CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

B.M.J. van der Meulen

ARTIKEL 140 - Handhaving bestaande regelgeving

INHOUD
  1. Overgangsrecht
  2. Reikwijdte
  3. Rechtstreeks werkende grondwetsbepalingen
  4. Beschouwing
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
   
Editie mei 2016
 

1. Overgangsrecht

Grondwettelijk overgangsrecht beantwoordt vragen inzake de invloed van grondwetsherziening op de bestaande rechtssituatie.[1] Er is bijzonder en algemeen grondwettelijk overgangsrecht. Het bijzondere is neergelegd in additionele artikelen, waarvan de Grondwet van 1983 er 29 had. Zij geven voor specifieke onderwerpen tijdelijke regelingen in afwachting van definitieve, of regelen uitzonderingen, bijvoorbeeld die op art. 16 van de Grondwet. Soms wordt de inwerkingtreding van nieuwe grondwetsbepalingen een bepaalde termijn, meestal vijf jaar, opgeschort, om de wetgever gelegenheid te bieden in die bepalingen vereiste wetten te maken of bestaande uitvoeringsregelingen aan te passen.[2] In andere gevallen worden vervallen (grondwets)bepalingen tijdelijk gehandhaafd in afwachting van nieuwe regelingen. Additionele artikelen hebben een incidenteel karakter, dat beperkt is tot regeling van gevolgen van één herziening.
 
Het algemeen grondwettelijk overgangsrecht, artikel 140, regelt in principe de overgangsproblematiek voor elke herziening en voor de gehele (herziene) Grondwet. Wanneer een bestaande rechtsregel als gevolg van een grondwetsherziening afwijkt van de Grondwet, dient allereerst bezien te worden of het desbetreffende grondwetsartikel in zijn werking wordt beperkt door een additioneel artikel. Is dat niet het geval dan geldt art. 140.
 

2. Reikwijdte 

Artikel 140 bepaalt dat op het moment van de herziening bestaande en met de herziene Grondwet strijdige wetten, regelingen en besluiten blijven gelden totdat nieuw recht is gecreëerd dat niet strijdt met de Grondwet. Het is dus een overgangsregel met eerbiedigende werking, welke vrij duidelijk lijkt, ware het niet dat de regering op deze eerbiedigende werking één uitzondering heeft beoogd. Blijkens de memorie van toelichting[3] werd artikel 140 niet van toepassing geacht op rechtstreeks werkende grondwetsbepalingen.[4] Dergelijke bepalingen hebben derhalve een afschaffende werking: bestaande regelingen en besluiten die in strijd zijn met een rechtstreeks werkende bepaling uit de herziene Grondwet worden buiten toepassing gelaten.[5] De regering merkte voorts op dat artikel 120 Grondwet niet opzij wordt gezet door artikel 140, zodat deze afschaffende werking niet opgaat voor wetten in formele zin.
 
De beoogde hoofdregel van algemeen grondwettelijk overgangsrecht luidt derhalve dat regelgeving die door inwerkingtreding van de herziene Grondwet met deze in strijd komt, blijft gelden totdat zij in overeenstemming met de Grondwet is gebracht. Op deze hoofdregel geldt naar de bedoeling van de regering één uitzondering: is er sprake van rechtstreeks werkende bepalingen dan blijven daarmee strijdige regelingen niet in stand. In dat geval heeft de Grondwet zelf de nodige voorziening getroffen. Ook op deze uitzondering geldt één uitzondering: indien het gaat om formele wetgeving, dan zal die strijdige formele wet wèl in stand blijven omdat artikel 120 Grondwet toetsing ervan aan de Grondwet verbiedt.[6]
 

3. Rechtstreeks werkende grondwetsbepalingen 

Van regeringszijde zijn alle klassieke grondrechten, behoudens artikel 7, tweede lid, eerste volzin, en artikel 10, tweede en derde lid, Grondwet, aangemerkt als rechtstreeks werkend.[7] Volgens Hirsch Ballin[8] is sprake van een rechtstreeks werkende bepaling, indien is voldaan aan twee voorwaarden. In de eerste plaats is de grondwetsbepaling in staat de rechtsbetrekking zelfstandig te bepalen. Zij behoeft geen nadere uitwerking.[9] Daarnaast is zij in staat uit eigen kracht oude besluiten ter zijde te stellen. Als hogere norm kan de Grondwet alle nationale regelgeving ter zijde stellen, met uitzondering (artikel 120) van formele wetten.
 
Deze kwestie kreeg praktische betekenis in verband met artikel 12 Grondwet 1983, betreffende het huisrecht. Deze bepaling stelde strakkere voorwaarden aan het zonder toestemming binnentreden dan artikel 9 Opiumwet. De Rechtbank Assen oordeelde dat de Opiumwet op grond van artikel 140 Grondwet gehandhaafd bleef, ondanks strijd met artikel 12 Grondwet.[10] De Rechtbank Den Bosch kwam tot de tegengestelde conclusie dat artikel 12, tweede lid, Grondwet een rechtstreeks werkende bepaling was, die artikel 9 Opiumwet opzij zette.[11] De Hoge Raad stelde zich vervolgens op het standpunt dat artikel 9 Opiumwet inderdaad in strijd was met artikel 12, tweede lid, Grondwet, maar dat het ingevolge artikel 140 Grondwet toch gehandhaafd bleef. Hij overwoog daarbij:
‘Grondwettelijke bepalingen, welke naar hun inhoud rechtstreeks kunnen werken, behouden zodanige werking voor zover het tot gelding komen daarvan niet is beperkt door de krachtens art. 140 Gw. vereiste eerbiediging van voorheen bestaande wetten.’[12]
 
De Hoge Raad kiest voor een letterlijke interpretatie van artikel 140 Grondwet. Hij lijkt (in elk geval wat betreft wetten) de door de regering beoogde uitzondering voor rechtstreeks werkende bepalingen van de hand te wijzen. Dit komt de hanteerbaar­heid van artikel 140 Grondwet ten goede, maar doet afbreuk aan de werking van de Grondwet, zolang niet alle regelingen zijn aangepast.[13] Het gaat vooral ten koste van de klassieke grondrechten, want de meeste zijn, volgens de grondwetgever, rechtstreeks werkende bepalingen.
 
De Centrale Raad van Beroep achtte toetsing van bestaande lagere regelingen aan een rechtstreeks werkende grondwetsbepaling (artikel 1) wel mogelijk.[14] De Hoge Raad verwierp een tegen de desbetreffende uitspraak ingesteld cassatiebe­roep, overwegende dat de rechter andere regelgeving dan formele wetten kan toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat het gelijkheidsbeginsel zoals dat sedert 1983 in artikel 1 Grondwet is neergelegd reeds geruime tijd voordien tot de ongeschreven beginselen van het Nederlandse recht heeft behoord.[15]
 

4. Beschouwing 

De constructie die de grondwetgever in artikel 140 heeft neergelegd is om twee redenen ongelukkig te noemen. In de eerste plaats is zij niet gebonden aan enige termijn. Dit zet de lagere regelgevers niet aan tot voortvarendheid maar lijkt juist nalatigheid te belonen.

In de tweede plaats is de beoogde voorrang voor rechtstreeks werkende grondwetsbepalingen niet de tekst van deze bepaling vastgelegd. Als gevolg daarvan wijzen op dit punt twee even gezaghebbende interpretatiemethoden – de grammaticale en de wetshistorische – in diametraal tegengestelde richting. Dit maakt artikel 140 van de Grondwet dubbelzinnig. Deze dubbelzinnigheid weerspiegelt zich in de rechtspraak van de Hoge Raad. In het ene geval overweegt de Hoge Raad met zoveel woorden dat de eerbiedigende werking voorrang heeft boven rechtstreeks werkende grondwetbepalingen; anderzijds laat hij toetsing toe in gevallen waarin een rechtstreeks werkende bepaling een reeds eerder bestaand beginsel tot uitdrukking brengt.
 
Aangezien de rechtstreeks werkende bepalingen vooral onder de klassieke grondrechten te vinden zijn, zal de zaak zich in de praktijk doorgaans wel oplossen via het EVRM. Een herbezinning op de tekst van artikel 140 lijkt echter op haar plaats.
 

5. Jurisprudentie 

- CRvB 21 december 1990, AB 1991, 225 m.nt. de L.
- HR 4 maart 1986, NJ 1986, 612, m.nt. Th.W. van Veen
- HR 27 mei 1986, NJ 1987, 298
- HR 1 december 1993, NJ 1996, 230 m.nt. MS
- Rb. Assen 16 augustus 1983, NJ 1984, 318
- Rb. Den Bosch 16 december 1983, AA 1984, p. 326, m.nt. C.A.J.M. Kortmann
 

6. Literatuur 

- A.M. Donner, Grondwettelijk overgangsrecht, in: Recht op scherp (Duk-bundel), Zwolle 1984, p. 276
- E.M.H. Hirsch Ballin, Samenhang, werking en waarborgen van de grondrechten inzake de onschendbaarheid van de woning en het post- en telecommunicatiegeheim, in: De wetgeving ter uitvoering van Hoofdstuk 1 van de Grondwet, Staatsrechtconferentie 1987, Zwolle 1988, p. 91-93
- A.K. Koekkoek, Beantwoording rechtsvraag (145) staatsrecht/strafrecht, AA 1984, p. 167-174
- A.K. Koekkoek, Nawoord bij: Artikel 140 Grondwet en de onschendbaarheid van de wet, AA 1984, p. 459
- H.R.B.M. Kummeling, Het grondwettelijk overgangsrecht en de rechtstreekse werking van grondrechten, NJB 1987, p. 349-352
 

7. Historische versies 

Add. art. 2 Gw 1815: Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, en alle thans in werking zijnde wetten behouden kracht, tot dat daarin op eene andere wijze zal zijn voorzien.
Add. art. 1 Gw 1848: Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.
Add. art. 3 Gw 1848: Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtervolgens door andere worden vervangen (add. art. II Gw 1887).
Art. 206 Gw 1938: De op het oogenblik van de afkondiging van eene verandering in de Grondwet bestaande autoriteiten, verbindende wetten, reglementen en besluiten blijven gehandhaafd, totdat zij door andere volgens de Grondwet zijn vervangen (art. 207 Gw 1948; art. 214 Gw 1953; art. 215 Gw 1956).
  

Noten

  1. Zie ook de Inleiding bij dit hoofdstuk.
  2. Zie: H.R.B.M. Kummeling, Het grondwettelijk overgangsrecht en de rechtstreekse werking van grondrechten, NJB 1987, p. 349-352; A.M. Donner, Grondwettelijk overgangsrecht, in: Recht op scherp (Duk bundel), Zwolle 1984, p. 276.
  3. Nng VIII, p. 10, verwijzend naar Nng Ia, p. 52.
  4. De grondwetsherziening sprak van ‘zelfwerkende bepaling’, en later van ‘bepalingen (...) welke voor de burger rechtstreeks werkende rechten bevatten’. Kortmann (De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de herziene druk, Kluwer: Deventer 1987, p. 378), gebruikt daarnaast ‘directe werking’.
  5. Idem Staatscommissie Cals/Donner Eindrapport, p. 339.
  6. Volgens sommige auteurs kan de rechter, ondanks het toetsingsverbod, vaststellen dat een wet door een rechtstreeks werkende grondwetswijziging haar kracht verloor. Bijv. A.K. Koekkoek, Nawoord bij: Artikel 140 Grondwet en de onschendbaarheid van de wet, AA 1984, p. 459.
  7. Nng Ia, p. 52.
  8. E.M.H. Hirsch Ballin, Samenhang, werking en waarborgen van de grondrechten inzake de onschendbaarheid van de woning en het post en telecommunicatiegeheim, in: De wetgeving ter uitvoering van Hoofdstuk 1 van de Grondwet, Staatsrechtconfe¬rentie 1987, Zwolle 1988, p. 91 93.
  9. Zoals bepalingen die onthouding eisen. Volgens Koekkoek (Beantwoording rechtsvraag (145) staatsrecht/strafrecht, AA 1984 p. 167 174) zijn bepalingen rechtstreeks werkend als zij niet spreken over de mogelijkheid of verplichting tot nadere regelgeving.
  10. Rb. Assen 16 augustus 1983, NJ 1984, 318.
  11. Rb. Den Bosch 16 december 1983, AA 1984, p. 326, m.nt. C.A.J.M. Kortmann.
  12. HR 4 maart 1986, NJ 1986, 612, m.nt. Th.W. van Veen. Idem: HR 27 mei 1986, NJ 1987, 298. Uiteindelijk werd niet de Opiumwet, maar de Grondwet aangepast.
  13. Kummeling 1987, p. 351.
  14. Bijv. CRvB 21 december 1990, AB 1991, 225 m.nt. de L.
  15. HR 1 december 1993, NJ 1996, 230 m.nt. MS.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    B.M.J. van der Meulen, Commentaar op artikel 140 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Handhaving bestaande regelgeving

Na wijziging van de Grondwet bestaat de kans dat er wetten en andere regelingen zijn die niet langer met de nieuwe Grondwet overeenstemmen. Het grondwettelijke overgangsrecht bepaalt welke regels moeten worden toegepast zolang de wetten en andere regels nog niet aan de nieuwe Grondwet zijn aangepast.
 
De hoofdregel is dat de bestaande regelgeving die in strijd is met de nieuwe Grondwet blijft gelden totdat deze aan de Grondwet is aangepast: het beginsel van eerbiedigende werking. Op die hoofdregel moet een uitzondering worden gemaakt: zogenoemde ‘direct werkende’ grondwetsbepalingen moeten wel worden toegepast boven andere regels die ermee in strijd zijn. Een aantal grondrechten, ruwweg de artikelen 1 tot en met 17 van de Grondwet, zijn ‘direct werkende’ bepalingen.
 
Specifieke overgangskwesties worden in additionele bepalingen bij de Grondwet geregeld. Deze artikelen kunnen bijvoorbeeld, in afwijking van het algemene overgangsrecht, bepalen dat de inwerkingtreding van een nieuw grondwetsartikel een aantal jaren wordt uitgesteld (additionele artikelen IX en XIX).

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Handhaving bestaande regelgeving

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Handhaving bestaande regelgeving

Recente rechtspraak

Handhaving bestaande regelgeving

Politiek

Handhaving bestaande regelgeving

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Handhaving bestaande regelgeving

In de wereld

Handhaving bestaande regelgeving