CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 27 - Afstand koningschap

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Rechtsgevolgen van troonsafstand
  3. Troonsafstand en ministeriële verantwoordelijkheid
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 

Editie juni 2014

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis

De traditionele uitroep: ‘de Koning is dood, leve de Koning!’, die al vanaf de vijftiende eeuw in verschillende Europese monarchieën wordt gehoord,[1] geeft er blijk van dat de uitoefening van het koningschap gewoonlijk eindigt met het overlijden van de vorst – en dat op datzelfde moment de troonopvolger Koning wordt. De grondwetten van 1814, 1815 en 1840 maakten geen melding van de mogelijkheid dat de Koning[2] afstand van de troon zou doen. Toen op 7 oktober 1840 Koning Willem I afstand deed van de troon, werd niettemin niet betwijfeld dat hij gerechtigd was dat te doen; kennelijk aanvaardde men toch het bestaan van de mogelijkheid van abdicatie. Ook in de Grondwet van 1848 werd het doen van troonsafstand niet uitdrukkelijk geregeld. De mogelijkheid werd slechts min of meer terloops vermeld in een bepaling over het bijeenkomen van de Staten-Generaal.[3]
 
Sinds 1887 regelt de Grondwet wel uitdrukkelijk de gevolgen van troonsafstand door de Koning. De Grondwet van 1887 bepaalde kortweg dat afstand van het koningschap wat betreft de opvolging hetzelfde gevolg had als het overlijden van de Koning, waarmee de hoofdregel van de erfopvolging automatisch van toepassing werd. In 1922 werd aan het betreffende artikel de huidige tweede zinsnede toegevoegd, zodat geen twijfel meer bestond over de positie van nakomelingen van de Koning die na de afstand geboren zouden worden: zij kwamen niet langer in aanmerking voor de troon. Een laatste wijziging vond plaats bij de algehele grondwetsherziening van 1983. De redactie van het artikel werd zodanig aangepast dat troonsafstand niet langer werd gelijkgesteld aan het overlijden van de Koning. Voortaan is slechts bepaald dat bij abdicatie de artikelen 25 en 26 over de erfopvolging van overeenkomstige toepassing zijn. Als reden hiervoor gaf de regering dat de gelijkstelling aan overlijden ‘minder elegant’ zou zijn.[4]
 
Zuiver tekstueel gezien bepaalt de Grondwet sinds 1887 slechts wat de gevolgen zijn van het doen van troonsafstand, hetgeen het bestaan van de mogelijkheid om dat te doen impliceert. Artikel 27 creëert de mogelijkheid daartoe strikt genomen niet. Het recht van de Koning om afstand te doen van de troon moet, gelet op het ontbreken van een uitdrukkelijke toekenning van dat recht in de Grondwet aan de Koning, alsmede op het feit dat Willem I in 1840 desondanks wel degelijk troonsafstand deed, gezien worden als een regel van ongeschreven staatsrecht.
 
Alleen Koning Willem II en Koning Willem III hebben het koningschap uitgeoefend tot aan hun overlijden. Willem II overleed in 1849 onverwacht op betrekkelijk jonge leeftijd aan de gevolgen van een hartkwaal waaraan hij al langere tijd leed.[5] Willem III overleefde alle drie de zonen die waren geboren uit zijn eerste huwelijk en had uiteindelijk alleen zijn dochter Wilhelmina, in 1880 geboren uit zijn tweede huwelijk, als troonopvolgster. De zeer jonge leeftijd van Wilhelmina noodzaakte Willem III in feite zijn ambt te blijven uitoefenen, ook toen zijn gezondheid sterk begon te verslechteren; zijn echtgenote Emma heeft tweemaal tijdelijk als regent moeten optreden omdat hij wegens zijn slechte gezondheid buiten staat was het koninklijk gezag uit te oefenen (zie het commentaar bij de artikelen 35 en 37).[6] Bij zijn overlijden in 1890 was Wilhelmina slechts tien jaar oud en werd Emma opnieuw regent, ditmaal voor haar dochter.
 
De drie koninginnen die na Willem III het ambt vervulden hebben allen troonsafstand gedaan. Wilhelmina en Juliana maakten kenbaar afstand te doen omdat zij zich vanwege hun afnemende krachten of een zwakker wordende gezondheid niet langer in staat achtten het koningschap naar behoren uit te oefenen;[7] Beatrix abdiceerde in 2013 vanuit de overtuiging dat de tijd gekomen was om de uitoefening van het ambt in handen van een nieuwe generatie te leggen.[8]

2. Rechtsgevolgen van troonsafstand

Wanneer de Koning abdiceert, heeft dat tot gevolg dat de troonopvolger Koning wordt, volgens de hoofdregel van artikel 25 Grondwet. Vanaf het moment dat de oude Koning afstand doet – een moment dat moet worden onderscheiden van de hierboven beschreven publieke aankondigingen, die vaak enkele weken voor de eigenlijke abdicatie plaatsvinden – kan de nieuwe Koning dan ook direct al zijn grondwettelijke taken uitoefenen. Daarvoor is geen enkele handeling of besluit nodig; het afleggen van de eed en de inhuldiging, beide voorgeschreven door artikel 32 Grondwet, zijn geen voorwaarde om het koningschap te kunnen uitoefenen (zie ook het commentaar bij artikel 32). In bijvoorbeeld België ligt dat anders: daar kan de nieuwe Koning pas zijn koninklijk gezag uitoefenen na de eed te hebben afgelegd.[9] Zo deed Koning Albert II op 21 juli 2013 om half elf in de ochtend troonsafstand,[10] maar pas rond het middaguur werd kroonprins Philip Koning door aflegging van de eed. In de tussenliggende uren werd de ‘grondwettelijke macht van de Koning’ uitgeoefend door en onder verantwoordelijkheid van de Belgische ministerraad.[11]
 
Zoals hierboven reeds is aangegeven, werd bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 de redactie van de bepaling over de troonsafstand aangepast, zodat abdicatie wat betreft de gevolgen niet langer werd gelijkgesteld aan overlijden. Over de rechtsgevolgen van die ‘elegantere’ redactie zijn tijdens de parlementaire behandeling ervan vragen gerezen, omdat in het geval van troonsafstand door de Koning scenario’s denkbaar zijn die bij overlijden niet aan de orde zouden zijn. Wat bepalen de regels voor erfopvolging bijvoorbeeld wanneer een kinderloze Koning afstand doet, wordt opgevolgd door zijn eveneens kinderloze broer, die vervolgens komt te overlijden? Kan dan de oudere broer die eerder afstand deed weer tot het koningschap worden geroepen?[12] De regering verzekerde bij de behandeling van het voorstel voor de aangepaste bepaling echter dat met de wijziging van de tekst geen wijziging in de rechtsgevolgen van de bepaling was bedoeld.[13] Er moet dus van worden uitgegaan dat wie eenmaal troonsafstand heeft gedaan, dat voor altijd heeft gedaan en niet langer in de orde van de troonopvolging kan voorkomen.
 
Opmerking verdient nog dat het recht van abdicatie niet toekomt aan een potentiële troonopvolger. De koninklijke erfopvolging is een ‘in het publiek belang ingestelde en geregelde plicht van het regerend vorstenhuis,’ aldus de regering.[14] Afstand van de verwachting van het koningschap zou een breuk in de orde van erfopvolging betekenen en behoort daarom niet door de persoon van de potentiële troonopvolger alleen te worden beslist.[15]

3. Troonsafstand en ministeriële
    verantwoordelijkheid

De verklaring waarbij de Koning troonsafstand doet, is niet aan vormvoorschriften gebonden. De Grondwet eist niet een bepaalde vorm, zoals een koninklijk besluit of een wet; een contraseign, mede-ondertekening door een of meer ministers, is evenmin noodzakelijk. Een voor de hand liggende vraag is dan in hoeverre voor een dergelijke verklaring de ministeriële verantwoordelijkheid geldt. Voltrekt de troonsafstand zich geheel buiten die ministeriële verantwoordelijkheid om?
 
De regering bracht bij de behandeling van de grondwetsherziening van 1983 naar voren dat abdicatie in de eerste plaats een ‘persoonlijke beslissing’ van het staatshoofd is. Daarvoor bestaat wel ministeriële verantwoordelijkheid, maar in een beperkte zin: alleen indien er bezwaren zouden bestaan tegen de troonsaf­stand, zouden de ministers gerechtigd en zelfs verplicht zijn te trachten de beslissing van de Koning te beïnvloeden.[16] Kortmann vindt die plicht al te ver gaan: volgens hem bestaat er hoogstens een verantwoordelijkheid inzake de vraag of het kabinet getracht heeft de afstand op een aanvaardbaar tijdstip te doen plaatsvinden. Evenals de regering is hij wel van opvatting dat het staatshoofd in beginsel zelf uitmaakt hoe lang hij die rol wenst te vervullen.[17] Prakke daarentegen meent dat ook een abdicatiebesluit van een contraseign zou moeten worden voorzien, waarmee de ministeriële verantwoordelijkheid volledig zou gelden. De gedachte dat het abdicatiebesluit geen koninklijk besluit zou zijn en daarmee aan de ministeriële verantwoordelijkheid onttrokken zou zijn, acht hij een ‘misplaatste buiging voor een ouderwetse visie op het koningschap’.[18] Feit is dat de aktes waarbij Wilhelmina, Juliana en Beatrix respectievelijk in 1948, 1980 en 2013 afstand deden van de troon, steeds waren ondertekend door onder meer de leden van het zittende kabinet.[19] In feite plaatsten zij hun handtekening onder de plechtige verklaring als getuigen van de abdicatie. De aktes werden niet gepubliceerd in de Staatscourant (of het Staatsblad) en kunnen om die reden niet als koninklijk besluit worden aangemerkt.

4. Literatuur

- J.P. Hooykaas, Staatsrechtelijke vragen rondom Prinses Irene, NJB 1964, p. 421 e.v.
- G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Tjeenk Willink, Zwolle 2000
- H.Th.J.F. van Maarseveen, Afstand van de troonsverwachtingen, NJB 1964, p. 506 e.v.
- L. Prakke, boekbespreking, RmTh 1984, p. 53
- J.P. Rehwinkel, Een plicht tot troonopvolging, TvO 1988, nr. 15, p. 321-322.
- J.R. Stellinga, Staatsrechtelijke nabetrachting over de troonwisseling, TvO 1980, p. 319
- M.E. Verburg, Le roi n’est plus mort, vive le roi!, in: NJB 1988, p. 1203

5. Historische versies

Art. 16 Gw. 1887: Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.
Art. 15 Gw. 1922: Afstand van de Kroon heeft ten opzichte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden. Behoudens het bepaalde in het volgend artikel zijn na den afstand geboren kinderen van de erfopvolging uitgesloten.

Noten

  1. Zie o.a. Ralph E. Giesey, The Royal funeral ceremony in Renaissance France, Droz, Geneve 1960.
  2. In de Grondwet van 1814 nog ‘Souverein Vorst’ geheten.
  3. Art. 97 Gw 1848.
  4. Kamerstukken II 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 8 (Nng II, p. 74).
  5. P.J. Oud, J. Bosmans, Staatkundige vormgeving in Nederland, deel I, 1840-1940, Van Gorcum, Assen, 1997, p. 24. Zie echter ook J. van Zanten, Koning Willem II: 1792-1849, Boom, Amsterdam 2013, p. 570, 574-576, waar wordt beschreven dat de Koning in zijn laatste dagen last had van hartkloppingen en benauwdheid, maar niet met zoveel woorden melding wordt gemaakt van een hartkwaal.
  6. D. van der Meulen, Koning Willem III: 1817-1890, Boom, Amsterdam 2013, p. 606-613.
  7. Zie over de aankondigingen van de troonsafstand van beide koninginnen de website van het Nationaal Archief: www.gahetna.nl/actueel/nieuws/2013/abdicaties-wilhelmina-en-juliana; over de inhoud van de aankondiging van Juliana, zie ook www.isgeschiedenis.nl/citaat-uit-het-nieuws/aankondiging-troonsafstand-koningin-juliana.
  8. De toespraak waarin zij dit bekendmaakte is te vinden op www.youtube.com/watch?v=dFKxLcDXiVA.
  9. Artt. 90 en 91 van de Belgische Grondwet.
  10. De Belgische Grondwet vermeldt overigens niet de mogelijkheid van troonsafstand.
  11. Art. 90, tweede alinea, van de Belgische Grondwet.
  12. Zie voor een dergelijk scenario M.E. Verburg, Le Roi n’est plus mort, vive le Roi!, NJB 1988, p. 1203-1204.
  13. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 8, p. 6 en 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 8 (Nng II, p. 49 en 74).
  14. Kamerstukken II,1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 5 (Nng II, p. 11). Hierover ook: J.P. Rehwinkel, Een plicht tot troonopvolging, TvO 1988, nr. 15, p. 321-322.
  15. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 5 (Nng II, p. 11). Rehwinkel meent dat art. 29 Gw. wellicht een ontsnappingsmogelijkheid zou kunnen bieden: volgens die bepaling kan een potentiële troonopvolger in bijzondere omstandigheden bij wet van de troonopvolging worden uitgesloten. Rehwinkel 1988, p. 321. Zie ook het commentaar bij art. 29.
  16. Kamerstukken II 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 7 (Nng II, p. 73).
  17. Kortmann 1987, p. 153.
  18. L. Prakke, boekbespreking, RmTh 1984, p. 53.
  19. Alle aktes van abdicatie, inclusief die van Willem I, zijn te vinden op de website van het Nationaal Archief, zie www.gahetna.nl/abdicatie.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 27 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Afstand koningschap

De regels over de erfopvolging (artikelen 25 en 26 Grondwet) spreken alleen van het overlijden van de Koning en lijken uit te gaan van de gedachte dat men Koning is voor het leven. De Grondwet maakt hier duidelijk dat ook abdicatie, afstand van het koningschap, mogelijk is en verklaart daarbij de regels van erfopvolging van toepassing. In Nederland hebben vier Koningen afstand gedaan van het koningschap: Willem I, Wilhelmina, Juliana en Beatrix.
 
Het recht van abdicatie komt niet toe aan een mogelijke troonopvolger. Afstand van de verwachting van het koningschap zou een breuk in de orde van erfopvolging betekenen en daarover behoort niet door de persoon van de potentiële troonopvolger zelf te worden beslist. Het aangaan van een huwelijk zonder toestemming bij wet (artikel 28 Grondwet) komt neer op het doen van afstand door een mogelijke troonopvolger.
 
Wie eenmaal troonsafstand heeft gedaan, heeft dat voor altijd gedaan en kan niet langer in de orde van de troonopvolging voorkomen. Ook kinderen van de Koning die na de troonsafstand zijn geboren kunnen de troon niet erven.
 
Het besluit waarbij de Koning troonsafstand doet is niet aan vormvoorschriften gebonden. Zo behoeft het besluit bijvoorbeeld geen handtekening van een of meer ministers. In de praktijk gebeurt dat echter wel: de plechtige verklaringen waarbij de laatste drie Koningen in 1948, 1980 en 2013 afstand deden van de troon, zijn steeds mede-ondertekend door onder meer de leden van het zittende kabinet.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Afstand koningschap

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Afstand koningschap

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Afstand koningschap

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Afstand koningschap

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Afstand koningschap

  • De abdicatie van Koningin Wilhelmina 1948
  • Abdicatie van Koningin Juliana in 1980
  • Uitgebreide weergave van de abdicatie van Konining Beatrix
  • Samenvatting van de abdicatie van Konining Beatrix
De abdicatie van Koningin Wilhelmina 1948
Blogs

Afstand koningschap

In de wereld

Afstand koningschap