CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 25 - Erfopvolging

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Stelsels van erfopvolging
  3. De orde van de troonopvolging
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 
Editie juni 2014
 

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis

Het principe van erfopvolging bij de vervulling van het hoogste publieke ambt in een politieke gemeenschap is oud en wijdverbreid. Over de gehele wereld hebben in de loop van de geschiedenis dynastieën bestaan waarvan de monarchen hun ambt krachtens erfrecht verkregen. In een tijd waarin een vorst, veel sterker dan nu, de eenheid en identiteit van een gemeenschap belichaamde, was dat mechanisme van groot belang om te allen tijde duidelijkheid te hebben over de vraag wie de vorst diende op te volgen zodra deze kwam te overlijden. Zo konden successieoorlogen worden voorkomen en was het voortbestaan en de stabiliteit van de gemeenschap het beste gediend. Tegenwoordig spelen dergelijke overwegingen gewoonlijk geen rol meer. Veel moderne staatshoofden – presidenten – worden democratisch gekozen door de kiesgerechtigde burgers of door de volksvertegenwoordiging, om zo het ambt legitimiteit te verschaffen.
 
Van onze monarchie wordt wel gesteld dat het feit dat de Koning het hoogste publieke ambt niet vervult op grond van een verkiezing door de stemgerechtigde bevolking, maar op grond van zijn of haar geboorte, het een ondemocratisch ambt met een zwakke legitimiteit maakt. Daarmee wordt miskend dat de Nederlandse monarchie haar legitimiteit voor een belangrijk deel ontleent aan de band die de leden van de familie Van Oranje-Nassau, sinds 1814 dragers van dat ambt, al vanaf de tijd van Republiek der Verenigde Nederlanden met ons land hebben. Het aanzien en het gezag van het koningschap steunen op de verbondenheid van de opeenvolgende vorsten die Nederland heeft gekend met land en volk. In het licht daarvan is ook in de huidige tijd een heldere regeling van de troonopvolging van belang. Zolang Nederland een monarchie is, moet een deugdelijke regeling van de erfopvolging voorkomen dat de troon op ongelukkige wijze bezet zou kunnen raken door een vorst met wie het Nederlandse volk geen band zou hebben.[1]
 

2. Stelsels van erfopvolging

Artikel 25 legt de hoofdregel van de erfopvolging van de Koning vast; de artikelen 26 tot en met 31 bevatten regelingen voor een aantal bijzondere problemen in verband met de opvolging van de Koning. Die hoofdregel houdt in dat wanneer de Koning komt te overlijden, het koningschap in eerste instantie overgaat op diens wettige nakomelingen.[2] Daarbij geldt dat het oudste kind voorrang heeft, ongeacht van welk geslacht het is.
 
In de huidige maatschappelijke verhoudingen wordt dat laatste waarschijnlijk als volslagen normaal beschouwd, maar tot 1963 kende de Grondwet een stelsel van erfopvolging waarbij vrouwen slechts voor het koningschap in aanmerking kwamen wanneer er geen mannelijke nakomelingen (meer) waren. Landen als Zweden en België kenden tot respectievelijk 1980 en 1991 een stelsel waarbij vrouwen zelfs geheel van de troonopvolging werden uitgesloten – het zogenoemde Salische stelsel van erfopvolging.[3] Dat gold ook voor Luxemburg ten tijde van het overlijden van de Nederlandse Koning Willem III, die – evenals de voorgaande Nederlandse koningen – tevens groothertog van Luxemburg was. Het Salische stelsel van opvolging had tot gevolg dat met het overlijden van Willem III in 1890 een einde kwam aan de personele unie van het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg: Wilhelminia kon immers haar vader niet opvolgen als groothertogin van Luxemburg.
 
In 1963 werd in de Nederlandse Grondwet een regeling neergelegd waarmee het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke troonopvolgers werd verkleind. De Grondwet bepaalde dat in de orde van de troonopvolging zonen van de laatste Koning voorrang hadden boven dochters, en daarna het oudste kind; bij gebrek aan eigen nakomelingen van de Koning kwamen op gelijke wijze de nakomelingen van de ouder of uiteindelijk de grootouder van de laatste Koning in aanmerking voor de troon. Vrouwelijke troonopvolgers moesten, met andere woorden, niet langer wijken voor alle mannelijke troonopvolgers, maar slechts voor mannelijke troonopvolgers die even nauw aan de Koning verwant waren als zijzelf. Dit stelsel wordt aangeduid als het Castiliaanse stelsel van erfopvolging. Spanje kent wat betreft de troonopvolging nog altijd een dergelijk Castiliaans stelsel.  Toen Koning Juan Carlos in juni 2014 afstand deed van de troon, werd hij daarom opgevolgd door zijn zoon Felipe, hoewel die twee oudere zusters heeft.
 
Bij de grondwetsherziening van 1983 is de voorrangsregel voor mannelijke nakomelingen geschrapt, zodat mannelijke en vrouwelijke nakomelingen van de Koning nu volledig gelijke aanspraken op het koningschap hebben. De oudste nakomeling van de Koning is, ongeacht zijn of haar geslacht, steeds de eerste in de orde van de troonopvolging.[4]
 

3. De orde van de troonopvolging

Zoals hierboven werd geschetst is de hoofdregel dat een overleden Koning wordt opgevolgd door zijn eigen wettelijke nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft. Aan die hoofdregel zijn enkele regelingen toegevoegd om te voorzien in situaties waarbij de eigen nakomelingen van de Koning vroegtijdig komen te overlijden of geheel ontbreken.
 
Bij de opvolging door de eigen nakomelingen geldt om te beginnen het stelsel van plaatsvervulling. Dat houdt in dat indien de nakomeling van de Koning die de vermoedelijke troonopvolger is, komt te overlijden vóór de Koning zelf, in eerste instantie de oudste nakomeling van de overleden troonopvolger de nieuwe troonopvolger wordt – en niet een eventuele broer of zus van de overleden troonopvolger. Dit stelsel van plaatsvervulling kent geen grens wat betreft de bloedverwantschap tot de Koning, zodat het theoretisch mogelijk is dat een Koning wordt opgevolgd door bijvoorbeeld een achter-achterkleinkind dat aan hem in de vierde graad bloedverwant is.
 
Wanneer een overleden vorst geen eigen nakomelingen had, worden een of twee stappen ‘achteruit’ gezet in de lijn van erfopvolging en wordt de lijn van daaruit voortgezet. Daarbij gelden dezelfde regels van voorrang en plaatsvervulling. Het koningschap gaat dan over op de wettige nakomelingen van de ouder van de overleden Koning (dat wil zeggen: een broer of zus daarvan) of, indien die niet voorhanden zijn, op de wettige nakomelingen van de grootouder van de overleden Koning (een oom of tante), telkens in de lijn van erfopvolging. Daaraan is wel een grens gesteld: de betreffende nakomelingen mogen de overleden Koning niet verder bestaan dan de derde graad van bloedverwantschap. Wat dat laatste inhoudt is te vinden in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek: de graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het aantal geboorten dat de bloedverwantschap heeft doen ontstaan. Dit betekent dat een Koning die geen eigen nakomelingen heeft, kan worden opgevolgd door zijn broers of zusters (bloedverwanten in de tweede graad), door hun eventuele kinderen (de derde graad) en door ooms of tantes die zelf nakomeling zijn van de grootouder die het koningschap heeft vervuld (eveneens de derde graad).[5] Kinderen van die ooms en tantes kunnen een overleden Koning niet rechtstreeks of krachtens plaatsvervulling opvolgen: zij zijn aan die Koning immers in de vierde graad bloedverwant. Wel kunnen zij het koningschap erven indien eerst een van hun ouders op de bovengeschetste wijze Koning wordt.
 
De beperking van het opvolgingsrecht tot de derde graad van bloedverwantschap beoogt te voorkomen dat bij gebrek aan eigen nageslacht van de Koning onverwacht een verre verwant van de Koning die geen enkele band met Nederland heeft, aanspraak op de troon zou kunnen maken.[6] Wanneer er geen verwante van de Koning is die aan hem tot maximaal de derde graad bloedverwant is, voorziet de Grondwet in de mogelijkheid van benoeming van een Koning of troonopvolger (artikel 30 Grondwet). Zo kan worden verzekerd dat een nieuwe Koning wel een voldoende sterke band heeft met Nederland en het Nederlandse volk.
 
Dit alles betekent dat Koning Willem-Alexander op dit moment acht potentiële troonopvolgers heeft: achtereenvolgens de drie dochters van Koning Willem-Alexander, prins Constantijn, diens drie kinderen en prinses Margriet. De kinderen van wijlen prins Johan Friso komen niet in aanmerking voor de troonopvolging, omdat hij voor zijn huwelijk met prinses Mabel geen wettelijke toestemming verkreeg (zie artikel 28 Grondwet). Ook prinses Irene en prinses Christina komen niet in de orde van de troonopvolging voor (en hun nakomelingen evenmin), aangezien beide prinsessen huwden zonder wettelijke toestemming. De vier zonen van prinses Margriet zijn aan Koning Willem-Alexander in de vierde graad bloedverwant en komen daarom niet in aanmerking voor de troon.[7]

4. Literatuur

- A.M. Donner, Erfelijk en onschendbaar, in: C.A. Tamse (red.), De Monarchie in Nederland, Amsterdam 1980, p. 209 e.v.
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Boom Juridische uitgevers, 2de druk, Den Haag 2013
- F.A.J.Th. Kalberg, De Staatsrechtelijke positie van de Oranje Monarchie in de Herziene Grondwet I, Groen Katern, Ons Burgerschap, 1986, p. 33 e.v.
- A.P. Krijnen, D.A. Roos, B.P. Vermeulen (red.), De Koning in het Nederlandse staatsrecht, Ars Aequi, Nijmegen 2005 
- G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Tjeenk Willink, Zwolle 2000
- E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, De orde van erfopvolging tot den troon in Nederland, diss. VU, Amsterdam 1911.
- C.C. van Valkenburg, Lidmaatschap van het koninklijk huis, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 125 e.v.
- C.C. van Valkenburg, De troonopvolging in Nederland, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 135 e.v.
 

5. Historische versies

Art. 2 Gw. 1814: Voor wettige nakomelingen van den Souvereinen Vorst worden gehouden alle de zoodanige, welke gesproten zijn uit een huwelijk, aangegaan met onderling goedvinden van Denzelven en de Staten Generaal.
Art. 3 Gw. 1814: De Souvereiniteit versterft bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den overleden Vorst, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon bij re presentatie opvolgt.
Art. 4 Gw. 1814: Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, vervalt de Souvereiniteit aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.
Art. 5 Gw. 1814: Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir wordt de Souvereiniteit geërfd bij de dochters of derzelver nakomelingen, op gelijke wijze als voren.
Art. 6 Gw. 1814: Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Souvereinen Vorst, Prins Willem Frederik van Oranje Nassau, vervalt de Souvereiniteit aan Deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douariere van wijlen Carl George August, Erfprins van Brunswijk Lunenburg, of Hare wettige nakomelingen uit zoodanig nader huwelijk, als door Dezelve ingevolge art. 2 mogt worden aangegaan.
Art. 7 Gw. 1814: Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, zal het erfregt overgaan op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden en Gemalinne van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.
 
Art. 13 Gw. 1815: De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit Zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten Generaal aangegaan, of toegestemd (art. 12 Gw. 1840).
Art. 14 Gw. 1815: De kroon gaat over bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon, bij representatie opvolgt (art. 13 Gw. 1840).
Art. 15 Gw. 1815: Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie (art. 14 Gw. 1840).
Art. 16 Gw. 1815: Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het huis van Oranje Nassau, gaat de kroon over op de dochters van den Koning, bij regt van eerstgeboorte (art. 15 Gw. 1840).
Art. 17 Gw. 1815: Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning, de Koninklijke waardigheid in haar huis over, en wordt bij vooroverlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd (art. 16 Gw. 1840).
Art. 18 Gw. 1815: Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór de vrouwelijke tak, en de oudste vóór de jongere, en in iedere tak mannen vóór vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben (art. 17 Gw. 1840).
Art. 19 Gw. 1815: Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het huis van Oranje Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken huize zijnde, op, en wordt mede bij vooroverlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.
Art. 22 Gw. 1815: Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje Nassau, gaat de Kroon over aan deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douairiere van wijlen Carel George August, Erfprins van Brunswijk Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 13 (12) mogt worden aangegaan (art. 21 Gw. 1840, behoudens dat i.p.v. ‘art. 12’ wordt gelezen ‘art. 13’).
Art. 23 Gw. 1815: Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfrecht over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, Zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden, en Gemalin van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie (art. 22 Gw. 1840).
 
Art. 11 Gw. 1887: De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke, uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden (art. 11 Gw. 1922).
Art. 12 Gw. 1887: Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte (art. 12 Gw. 1922, behoudens dat i.p.v. `gaat de Kroon over op de ...' wordt gelezen `gaat de Kroon over op de oudste in leven zijnde dochter van den laatstoverleden Koning').
Art. 13 Gw. 1887: Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.
In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.
Art. 14 Gw. 1887: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje Nassau behoorende, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau, het naast bestaat.
Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.
Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijk tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.
Art. 15 Gw. 1887: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses CAROLINA VAN ORANJE, zuster van wijlen Prins WILLEM DEN VIJFDE en gemalin van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen KONING WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau, is bepaald.
 
Art. 13 Gw. 1922: Bij ontstentenis ook van dochters uit den laatstoverleden Koning gaat de Kroon over op de oudste in leven zijnde dochter van den oudsten zijner vooroverleden zoons, van wie dochters in leven zijn; bij ontstentenis van zoodanige dochters op den oudsten in leven zijnden zoon van de oudste zijner vooroverleden dochters, van wie zoons in leven zijn, en bij ontstentenis ook van zoodanige zoons op de oudste in leven zijnde dochter van de oudste zijner vooroverleden dochters, van wie dochters in leven zijn.
Art. 14 Gw. 1922: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon gerechtigd, gaat deze over op den man of de vrouw, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van Hare Majesteit Koningin WILHELMINA, Prinses van Oranje Nassau, het naast, doch niet verder dan in den derden graad van bloedverwantschap, bestaat.
Bij gelijken graad van bloedverwantschap hebben mannen boven vrouwen en heeft daarna de eerstgeborene de voorrang.
 
Art. 11 Gw. 1963: De Kroon gaat bij erfopvolging over: op de nakomelingen van de laatstoverleden Koning, waarbij zonen voorrang hebben boven dochters en daarna het oudste kind voorgaat met plaatsvervulling volgens dezelfde regels; bij gebreke van nakomelingen van de laatstoverleden Koning, op gelijke wijze op de nakomelingen eerst van zijn ouder dan van zijn grootouder in de lijn van troonopvolging, voor zover de laatstoverleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.
 

Noten

  1. G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Tjeenk Willink, Zwolle 2000, p. 87; zie ook E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2e druk, Bju, Den Haag 2013; A.P. Krijnen, D.A. Roos, B.P. Vermeulen (red.), De Koning in het Nederlandse staatsrecht, Ars Aequi, Nijmegen 2005.
  2. Overigens geldt krachtens art. 27 bij troonsafstand dezelfde hoofdregel: zie ook het commentaar bij dat artikel.
  3. D.J. Elzinga, R. de Lange, m.m.v. G.H. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 15e dr., Kluwer, Deventer 2006, p. 486-487.
  4. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 4-5 (Nng II, p. 10-11).
  5. Men zou hieruit kunnen afleiden dat een overleden Koning kan worden opgevolgd door zijn eigen vader of moeder. Indien de overleden Koning nageslacht noch broers of zussen had, kan een nakomeling van de grootvader van de overleden vorst in de lijn van erfopvolging tot het koningschap worden geroepen: de vader of moeder van de overleden vorst. Het gaat dan echter altijd om een persoon die, als hij of zij niet is overleden, reeds afstand van het koningschap heeft gedaan. Aangenomen wordt dat wie troonsafstand doet, dit voor eens en altijd doet: zie het commentaar bij art. 27. Daardoor zou opvolging door de vader of moeder van de laatste Koning onmogelijk zijn.
  6. Zie hierover P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, Tjeenk Willink, Zwolle 1967, p. 113-114; Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 8, p. 5, 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 6 en nr. 11, p. 3 (Nng II, p. 48, 72 en 102). Zie ook C.C. van Valkenburg, Lidmaatschap van het koninklijk huis, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 125 e.v.; C.C. van Valkenburg, De troonopvolging in Nederland, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 135 e.v.
  7. Twee van hen, prins Pieter-Christiaan en prins Floris, huwden bovendien zonder wettelijke toestemming en konden ook om die reden de troon niet erven.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 25 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Erfopvolging

De hoofdregel met betrekking tot de erfelijke vervulling van het koningschap is dat de Koning wordt opgevolgd door zijn wettige nakomelingen, waarmee nakomelingen uit een wettig huwelijk worden bedoeld. Het oudste kind heeft daarbij voorrang, ongeacht zijn of haar geslacht. Het beginsel van plaatsvervulling houdt in dat indien een troonopvolger vóór de Koning komt te overlijden, de oudste nakomeling van die troonopvolger diens plaats als troonopvolger inneemt.
 
Bij gebrek aan nakomelingen van de Koning erven de nakomelingen van de ouder of, als die ontbreken, van de grootouder van de laatste Koning het koningschap. In eerste instantie wordt de erfopvolging dan dus langs de lijn van de oudste broer of zus van de Koning voortgezet. Wanneer de Koning geen broers of zussen heeft, wordt de lijn van erfopvolging voortgezet via een oom of tante. Daarbij is wel een grens gesteld: de betreffende opvolger mag niet verder van de laatste Koning af staan dan de derde graad van bloedverwantschap. Het doel hiervan is te voorkomen dat het koningschap kan worden geërfd door een verre verwant van de Koning die geen band met Nederland heeft.
 
De graad van bloedverwantschap tussen twee familieleden wordt volgens het Burgerlijk Wetboek bepaald door het aantal geboortes dat de verwantschap heeft doen ontstaan. Een kind is aan de beide ouders in de eerste graad bloedverwant, broers en zussen zijn bloedverwanten in de tweede graad, evenals grootouders en kleinkinderen, een oom of tante is een bloedverwant in de derde graad en een kind daarvan (neef of nicht) is een bloedverwant in de vierde graad.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Erfopvolging

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Erfopvolging

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Erfopvolging

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Erfopvolging

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Erfopvolging

  • Koning door loting?
Koning door loting?
Blogs

Erfopvolging

Gert-Jan Leenknegt bespreekt de opvolgingsmogelijkheden van Koning Willem-Alexander, in alle denkbare omstandigheden.

In de wereld

Erfopvolging