CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Alleen bij gemeenteraadsverkiezingen
  3. Twee categorieën
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 130 heeft geen voorgangers in versies van de grondwet voor 1983. Het is in 1983 in de Grondwet opgenomen, nadat dit de herzieningsprocedure als afzonderlijk voorstel had doorlopen. De gesplitste behandeling van dit voorstel ten opzichte de overige bepalingen over gemeenten en provincies, kan worden verklaard door de controverse die het voorstel al voor zijn indiening had veroorzaakt in achtereenvolgens de Staatscommissie Cals/Donner,[1] de Kiesraad[2] en de Raad van State,[3] die alle over juist dit voorstel intern verdeeld waren. Het oorspronkelijke voorstel bevatte de laatste zinsnede (“mits zij tenminste voldoen …”) nog niet.[4] Vanuit wetstechnisch perspectief is deze toevoeging niet strikt noodzakelijk. Zij lijkt te zijn ingegeven om het mogelijk te maken aan niet-Nederlandse ingezetenen extra eisen op te leggen.

2. Algemeen

Binnen het cluster artikelen uit hoofdstuk 7 dat uitsluitend betrekking heeft op provincies en gemeenten (artikel 123 tot en met 132) is artikel 130 het tweede en laatste artikel dat slechts op één van beide overheidslagen betrekking heeft (het andere is artikel 126). De reden waarom dit artikel geen betrekking heeft op provincies is niet gelegen in een wezenlijk andere aard die het provinciebestuur zou hebben. Waar het om gaat is dat provinciale staten de Eerste Kamer kiezen. De regering was van mening dat het kiesrecht op nationaal niveau (en dus ook indirect op provinciaal niveau) “nauwer samenhangt met de nationaliteit dan dat op het lokale niveau”.[5] Gevraagd dit nader toe te lichten bleek het voornaamste bezwaar voor de regering te schuilen in het soort onderwerpen dat in beide Kamers van het nationale parlement wordt behandeld. Buitenlandse beïnvloeding van het Nederlandse beleid ten aanzien van defensie en buitenlandse betrekkingen via kiesrecht voor niet-Nederlanders werd niet wenselijk geacht.[6]
 
Bij de totstandkoming van de Tijdelijke referendumwet[7] is deze redenering op de proef gesteld. Deze wet maakte deelname aan provinciale referenda alleen mogelijk voor Nederlandse ingezetenen van provincies, terwijl het juist bij deze referenda zou gaan om provinciale besluitvorming die in beginsel gespeend zou zijn van nationale consequenties. Gelet op de redenering die de regering aanhing bij de totstandkoming van dit artikel, leek deze opstelling inconsistent.[8]
 
Recentelijk is discussie ontstaan het kiesrecht voor niet-Nederlanders bij verkiezingen van de eilandsraden van de eilanden van ‘Caribisch Nederland’ (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Hoewel artikel 130 Grondwet hierop niet van toepassing is,[9] speelt het in de gedachtenvorming omtrent dit issue een belangrijke rol. De discussie gaat over de vraag of niet-Nederlanders ook kiesrecht zou moeten toekomen bij de verkiezingen van de eilandsraden van deze openbare lichamen, zoals dat in Nederland is geregeld voor de gemeenteraadsverkiezingen. In eerste instantie kende de wetgever niet-Nederlanders dit recht niet toe, omdat de eilandsraden – bij gebrek aan een provincie waaronder zij vallen – een rol zouden krijgen bij de verkiezingen voor de Eerste Kamer.[10] Toen bleek dat die rol stuitte op grondwettelijke bezwaren,[11] is naar aanleiding van een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba[12] het kiesrecht alsnog zo aangepast dat niet-Nederlanders wel actief kiesrecht toekomt.[13] De kwestie werd wederom actueel toen in 2011 een grondwetsherziening werd geïnitieerd die beoogde de eilandsraden van de Caribisch Nederlandse eilanden in te zetten bij de getrapte verkiezing van de Eerste Kamer.[14] Gelet op het uitgangspunt dat niet-Nederlanders geen invloed zouden mogen hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer zou dit hebben betekend dat niet-Nederlanders wederom zouden worden uitgesloten van het kiesrecht voor deze eilandsraden. Dit stuitte op bezwaren in zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Hierop heeft de regering in 2015 besloten een novelle in te dienen die het voorstel van verklaringswet zodanig wijzigt dat in Caribisch Nederland afzonderlijke kiescolleges zullen worden gekozen ten behoeve van de Eerste Kamerverkiezingen. Zodoende kunnen niet-Nederlanders het kiesrecht behouden voor de eilandsraden, waar hen dit niet zal worden toegekend voor deze kiescolleges.[15]

3. Twee categorieën

De uitwerking van deze bepaling in de Gemeentewet (artikel 10) en de Kieswet (artikel B3) is niet voor alle niet-Nederlanders hetzelfde. Er kan worden onderscheiden in twee categorieën. Aan niet-Nederlandse ingezetenen met de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie (burgers van de Unie) komen zowel het actieve als het passieve kiesrecht toe bij gemeenteraadsverkiezingen. Voor hen gelden dezelfde voorwaarden als voor Nederlandse ingezetenen. Hiermee voldoet de Nederlandse wetgever aan de verplichtingen opgelegd in de artikel 20, tweede lid onder b, en 22, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 40 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verplichting bestond nog niet ten tijde van de totstandkoming van artikel 130. Dit artikel kon voor de benodigde aanpassing van de Gemeentewet en de Kieswet wel als grondslag dienen.
 
Aan de categorie niet-Nederlanders die overblijft (‘derdelanders’) zijn extra voorwaarden gesteld voordat zij kunnen worden aangemerkt als kiesgerechtigd. Zij moeten tevens voldoen aan de vereisten dat:
- zij een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 Vreemdelingenwet hebben of dat zij op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden rechtmatig in Nederland verblijven, alsmede dat:
- zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar voorafgaand aan de installatie van de betrokken gemeenteraad ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als hierboven bedoeld.

4. Jurisprudentie

- GHvJ, 10 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP2929 (kiesrecht niet-Nederlanders Caribisch Nederland)

5. Literatuur

Recente literatuur rondom artikel 130 Grondwet is op tweeërlei wijzen niet omvangrijk. Er wordt weinig over geschreven en wat er wordt geschreven is doorgaans beperkt in omvang (één of twee pagina’s). Recente voorbeelden zijn:
 
- D.J. Elzinga, BES-eilanden in constitutioneel vacuüm, Gst. 2012/81
- H.U. Jessurun d'Oliveira, 'Nationaliteit en kiesrecht', NJB 2001, p. 300-301
- Y. Hinnen, Nederlander + ingezetene = kiesrecht?, Gst 2011/9
- I.C. van der Vlies, Gemeenteraadsverkiezingen en verder, NJB 2006/449

6. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Zie Eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet (Staatscommissie-Cals/Donner), Staatsuitgeverij – ’s-Gravenhage 1971, p. 299-301.
  2. Kamerstukken II, 1973/74, 12 944 nr. 4.
  3. Kamerstukken II, 1975/76, 13 991 nr. 4.
  4. Zij is ingevoegd middels Nota van Wijziging. Zie Kamerstukken II, 1978/79, 13 991 nr. 9.
  5. Kamerstukken II, 1975/76, 13 991 nr. 4, p. 6.
  6. Kamerstukken II, 1976/77, 13 991 nr. 6, p. 5.
  7. Wet van 16 juli 2001, Stb. 2001, 388.
  8. Gewezen op deze inconsistentie tijdens de behandeling van de Tijdelijke referendumwet in de Tweede Kamer, stelde de regering zich op het weinig overtuigende standpunt dat – nu referenda bedoeld zijn als correctie op het vertegenwoordigende stelsel – het referendumelectoraat aan dezelfde eisen moet voldoen als het verkiezingselectoraat. In het kader van correctie had in dat geval juist ook kunnen worden gepleit voor het verruimen van de kiesgerechtigdheid naar een groep die om louter nationale redenen buiten het verkiezingselectoraat valt, alsnog – letterlijk en figuurlijk – een stem te geven.
  9. Het EU-recht op dit moment ook (nog) niet: daarin komt verandering zodra artikel 355, zesde lid, VWEU daarop wordt toegepast.
  10. Deze rol is tot stand gekomen via de Wet van 17 mei 2010, Stb. 2010, 347, zij het dat het deel van deze wet dat de betrokkenheid van de eilandsraden bij Eerste Kamerverkiezingen regelt nog niet in werking getreden is. Hiertoe wordt eerst herziening van artikel 55 Grondwet afgewacht. Zie Kamerstukken II, 2009-2010, 31956 nr. 12 en zie verder H.G. Hoogers, De herstructurering van het Koninkrijk als lakmoesproef. Kanttekeningen vanuit constitutioneel perspectief bij de opheffing van de Nederlandse Antillen. Deel 2, in TvCR, oktober 2010, p. 387.
  11. Zie Kamerstukken II, 2009/10, 32 123 IV nr. 12 (motie-Remkes c.s.).
  12. GHvJ, 10 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP2929.
  13. Wet van 3 juli 2013, Stb. 2013, 289.
  14. Kamerstukken I&II, 33 131.
  15. Kamerstukken II, 34 341. Zie vooral Kamerstukken II, 2015/16, 34 341 nr. 3, p. 1-3.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 130 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

Aan niet-Nederlandse inwoners van ons land kan volgens de Grondwet het actief en passief kiesrecht worden toegekend voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad in de gemeente waar zij wonen. Voor de andere algemeen vertegenwoordigende organen – de provinciale staten en de beide kamers van de Staten-Generaal – is dat niet mogelijk.
 
De gemeente is het bestuur dat het dichtst bij de burger staat en waarmee de meeste burgers ook het vaakst van doen hebben. De gemeente is, met andere woorden, het bestuur van de lokale gemeenschappen. Wie geen Nederlander is, maar wel langdurig in Nederland verblijft, maakt deel uit van zo’n lokale gemeenschap en moet ook mede de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het besturen van die gemeenschap.
 
De Kieswet kent aan burgers van de Europese Unie die in Nederland wonen kiesrecht toe voor de gemeenteraden, onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse burgers. Het recht van de Europese Unie verplicht daartoe: het maken van onderscheid tussen de eigen burgers en burgers van andere lidstaten van de Unie is op dit punt niet toegestaan. Ingezetenen die geen burger van de Europese Unie zijn, verkrijgen ook kiesrecht voor de gemeenteraad in hun woonplaats, indien zij op de dag voor de verkiezingen minstens vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijf houden.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

In de wereld

Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders