CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • H.G. Hoogers
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 132a - Caribische openbare lichamen

  1. Bij de wet kunnen in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten worden ingesteld en opgeheven.

  2. De artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 zijn ten aanzien van deze openbare lichamen van overeenkomstige toepassing.

  3. In deze openbare lichamen worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

  4. Voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

H.G. Hoogers

ARTIKEL 132a - Caribische openbare lichamen

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. De nieuwe bepaling
  3. De rechter en artikel 132a Gw
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 

Editie augustus 2018

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 132a is door de wet van 1 november 2017[1] aan de Grondwet toegevoegd. De bepaling vormt de grondwettelijke grondslag voor het feit dat sinds 10 oktober 2010 de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba deel uitmaken van het land Nederland en onder de Nederlandse rechtsorde vallen. De invoering van dit artikel heeft nochtans een vrij lange en ook op onderdelen roerige voorgeschiedenis gehad. De bepaling is de uiteindelijke bekroning van een ontwikkeling die ingezet werd door de referenda die in de eerste jaren van het vorige decennium op de vijf Eilandgebieden van de toenmalige Nederlandse Antillen gehouden zijn over de vraag naar de staatkundige toekomst van de Nederlandse Antillen.


Bonaire

Op Sint Maarten werd een referendum gehouden op 23 juni 2000; bijna 70% van de opgekomen kiezers sprak zich uit voor de status van autonoom Land binnen het Koninkrijk. Op 10 september 2004 ging Bonaire naar de stembus; bijna 60% van de stemmen was voor een directe band met Nederland. Op 1 oktober 2004 werd op Saba een referendum gehouden; ruim 86% van de kiezers was voor een directe band met Nederland. Op 8 april 2005, ten slotte, werden referenda gehouden op Curaçao en op Sint Eustatius. De Curaçaose kiezers kozen met een meerderheid van 68% voor de status van autonoom Land binnen het Koninkrijk. Op Sint Maarten, Bonaire, Saba en Curaçao was maar een vrij kleine minderheid voor het behoud van de Antillen-van-de-vijf. Alleen op Sint Eustatius was dat anders: van de kiezers daar koos op 8 april 2005 juist bijna 78% voor het behoud van de Nederlandse Antillen. Vrijwel alle overige kiezers spraken zich daar uit voor een directe band met Nederland.


Sint Eustatius

De uitslag van deze vijf referenda is door de betrokken overheden geïnterpreteerd als een keuze voor beëindiging van het Nederlands-Antilliaanse staatsverband en de toekenning van de status van autonoom Land, analoog aan de door Aruba in 1986 bereikte status, aan Curaçao en Sint Maarten. De keuze voor een directe band met Nederland door Bonaire en Saba was in de campagne ten behoeve van de referenda nog nauwelijks inhoudelijk uitgewerkt en diende dus nader ingevuld te worden: aan de keuze van de grote meerderheid van de kiezers op Sint Eustatius kon geen recht worden gedaan, omdat op de andere eilanden geen bereidheid was tot instandhouding van de Nederlandse Antillen. In overleg met het eilandbestuur is door Nederland ten aanzien van Sint Eustatius ook gekozen voor een directe band met Nederland, nu dit de keuze van vrijwel alle andere kiezers op het eiland was.


Saba

De directe band met Nederland is vervolgens in overleg van de Nederlandse regering met de eilandbesturen ingevuld als een keuze om deze drie eilanden toe te laten treden tot het staatsverband van Nederland. Dat was, en is, historisch gezien een fundamentele breuk met het (koloniale) verleden: nooit eerder hebben de Koninkrijksdelen in andere werelddelen deel van Nederland zelf uitgemaakt. De Grondwet bevatte tot de herziening van 1983 in artikel 2 een regeling met betrekking tot haar gelding in en haar gelding buiten Nederland en voorzag aldus juist altijd in een juridische scheiding tussen Nederland en de overige Rijksdelen; de invoering van het Statuut in 1954 heeft aan die scheiding niets veranderd. Er bestond in Nederland en de Nederlandse Antillen dan ook geen ervaring met de juridische stappen die gezet moesten worden om te komen tot een dergelijke invoeging van overzeese gebieden in Nederland zelf, waarbij het ook nadrukkelijk de bedoeling was dat de Grondwet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba integraal zou gaan gelden.

De grondslag voor zowel de opheffing van de Nederlandse Antillen, als de verheffing van Curaçao en Sint Maarten tot Land binnen het Koninkrijk en de invoeging van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in Nederland is door de Statuutgever bij de herziening van het Statuut in 2010 gegeven. Artikel I van de Rijkswet tot herziening van het Statuut[2] verklaart onder meer “Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn onderdeel van het staatsbestel van Nederland.” Daarnaast werd, in artikel II van de betreffende Rijkswet, de tekst van het Statuut aan de nieuwe situatie aangepast. Onderdeel van de operatie was onder meer de invoering van een nieuw artikel 1, dat twee leden telde. Het eerste lid regelt dat het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit de Landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het tweede lid luidde:
 
“Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken elk deel uit van het staatsbestel van Nederland. Voor deze eilanden kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsomvang, geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.”
 
Deze nieuwe Statuutsbepaling, die haar formulering in belangrijke mate ontleende aan de formulering die artikel 349 VWEU voor de gelding van het Europese recht in de ultra-perifere gebieden van de EU gebruikt, machtigde de Nederlandse wetgever en bestuur aldus om voor de drie Caribische eilanden die deel van Nederland zijn geworden ten aanzien van specifieke onderwerpen andere regels vast te stellen dan voor het in Europa gelegen deel van Nederland. Het was – zeker aanvankelijk – niet de bedoeling om de bevoegdheid te scheppen over de volle breedte van het recht afwijkend recht te handhaven of in het leven te roepen. De hoge mate van legislatieve terughoudendheid die sinds 2010 betracht is, heeft er echter in de praktijk voor gezorgd dat het bestaande Nederlands-Antilliaanse recht grotendeels in werking gebleven is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waardoor het recht daar nog altijd sterk verschilt van dat van Europees Nederland – in ieder geval formeel. In overleg met de eilandbesturen was eerder al, in 2006, overeengekomen dat de wetgever Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet de status van gemeente zou geven, nu ze niet tot enige provincie zouden gaan behoren en ook overigens op onderdelen van Nederlandse gemeenten verschillen (met name Sint Eustatius en Saba hebben een veel geringer aantal inwoners dan een gemiddelde Nederlandse gemeente), maar dat ze zouden worden ingericht als openbare lichamen, voorlopig op de grondslag van artikel 134 Gw.[3] De Koninkrijksregering gaf in de MvT bij de Rijkswet herziening Statuut aan dat de keuze voor een verankering van de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in het staatsbestel van Nederland door middel van een Statuutsbepaling een optie was die door de Raad van State was voorgesteld en dat om die reden wijziging van de Grondwet niet (langer) strikt noodzakelijk was.[4] De regering wees er met nadruk op dat de nieuwe Statuutsbepaling geen bevoegdheid schept om van de Grondwet af te wijken: de afwijkingsmogelijkheden die aan wetgever en bestuur worden verleend dienen ter invulling van het kader dat artikel 1 Gw schept, maar machtigen niet tot afwijking van die bepaling. Die keuze is overigens niet slechts een principiële: zou wél van de Grondwet afgeweken mogen worden, dan zou de herziening van het Statuut via de procedure van artikel 55, derde lid, hebben moeten plaatsvinden, hetgeen tot een aanzienlijke (verdere) vertraging van de toch al ingewikkelde wetgevingsoperatie geleid zou kunnen hebben.[5] Wel is in artikel 54 Statuut direct een bepaling opgenomen die tot het vervallen van artikel 1, tweede lid, Statuut leidt op het moment dat er in de Grondwet een structurele regeling van de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen. Aldus was van aanvang aan duidelijk dat artikel 1, tweede lid, Statuut een tijdelijke regeling zou kunnen zijn, afhankelijk van latere keuzes van de (Grond)wetgever. In zijn advies bij de herzieningsrijkswet weerspreekt de Raad van State overigens met nadruk dat hij voorstander zou zijn van de verankering van de constitutionele positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba door middel van een statutaire norm; de Raad aanvaardt een dergelijke regeling alleen als tijdelijke voorziening en adviseert de regering om zo snel als mogelijk te komen tot een definitieve regeling in de Grondwet.[6] Deze wees dit af en wilde op zijn vroegst nadat in 2015 de institutionele wetgeving voor de drie openbare lichamen geëvalueerd was met een voorstel tot grondwetsherziening komen.

Afbeeldingsresultaat voor bes eilanden

Aldus kiest de regering, althans in 2009, voor een juridisch model waarin de opname van de drie eilanden in het Nederlandse staatsbestel en de bevoegdheid om in wetgeving en bestuur af te wijken van regelgeving voor Europees Nederland in het Statuut verankerd is, maar de grondslag voor met name de institutionele regelgeving ten aanzien van deze eilanden gezocht wordt in de Grondwet, meer speciaal artikel 134, hoewel die bepaling geen grondslag beoogt te geven voor permanente, algemeen bevoegde openbare lichamen.[7] Ook meende de regering dat zonder herziening van de Grondwet in de Kieswet geregeld kon worden dat het kiesrecht voor de Eerste Kamer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan de Eilandsraden zou worden toegekend. Deze keuze stuitte van meet af aan niet slechts bij de Raad van State, maar ook in de Kamer op onbegrip en verzet. Reeds in december 2009 nam de Tweede Kamer de motie-Remkes aan, waarin de regering werd opgeroepen om op de kortst mogelijke termijn met een voorstel tot grondwetsherziening te komen om de definitieve plaats van Bonaire, Sint Eustatius en Saba vorm te geven, mede in verband met het kiesrecht voor de Eerste Kamer[8] en ook tijdens de parlementaire behandeling van de Statuutsherzieningsrijkswet rezen bij de verschillende fracties in de Tweede Kamer veel vragen over de door de regering voorgestane oplossing.

Dit resulteerde erin dat de regering toch ruimschoots voor de evaluatie van de wetgeving ten aanzien van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, namelijk reeds eind 2011, een voorstel tot herziening van de Grondwet bij de Tweede Kamer indiende, waarin zowel een definitieve verankering van de drie Caribische eilanden in het Nederlandse staatsbestel geregeld werd als ook de materie die in artikel 1 tweede lid Statuut was geregeld. De keuze om dit toch te doen werd ook ingegeven door het feit dat de Staten-Generaal weliswaar bereid waren geweest om de Kieswet zodanig aan te passen dat de Eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het actieve kiesrecht voor de Eerste Kamer zouden krijgen, maar de inwerkingtreding van die bepaling[9] afhankelijk werd gemaakt van de invoering van een herziening van de Grondwet. Een grondwetswijziging waarin ook artikel 55 Gw zodanig werd gewijzigd dat ze een deugdelijke grondslag biedt voor de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer in Bonaire Sint Eustatius en Saba werd dan ook een toenemende noodzaak.

Het voorstel tot grondwetsherziening[10] kende in de eerste lezing een tamelijk voorspoedig verloop in de Tweede Kamer. Het voorzag in de wijziging van een aantal grondwetsartikelen en de invoeging van een geheel nieuw artikel 132a, waarin de wetgever bevoegd wordt gemaakt om bij de wet in het Caribische deel van Nederland andere openbare lichamen dan provincies en gemeenten in te stellen, waarin de meeste grondwettelijke bepalingen omtrent gemeenten en provincies van overeenkomstige toepassing verklaard worden en waarin in het derde lid een vereenvoudigde versie van artikel 1, tweede lid, Statuut wordt opgenomen. In de Eerste Kamer rezen reeds spoedig overwegende bezwaren tegen de verklaringswet. Die hadden niet zozeer van doen met artikel 132a, maar met de voorgestelde wijziging van artikel 55 Gw, waarmee de regering tegemoet wilde komen aan de in de Tweede Kamer levende bezwaren tegen de gelijkstelling van de Eilandsraden van de drie Caribische openbare lichamen aan provinciale staten bij het kiezen van de Eerste Kamer.[11] De Eerste Kamer verzette zich tegen deze bepaling, nu deze regeling ertoe noodzaakte om het kiesrecht voor de Eilandsraden te onthouden aan niet-Nederlanders om te voorkomen dat deze invloed op de samenstelling van de Staten-Generaal zouden krijgen. Een meerderheid van de Eerste Kamer was uiteindelijk de mening toegedaan dat aan twee door deze Kamer als fundamenteel geziene uitgangspunten van het Nederlandse kiesrecht ook in Bonaire, Sint Eustatius en Saba voldaan zou moeten worden: de gedachte dat alleen Nederlanders invloed moeten kunnen hebben op de verkiezingen voor en samenstelling van de Staten-Generaal en de gedachte dat niet-Nederlanders het actieve en passieve kiesrecht voor het vertegenwoordigend orgaan op lokaal niveau dienen te bezitten, mits ze aan bepaalde in de wet vastgelegde voorwaarden voldoen. Deze overtuiging leidde er toe dat uiteindelijk vrijwel de voltallige Eerste Kamer van mening was dat er een ontvlechting zou moeten komen tussen de verkiezingen voor de Eilandsraden en de verkiezingen voor de Eerste Kamer.[12]

Deze ontvlechting zou haar beslag moeten krijgen door de instelling van aparte Kiescolleges in de Caribische openbare lichamen, los van de Eilandsraden, die exclusief tot taak hebben de Eerste Kamer te kiezen en waarvoor uitsluitend Nederlanders het actieve en passieve kiesrecht zouden genieten.[13] De regering heeft hierin willen bewilligen door een staatsrechtelijk uitzonderlijke figuur: een novelle op de verklaringswet. Deze wet, de wet van 26 oktober 2016[14] wijzigt de verklaringswet op een aantal punten. De belangrijkste wijzigingen zijn een herformulering van artikel 55 Gw, zodat daarin tot uitdrukking komt dat de Eerste Kamer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba door een Kiescollege wordt gekozen en een herformulering van het beoogde artikel 132a Gw door de invoering van een derde lid en de vernummering van het derde tot het vierde lid. In het nieuwe derde lid wordt vastgelegd dat in de Caribische openbare lichamen verkiezingen voor een Kiescollege plaatsvinden en dat op die verkiezingen artikel 129 Gw van overeenkomstige toepassing is. De verklaringswet is vervolgens als de wet van 15 november 2016 vastgesteld.[15] De herzieningswet die het product is van de tweede lezing (waarin de wijzigingen in de verklaringswet uiteraard opgenomen zijn) is als gezegd op 1 november 2017 vastgesteld en de Grondwet is na de bekendmaking ervan op 17 november 2017 herzien. Door deze herziening is bovendien van rechtswege artikel 54 van het Statuut vervallen en door het nieuwe additionele artikel IV van de Grondwet, in verband met artikel 54 Statuut, eveneens artikel 1, tweede lid, Statuut.

2. De nieuwe bepaling

Artikel 132a van de Grondwet telt vier leden. Het eerste lid geeft de wetgever de bevoegdheid om in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan gemeenten en provincies in te stellen en op te heffen. Dit dient ‘bij de wet’ te geschieden: delegatie is aldus niet toegestaan. Bij de parlementaire behandeling van het oorspronkelijke voorstel tot herziening van de Grondwet is er op gewezen dat de wijze waarop artikel 132a, eerste lid, is geformuleerd de mogelijkheid in zich draagt om op enig moment te kiezen voor de status van ‘gewone’ gemeente: dat vergt uiteraard intrekking van de specifieke wetgeving die haar grondslag nu vindt in artikel 132a, maar er is dan geen nieuwe herziening van de Grondwet nodig.[16] De Grondwet gaat er blijkens het eerste lid van artikel 132a van uit dat er een Caribisch deel van Nederland is. Dat zulks de status iuris is, wordt niet expliciet in de Grondwet geregeld: de grondslag daarvoor blijft artikel I van de Statuutsherzieningsrijkswet van 2010. Door het verdwijnen van artikel 1, tweede lid, van het Statuut ontbreekt overigens ook in de tekst van het Statuut nu een formele expliciete norm die duidelijk maakt dát Bonaire, Sint Eustatius en Saba deel uitmaken van het Nederlandse staatsbestel. Het lijkt in zekere zin een kwestie van constitutionele ‘smaak’ of dit als een gemis dient te worden beoordeeld.

In het tweede lid van artikel 132a wordt een aantal bepalingen van hoofdstuk zeven van de Grondwet van overeenkomstige toepassing verklaard in het Caribisch deel van Nederland, hetgeen de wetgever bindt aan deze normen bij het reguleren van de staatkundige inrichting van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De grondwetgever verklaart de artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 van overeenkomstige toepassing. Daaruit volgt dat de hoofdregels met betrekking tot de inrichting en de bevoegdheden van het decentraal bestuur in het Europese deel van Nederland eveneens van toepassing zijn in het Caribisch deel van Nederland: een grondwettelijk gegarandeerde autonomie, het hoofdschap van het algemeen vertegenwoordigend orgaan, het bestaan van andere decentrale organen (die andere namen hebben in Caribisch Nederland, maar wel min of meer dezelfde functie vervullen als hun equivalenten in gemeenten en provincies), de toekenning van de verordenende bevoegdheid aan het algemeen vertegenwoordigend orgaan, de regeling met betrekking tot de verkiezingen van het algemeen vertegenwoordigend orgaan, de mogelijkheid van de toekenning van het kiesrecht aan niet-Nederlanders voor het algemeen vertegenwoordigend orgaan, de benoeming van de voorzitter van het lokale bestuur bij koninklijk besluit en de regeling met betrekking tot het toezicht op het lokale bestuur. In de MvT verklaart de regering dat er niet voor gekozen is om de artikelen 123, 126 en 133 van overeenkomstige toepassing te verklaren: voor artikel 123 is dit het geval omdat artikel 132a, eerste lid, nu juist de constitutionele tegenhanger van artikel 123 Gw is voor Caribisch Nederland, voor artikel 126 geldt dat er in Caribisch Nederland geen tegenhanger is van de Commissaris van de Koning, nu dit deel van Nederland niet provinciaal is ingedeeld. De instelling van waterschappen is in de Caribische context evenzeer een weinig voor de hand liggende keuze.[17] De regering laat hier overigens in het vage of dit nu betekent dat deze drie grondwettelijke bepalingen geen gelding hebben in Bonaire, Sint Eustatius en Saba: daar lijkt het wel op, maar het verdraagt zich slecht met de steeds weer beleden geloofsuitspraak dat de Grondwet ‘integraal’ geldt in Caribisch Nederland.[18] Voor de overige in artikel 132a, tweede lid, niet opgenomen bepalingen van hoofdstuk zeven (de artt. 134-136) geldt dat ze wel toepassing vinden in Caribisch Nederland, maar niet uit kracht van artikel 132a. Er kunnen dus openbare lichamen worden ingesteld in Caribisch Nederland, er kan een wettelijke grondslag geschapen worden voor de samenwerking tussen Caribische openbare lichamen onderling en met anderen en in de mogelijkheid van een kroonbeslissing ter zake van geschillen tussen de Caribische openbare lichamen onderling of met andere openbare lichamen is eveneens voorzien.[19]

Het derde lid van artikel 132a is een van de resultaten van de novelle op het oorspronkelijke voorstel van grondwetsherziening, die nodig was om tegemoet te komen aan de bezwaren in de Eerste Kamer tegen de toekenning van het kiesrecht voor de Eerste Kamer aan de Eilandsraden. Deze novelle voegt een nieuw derde lid aan artikel 132a toe en vernummert het derde tot het vierde lid. Artikel 132a, derde lid, Gw regelt dat in de Caribische openbare lichamen verkiezingen gehouden worden voor een Kiescollege voor de Eerste Kamer. Op dit Kiescollege is artikel 129 van de Grondwet van overeenkomstige toepassing. De voor de verkiezingen van provinciale staten geldende grondwettelijke normen zijn dan ook voor zover dat mogelijk is evenzeer van toepassing op de verkiezingen voor het Kiescollege. Omdat artikel 129 wel, maar artikel 130 van de Grondwet nadrukkelijk niet van overeenkomstige toepassing is op de Kiescolleges wordt gewaarborgd dat uitsluitend degenen die Nederlander en ingezetene zijn van het betreffende openbare lichaam aan de verkiezingen voor het Kiescollege kunnen deelnemen.[20] De regering wijst er evenzeer op dat uit de toepassing van artikel 129 Gw op de Kiescolleges voortvloeit dat deze, evenals provinciale staten en de raden van de gemeenten, een zittingsduur hebben van vier jaar. Dat is, gelet op de uiterst beperkte taakstelling van deze colleges, enigszins merkwaardig te noemen, maar er is tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel verder geen aandacht aan besteed.[21]

Het vierde lid van artikel 132a is de opvolger van het verdwenen artikel 1, tweede lid, Statuut en heeft naast de wijze van verkiezing van de leden van de Eerste Kamer in Caribisch Nederland voor de meeste ophef gezorgd. De vraag die daarbij telkens aan de orde is gesteld, tot aan de tweede lezing toe, is of er geen grondslag geschapen wordt om af te wijken van (artikel 1 van de) Grondwet. Dit is door de regering telkens (en telkens met grote nadruk) tegengesproken.[22] De stelligheid waarmee steeds is betoogd dat de Grondwet integraal in Caribisch Nederland zou gaan gelden is dan ook vooral daarop gebaseerd.[23]

De bepaling kende aanvankelijk een uitgebreidere formulering: de regering koos voor de vrijwel letterlijke overname van de tekst van artikel 1, tweede lid, Statuut in de Grondwet.[24] Op advies van de Raad van State is gekozen voor de uiteindelijke sobere formulering die daadwerkelijk in de bepaling is terecht gekomen.[25] Daarmee is nadrukkelijk geen afwijking beoogd van hetgeen artikel 1. tweede lid, Statuut vastlegde. De differentiatiebepaling van artikel 132a, vierde lid, Gw beoogt aldus niet om een bevoegdheid te creëren tot afwijking van de Grondwet, noch ook een ander differentiatiekader voor de behandeling van Caribisch Nederland te geven dan artikel 1 Gw biedt, maar wil onder de erkenning van het feit dat Caribisch Nederland ten opzichte van Europees Nederland een andere rechtsorde vormt[26] een inkleuring bieden voor het toetsingskader van artikel 1.[27]

Het is overigens ook van een zeker praktisch belang dat de regering bij de behandeling van het voorstel tot grondwetsherziening met nadruk gewezen heeft op de volledige gelding van artikel 1 Gw in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bij de opname van artikel 1, tweede lid, in het Statuut was immers vast komen te staan dat die norm, hoewel hiërarchisch hoger dan artikel 1 Gw, niet machtigt tot afwijking van (artikel 1 van de) Grondwet, hetgeen door de aanvaardingsprocedure bovendien bevestigd wordt. De paradox van de opname van een definitieve differentiatieclausule in de Grondwet brengt echter met zich dat er nu weliswaar geen sprake meer is van een lex superior ten opzichte van artikel 1 Gw, maar wel van een lex specialis. Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat artikel 132a, vierde lid, Gw zou kunnen machtigen tot afwijking van artikel 1, maar zulks is dus niet de bedoeling.

Art. 132a, vierde lid, speelt ook een zekere rol bij de vraag naar de gelding van verdragen in Caribisch Nederland. Vaak geldt ook thans nog dat verdragen wel voor Europees, maar niet voor Caribisch Nederland in werking treden. Voor zover het daarbij gaat om mensenrechtenverdragen kunnen vraagtekens gezet worden bij die praktijk. Als artikel 1 Gw onverkort geldt, is het immers de vraag of er ruimte is voor differentiatie op dit gebied.[28]

3. De rechter en artikel 132a Gw

Gezien de zeer recente inwerkingtreding van artikel 132a Gw is er nog geen jurisprudentie voorhanden over de toepassing van de nieuwe norm, met name natuurlijk het vierde lid. Onder de gelding van artikel 1, tweede lid, Statuut is echter wel een aantal rechtszaken gevoerd waarin het gelijkheidsbeginsel in de relatie tussen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de rest van Nederland een rol speelde. In zijn arrest van 11 januari 2011 komt het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (GHvJ) tot het oordeel dat de bepaling in de Kieswet die het kiesrecht voor de Eilandsraden onthield aan niet-Nederlanders in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. Nu het om een formeel-wettelijk voorschrift ging vindt de toetsing plaats aan (vooral) artikel 26 IVBPR, maar kennelijk komt het GHvJ tot het oordeel dat artikel 1, tweede lid, Statuut geen ruimte biedt voor een dergelijke vorm van differentiatie: tussen de Eilandsraden en de raden van de gemeenten bestaat zolang deze eersten niet (mede) de Eerste Kamer kiezen geen zodanig objectief verschil dat dit een dergelijke ongelijke behandeling rechtvaardigt.[29] Waar de rechter ten aanzien van klassieke grondrechten als het kiesrecht dus een vrij straffe koers vaart, daar is hij ten aanzien van sociaaleconomische rechten een stuk welwillender ten opzichte van de wetgever. Zo oordeelde het GHvJ dat de Wet algemene ouderdomsverzekeringen BES (AOV BES), die het ouderdomspensioen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba vastlegt op USD 524,- per maand, weliswaar afwijkt van de voor Europees Nederland geldende wetgeving (de Algemene Ouderdomswet, AOW), die een pensioen van omgerekend ongeveer USD 875,- vastlegt,[30] maar dat dit onderscheid gerechtvaardigd is door de relevante sociaaleconomische verschillen tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland en dus valt binnen de door artikel 1, tweede lid, Statuut gegeven differentiatieruimte.[31] Een klacht over het vermeende discriminatoire karakter van het belastingstelsel in Caribisch Nederland (zoals vooral vastgelegd in de Wet inkomstenbelasting BES) wordt door de Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (RvBB) in zijn uitspraak van 19 juni 2015 afgewezen: het staat de Nederlandse wetgever vrij om voor Caribisch Nederland een geheel ander belastingstelsel in te voeren dan het stelsel dat in Europees Nederland van toepassing is en zulks geldt dan dus ook voor het op belastingplichtigen toepasselijke tarief. Daarin schuilt aldus de RvBB geen discriminatie.[32] In deze zaak wordt niet expliciet verwezen naar artikel 1, tweede lid, Statuut, maar de bestreden wetgeving vindt er wel (mede) haar grondslag in, vooral in die zin, dat de bepaling de nationaalrechtelijke grenzen stelt waarbinnen de wetgever dient blijven. Artikel 1, tweede lid, Statuut vormde derhalve vooral impliciet en indirect een toetsingskader voor de rechter bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van ongelijke gevallen. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat dit onder de werking van artikel 132a, vierde lid, Gw wezenlijk anders zal zijn.

4.Literatuur

- H.M.B. Breunesse en L.L. van der Laan, De gordiaanse knoop van 10/10/10: het kiesrecht in het Caribische deel van Nederland, in: TvCR 2015 nr. 3, pag. 268-285.
- H.G. Hoogers, De herstructurering van het Koninkrijk als lakmoesproef (deel 2), in: TvCR 2010 nr. 4, pag. 376-404;
- H.G. Hoogers, Afwijkend recht in Nederland: de uitzonderingsbepaling van art. 132a lid 3 GW, in: Ars Aequi jaargang 2017 nr. 2, pag. 84-85;
- G. Karapetian/H.G. Hoogers, Het ongelijkheidsbeginsel in Europees en Caribisch Nederland, in: M. Duchateau/A. Tollenaar (red.) Vertrouwen in de lokale rechtsstaat. Decentralisatie als Governance-vraagstuk, Den Haag, 2018, pag. 143-156;
- A.L.C. Roos/L.F.M. Verhey (red.), Wetten voor de West. Over de Wetgeving in het vernieuwde Koninkrijk der Nederlanden, Den Haag, 2010.

5. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Stb. 2017, 426.
  2. Rijkswet van 7 september 2010, Stb. 2010, 333.
  3. Slotverklaring van de Miniconferentie over de toekomstige staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10 en 11 oktober 2006, Den Haag. Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 5.
  4. Kamerstukken II 2009-2010, 32 213 (R 1903) nr. 3, pag. 4.
  5. Een herziening van het Statuut in afwijking van de Grondwet vergt namelijk op grond van art. 55 lid 3 een procedure waarin de Tweede Kamer, na de aanvaarding van de herzieningsrijkswet ontbonden moet worden en de beide Kamers vervolgens in een tweede lezing het voorstel voor Statuutsherziening bij volstrekte meerderheid van stemmen moeten aanvaarden.
  6. Kamerstukken II 2009-2010, 32 213 (R 1903) nr. 4, pag. 3-4.
  7. De Wieringermeer, de Noordoostpolder en de Zuidelijke IJsselmeerpolders, alsmede de in 1949 geannexeerde drostschappen Elten en Tudderen hebben hun constitutionele grondslag evenzeer in (thans) art. 134 Gw gevonden (wet van 31 mei 1937, Stb 1937, 531; Besluit van de Secretarissen-Generaal van Binnenlandse Zaken, Waterstaat, Financiën, en Landbouw en Visserij van 28 juli 1942, Stcrt. 1942, 151; Wet van 10 november 1955, Stb. 1955, 521; Besluit van 22 april 1949, Stb. 1949, J. 181), maar de polders zijn, nadat er een zekere mate van permanente bewoning op gang was gekomen, gemeentelijk en provinciaal ingedeeld en Elten en Tudderen zijn begin jaren ’60 aan de Bondsrepubliek Duitsland overgedragen.
  8. Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 IV nr. 12.
  9. Art. III lid 2 van de wet tot wijziging van de Kieswet van 17 mei 2010.
  10. Kamerstukken II 2011-2012, 33 131 nr. 2.
  11. Die bepaling zou komen te luiden: “De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van de algemeen vertegenwoordigende organen van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a.”
  12. Een uitgebreide en inzichtelijke analyse van het gecompliceerde dossier ‘kiesrecht in Bonaire, Sint Eustatius en Saba’ is te vinden in H.M.B. Breunesse en L.L. van der Laan, De gordiaanse knoop van 10/10/10: het kiesrecht in het Caribische deel van Nederland, in: TvCR 2015 nr. 3, pag. 268-285.
  13. In de Kieswet is inmiddels een regeling opgenomen met betrekking tot de Kiescolleges (art. Ya 22 e.v.). Bonaire, Sint Eustatius en Saba gaan alle drie beschikken over een eigen Kiescollege, waarvan het ledental gelijk is aan dat van de Eilandsraad: het Kiescollege van Bonaire bestaat uit negen leden, dat van Sint Eustatius en Saba ieder uit vijf. Gezien het kleine aantal inwoners van de drie eilanden is hun stemgewicht uitzonderlijk gering: dat van Sint Eustatius en Saba ieder 0,01 zetel in de Eerste Kamer, dat van Bonaire 0,09 zetel.
  14. Stb. 2016, 426.
  15. Stb. 2016, 458. Zij is dus weliswaar vastgesteld, maar was reeds door de wet van 26 oktober gewijzigd. Deze wijziging is uiteraard op dezelfde dag in werking getreden.
  16. Kamerstukken II 2011-2012, 33 131 nr. 7, pag. 2. Het is een interessante vraag of uit de formulering van art. 132a eerste lid Gw nu kan worden afgeleid dat – a contrario, en in samenhang met art. 123 Gw – in het Europese deel van Nederland een rechtsplicht voor de wetgever bestaat om territoriale openbare lichamen altijd in de vorm van gemeenten en provincies in te stellen. De vraag is eerder aan de orde geweest bij de discussies over de invoering van de stadsprovincies Amsterdam en Rotterdam en speelde overigens ook reeds bij de beoogde invoering van gewesten in de jaren ’70 een rol.
  17. Kamerstukken II 2011-2012, 33 131 nr. 3, pag. 4.
  18. Overigens kunnen ook gerede twijfels worden uitgesproken ten aanzien van (delen van) de gelding van hoofdstuk zes van de Grondwet in Caribisch Nederland: de door de regering meermalen verdedigde opvatting dat de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie ten aanzien van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een uitwerking is van art. 116 Gw is in ieder geval juridische nonsens.
  19. Kamerstukken II 2011-2012, 33 131 nr. 3, pag. 4.
  20. Kamerstukken II 2015-2016, 34 341 nr. 3, pag. 7.
  21. Uit het vierde lid van art. 129 Gw vloeit voort dat de wetgever de bevoegdheid heeft om de zittingstermijn van het Kiescollege korter dan vier jaar te doen zijn. Daarvan is echter geen gebruik gemaakt.
  22. Een (vroeg) voorbeeld uit vele: Kamerstukken II 2009/2010, 32 213 (R 1903) nr. 3 pag. 5.
  23. Ibid.
  24. Kamerstukken II 2011-2012, 33 131 nr. 4.
  25. Ibid., pag. 7.
  26. Bij de gedachte dat Caribisch Nederland ten opzichte van Europees Nederland een andere rechtsorde vormt kunnen wel vraagtekens geplaatst worden: zeker vanuit het perspectief dat de Grondwet er integraal zou gelden is dat niet erg voor de hand liggend. Het is echter wel het nadrukkelijke standpunt van de regering en het is in de beide Kamers niet weersproken.
  27. Ibid., pag. 4, 6-7.
  28. Zie hierover ook het onderzoeksrapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken van juni 2018, Fundamentele rechten in het Koninkrijk: eenheid in bescherming. Theorie en praktijk van territoriale beperkingen bij de ratificatie van mensenrechtenverdragen, AIV publicaties nr. 107, Den Haag, 2018.
  29. GHvJ 11 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP2929.
  30. Tegen de koers van eind juli 2018. Tijdens het wijzen van het arrest stond de Amerikaanse Dollar een stuk lager ten opzichte van de Euro, waardoor het verschil (aanzienlijk) groter was. Dit onderscheid in koers is echter vooral optisch: wie uitgaven doet in zijn of haar eigen valuta bemerkt immers niets van wisselkoersverschillen.
  31. GHvJ 15 december 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2014:109.
  32. RvBB 19 juni 2015, ECLI:NL:ORBBACM:2015:19.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    H.G. Hoogers, Commentaar op artikel 154 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2018 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Caribische openbare lichamen

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Caribische openbare lichamen

Recente rechtspraak

Caribische openbare lichamen

Politiek

Caribische openbare lichamen

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Caribische openbare lichamen

In de wereld

Caribische openbare lichamen