CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 127 - Vaststelling verordening

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Aard van de bepaling
  3. Grenzen van de verordenende bevoegdheid
  4. Uitzonderingen
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Sinds 1814 bepaalt de Grondwet dat de verordenende bevoegdheid (de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften)  op provinciaal niveau berust bij provinciale staten. De gemeenteraad komt pas sinds 1848 voor in de Grondwet. In deze grondwet werd ook hij terstond bekleed met de verordenende bevoegdheid. Opvallend is dat de toekenning van deze verordenende bevoegdheid vóór 1983 plaatsvond in dezelfde artikelen als waarin aan hen de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de provinciale respectievelijk de gemeentelijke huishouding werd overgelaten. De verordenende bevoegdheid werd daarmee eerst en vooral beschouwd als een autonome bevoegdheid.
 
De koppeling van de verordenende bevoegdheid aan de provinciale en gemeentelijke huishouding behelsde bovendien een beperking hiervan: wanneer een onderwerp niet behoorde tot de huishouding van een provincie of gemeente kwam het vertegenwoordigende orgaan evenmin verordenende bevoegdheid toe. De grondwetsherziening van 1983 brengt de verordenende bevoegdheid voor provinciale staten en de gemeenteraad onder in één artikel. Het ontkoppelen van de huishouding en de verordenende bevoegdheid maakt bovendien duidelijk dat ook in medebewind moet worden uitgegaan van de grondgedachte dat de verordenende bevoegdheid berust bij de rechtstreeks gekozen organen binnen het decentrale bestuur. Verder is ook de in de bijzin genoemde uitzonderingsmogelijkheid nieuw.

2. Aard van de bepaling

Het ontkoppelen van de huishouding en de verordenende bevoegdheid heeft van artikel 127 een betrekkelijk technisch competentievoorschrift gemaakt. Artikel 124 bepaalt reeds dat besturen van provincies en gemeenten regelgevende bevoegdheden hebben. Artikel 127 voegt daaraan slechts toe dat die bevoegdheid in beginsel wordt uitgeoefend door provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad. Het is niet slecht dat dat gebeurt, maar wie artikel 124, eerste lid, in samenhang zou lezen met het eerste lid van artikel 125 was waarschijnlijk niet tot een andere conclusie gekomen. Uit het hierin geformuleerde hoofdschap van provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad kan de ratio voor hun verordenende bevoegdheid genoegzaam worden gedestilleerd. Verder kan – anders dan voorheen – uit het artikel niet langer worden afgeleid waarover de verordenende bevoegdheid zich uitstrekt. Voor zover de Grondwet nog iets zegt over de afbakeningen van die bevoegdheid moet voor autonome verordeningen nadrukkelijk worden teruggegrepen op de eigen huishouding als bedoeld in artikel 124. Voor medebewindsverordeningen volgen die grenzen uit de wetgeving waarin dat medebewind wordt gevorderd.

3. Grenzen van de verordenende bevoegdheid

In commentaren op dit artikel is het gebruikelijk enige woorden te wijden aan de grenzen die provinciale staten en de gemeenteraad in acht moeten nemen bij het uitoefenen van hun verordenende bevoegdheid.[1] Dat zal hieronder niet worden nagelaten. Uit het bovenstaande moge echter duidelijk zijn dat deze grenzen strikt genomen niet voortvloeien uit dit artikel. De meest voor de hand liggende begrenzing is van territoriale aard. Het spreekt voor zich dat provinciale en gemeentelijke verordeningen alleen gelden in die provincies en gemeenten waarbinnen de betreffende volksvertegenwoordiging deze heeft uitgevaardigd. Hieronder zal de aandacht verder uitgaan naar de zogeheten ‘bovengrens’ en de ‘benedengrens’.
 
De bovengrens ligt voor provincies daar waar hun verordenende werkzaamheden interfereren met nationale wetgeving. Voor gemeenten komt daar de voor hen relevante provinciale regelgeving bij. Zonder daarbij onderscheid te maken tussen autonome verordeningen of verordeningen die zijn gevorderd krachtens medebewind, kent zowel Provincie- als Gemeentewet bepalingen waaruit de bovengrens kan worden afgeleid. Het komt erop neer dat verordeningen van rechtswege vervallen als nieuwe hogere regelgeving ontstaat met betrekking tot hetzelfde onderwerp.[2] In dat geval wordt gesproken van anterieure verordeningen. Als gesproken wordt van posterieure verordeningen komt de verordening tot stand op het moment dat al hogere regelgeving bestaat ten aanzien van hetzelfde onderwerp. Posterieure verordeningen zijn slechts toegestaan als zij niet met het hogere recht in strijd zijn.[3] Voor zowel anterieure als posterieure verordeningen geldt dat de vraag of sprake is van hetzelfde onderwerp niet uitsluitend wordt bepaald door de materie die in zowel de verordening als de hogere regeling wordt geregeld. Uit jurisprudentie blijkt dat hierbij ook het motief van waaruit de betreffende materie wordt geregeld in de beoordeling moet worden meegenomen.  Deze vaste lijn in de jurisprudentie dateert van het arrest ‘Emmense baliekluivers’ uit 1952.[4] Hoewel de verordening van de gemeenteraad van Emmen dezelfde materie regelde als de Wegenverkeerswet (een verbod op het zonder doel rondhangen op bruggen, straten en pleinen) werd geconcludeerd dat de Emmense verordening een ander onderwerp had, nu zij de materie regelde vanuit het motief van handhaving van de openbare orde in plaats van doorstroming van het verkeer. Hierdoor kon worden geconcludeerd dat de verordening en de wet niet hetzelfde onderwerp hadden, waardoor de Emmense verordening kon worden toegepast.
 
Deze motieftheorie leidt ertoe dat provincies en gemeenten niet te gemakkelijk in hun verordenende bevoegdheid kunnen worden beknot. Dat gezegd zijnde, moet het niet mogelijk zijn dat zij de werking van hogere wetgeving feitelijk onmogelijk maken door vanuit een ander motief een doorkruisende regeling te treffen. Zulks gebeurde bijvoorbeeld in het arrest ‘APV Schiermonnikoog’, waarin de Hoge Raad een streep trok door een gemeentelijke verordening die autoverkeer slechts op grond van een vergunningstelsel mogelijk maakte. Hoewel de gemeentelijke verordening klaarblijkelijk was uitgevaardigd vanuit een ander motief dan de Wegenverkeerswet en de Wegenwet (behoud van het karakter van het eiland versus doorstroming van het verkeer), achtte de Hoge Raad het onrechtmatig op deze manier hogere regelgeving buitenspel te zetten.[5] Een andere relativering van de motieftheorie is van betrekkelijk recente datum. Het betrof een zaak rondom een in een verordening van de gemeente Amsterdam opgenomen verbod om op aangewezen plaatsen softdrugs te gebruiken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat voor dit gemeentelijke blowverbod geen ruimte was, ondanks de omstandigheid dat hier sprake kon zijn van een ander motief dan dat van de Opiumwet (handhaving van de openbare orde versus volksgezondheid). In casu werd de letter van de Opiumwet niet doorkruist. Immers, naar de letter van de Opiumwet is het gebruik van softdrugs in Nederland verboden. De Afdeling baseerde haar oordeel op de redenering dat het gemeenten niet toegestaan zou zijn formeel-wettelijke bepalingen te dupliceren.[6] Het is de vraag of uit deze uitspraak een algeheel duplicatieverbod moet worden gedestilleerd. Het praktische probleem dat de Afdeling hier had op te lossen was dat de letter van de Opiumwet weliswaar niet werd doorkruist, maar de toepassing ervan conform het nationale gedoogbeleid wel. Het verbod op duplicatie lijkt in dat geval eerder een rechterlijke ‘vondst’ om te voorkomen dat de gemeentelijke verordening rechtstreeks zou moeten worden getoetst aan het door het college van Procureurs-Generaal vastgestelde beleid.[7] Hiervoor biedt de Gemeentewet namelijk geen enkele grondslag, althans niet wanneer de toetsing plaatsvindt door de rechter. In het kader van een (voorgenomen) vernietiging van een gemeentelijke verordening zou toetsing aan nationaal beleid wel kunnen voorkomen, aangezien vernietiging kan plaatsvinden wegens ‘strijd met het algemeen belang’ (zie daarover het commentaar bij artikel 132).
 
Als er een bovengrens is, lijkt het voor de hand te liggen dat er ook een benedengrens zal zijn. In oudere jurisprudentie (met name ten aanzien van gemeenten) kan deze benedengrens worden ontwaard in zaken waarin geoordeeld werd dat verordeningen in te sterke mate traden in de ‘bijzondere belangen van de ingezetenen’ en daarmee geacht werden niet langer in het belang van de gemeente te zijn. Berucht is het arrest over de ‘anticonceptivaverordening’ van de gemeente Bergen op Zoom uit 1962. In deze verordening werd het – onder meer – verboden binnen de gemeente “enig middel tot voorkoming of verstoring van zwangerschap ten verkoop of ter verspreiding voorhanden te hebben”. De Hoge Raad oordeelde dat deze verordening niet in stand kon blijven, omdat zij “elk karakter van openbaarheid” miste en omdat hierbij uitsluitend “de bijzondere belangen van de ingezetenen zijn betrokken en op geen enkele wijze de openbare zedelijkheid”.[8] Of aan deze benedengrens nog zelfstandige betekenis toekomt moet worden betwijfeld. Zaken als bovenstaande zouden in met de huidige stand van het recht zonder meer worden geschaard onder de grondrechtelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals deze in de Grondwet (artikel 10) of in verdragen (zoals in artikel 8 EVRM) wordt gegarandeerd. Deze grondrechtenbepalingen zijn van hogere rang dan provinciale en gemeentelijke verordeningen, zodat zij ten aanzien daarvan, juridisch bezien, eveneens als bovengrens hebben te gelden.[9]

4. Uitzonderingen

Artikel 127 maakt het mogelijk uitzonderingen te maken op de hoofdregel dat de verordenende bevoegdheid toekomt aan provinciale staten of de gemeenteraad. Dit wordt ofwel bij wet of door deze organen krachtens wet bepaald. Dat het recht verordeningen vast te stellen bij wet wordt geattribueerd aan een ander orgaan dan de hiervoor genoemde, is buitengewoon zeldzaam. Het standaardvoorbeeld is de bevoegdheid van de burgemeester tot het uitvaardigen van noodverordeningen (artikel 176 Gemeentewet). Hier vloeit uit de aard der zaak een noodzaak voort verordeningen op basis van eenhoofdig gezag en snel uit te vaardigen. Artikel 176 Gemeentewet laat gemeenteraden hier overigens niet volledig buiten. De gemeenteraad moet de noodverordeningen in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigen.
 
De enige andere mogelijkheid waardoor de verordenende bevoegdheid in andere handen komt, is door middel van delegatie door provinciale staten of de gemeenteraad zelf. De zinsnede “door hen krachtens de wet” vereist wel dat dit wordt toegestaan door de formele wetgever. Deze toestemming wordt verleend in artikel 152 Provinciewet en artikel 156 Gemeentewet. Hierin is overigens ten aanzien van bepaalde verordeningen bepaald dat de bevoegdheid deze vast te stellen niet kan worden gedelegeerd.[10]

5. Jurisprudentie

- HR 4 maart 1952, NJ 1952, 365 (Emmense baliekluivers)
- HR 12 juni 1962, NJ 1962, 484 (Anticonceptivaverordening Bergen op Zoom)
- HR 23 december 1980, NJ 1981, 171 (APV Schiermonnikoog)
- ABRvS 13 juli 2011, AB 2011, 250 (Blowverbod Amsterdam)

6. Literatuur

Aan de verordenende bevoegdheid van provinciale staten en de gemeenteraad (en dus aan artikel 127 Grondwet) wordt ruimschoots aandacht besteed in de algemene gemeenterechtelijke literatuur, zoals opgesomd in de algemene inleiding bij dit hoofdstuk van de Grondwet. Kernpublicaties die specifiek handelen over aspecten die in dit commentaar aan de orde zijn gesteld, zijn:
 
- W.A.E. Brüheim, Hogere regelingen als bedoeld in art. 121 Gemeentewet, in Gst. 2009/115
- D.J. Elzinga, Gedeelde regelgevende bevoegdheid en ontbindingsbevoegdheid op decentraal niveau, in: Raad voor het openbaar bestuur, Provincies en gemeenten in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet, deel II, Den Haag, december 2002
- W. Konijnenbelt, Medebewindsverordeningen en het vraagstuk van delegatie aan B&W, in: Gst. 2013/102
- A.E. Schilder & J.G. Brouwer, Gemeentelijke verordeningen, Ars Aequi Libri, 2015

7. Historische versies

Provinciale staten:
Art. 88, tweede lid, Gw. 1814: Zij maken hieromtrent (...) zoodanige ordonnantiën en reglementen, als zij ten meeste nutte hunner Ingezetenen oorbaar achten, (...).
Art. 146, tweede volzin, Gw. 1815: Alle zoodanige reglementen en ordonnantien, als zij voor het algemeen provinciaal belang noodig oordeelen te maken (...) (art.144 Gw. 1840).
Art. 131, tweede lid, Gw. 1848: Behoudens (...) moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen te maken, (...).
Art. 134, tweede lid, Gw. 1887: Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen (art. 136, tweede lid, Gw. 1938; art. 143, tweede lid, Gw. 1953).
 
Gemeenteraad:
Art. 94, eerste lid, Gw. 1814: De besturen van Steden, Districten, Heerlijkheden en Dorpen hebben, overeenkomstig den inhoud hunner reglementen, de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke bepalingen.
Art. 155, eerste lid, Gw. 1815: De plaatselijke besturen hebben overeenkomstig den inhoud hunne reglementen, de vrije beschikking over hunnen huishoudelijke belangen, en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke verordeningen, welke echter in geen geval met de algemeene wetten of het algemeen belang strijdig mogen zijn (art. 153 Gw. 1840).
Art. 140, tweede volzin, Gw. 1848: Op de verordeningen, welke hij te dien aanzien maakt (...).
Art. 144, tweede lid, Gw. 1887: Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt (art. 146, tweede lid, Gw. 1938; art. 153, tweede lid, Gw. 1953).

Noten

  1. Zie bijvoorbeeld de twee voorlopers op het commentaar bij dit artikel: W.G. Verkruisen, Artikel 127, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle, tweede druk 1992, p. 1106 e.v. en Th. Holterman, Artikel 127, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink - Deventer, derde druk 2000, p. 581 e.v.
  2. Artikel 119 Provinciewet respectievelijk artikel 122 Gemeentewet.
  3. Artikel 118 Provinciewet respectievelijk artikel 121 Gemeentewet.
  4. HR 4 maart 1952, NJ 1952, 365.
  5. HR 23 december 1980, NJ 1981, 171.
  6. ABRvS 13 juli 2011, AB 2011, 250.
  7. Aanwijzing Opiumwet.
  8. HR 12 juni 1962, NJ 1962, 484.
  9. Zie A.W. Heringa e.a., Staatsrecht (voorheen Compendium van het Staatsrecht), Kluwer – Deventer, elfde druk 2012, p. 269.
  10. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de bevoegdheid om straf te stellen op overtreding van verordeningen, maar ook om verordeningen in de sfeer van de provinciale en gemeentelijke belastingen.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 127 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Vaststelling verordening

In beginsel worden de provinciale en gemeentelijke verordeningen – de algemene, de burgers en het bestuur bindende regels – door respectievelijk de provinciale staten en de gemeenteraad vastgesteld. De vertegenwoordigende organen vormen op decentraal niveau dus de wetgevende macht; daarmee is een belangrijke waarborg voor een democratisch bestuur op provinciaal en gemeentelijk niveau gegeven.
 
De Grondwet maakt tegelijk afwijking van dat uitgangspunt mogelijk. Het kan soms effectiever zijn een ander provinciaal of gemeentelijk orgaan bevoegd te maken om over een bepaald onderwerp algemene regels vast te stellen. De wetgever kan dan besluiten dat orgaan verordenende bevoegdheid te geven. Ook kan de wetgever de provinciale staten en de gemeenteraden de mogelijkheid geven om zelf die bevoegdheid in bepaalde gevallen over te dragen, bijvoorbeeld aan de provinciale respectievelijk de gemeentelijke bestuurscolleges.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Vaststelling verordening

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Vaststelling verordening

Recente rechtspraak

Vaststelling verordening

Politiek

Vaststelling verordening

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Vaststelling verordening

In de wereld

Vaststelling verordening