verenigde vergadering over de benoeming van een Koning. Een nieuwe Koning moet met ten minste een tweederde meerderheid van de stemmen worden benoemd.
 
In beide gevallen krijgen de kiesgerechtigde burgers zo de gelegenheid zich uit te spreken over het voorstel voor de benoeming van een troonopvolger of een nieuwe Koning. Het ligt voor de hand dat in zo’n situatie een familielid van de oude Koning wordt voorgedragen, maar in beginsel is dan iedereen benoembaar. De bepalingen laten daarnaast uitdrukkelijk ook de mogelijkheid open dat geen troonopvolger of Koning meer wordt benoemd, waarmee een einde aan de monarchie zou komen.
Achtergronden

Benoemde Koning

Toen Willem-Alexander bijna drie jaar Koning was, wijdde de Volkskrant een artikel aan de werkbezoeken die Koning Willem-Alexander aflegde. 

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Benoemde Koning

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Benoemde Koning

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Benoemde Koning

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Benoemde Koning

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Benoemde Koning

In de wereld

Benoemde Koning