CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard & J. Uzman

ARTIKEL 119 - Ambtsmisdrijven

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Internationaal recht
  3. Procedure en praktijk
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie januari 2016

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 119 regelt berechting door een bijzondere instantie, een forum privilegiatum, van politieke ambtsdragers die van een ambtsmisdrijf worden verdacht: zij staan terecht voor de Hoge Raad, die in eerste en enige aanleg maar wel met tien raadsheren rechtspreekt.[1] Het initiatief ligt exclusief in handen van de regering en de Tweede Kamer: alleen zij kunnen besluiten om tot vervolging over te gaan. Doen zij dat, dan geldt het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel niet meer. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is verplicht om de door de Kamer of regering in een last nauwkeurig omschreven feiten te vervolgen,[2] waarna de Hoge Raad einduitspraak moet doen.[3]
 
Het huidige artikel 119 is het restant van een oorspronkelijk veel ruimere regeling: in 1814 was de kring van ambtsdragers groter[4] en stonden zij ook voor de ‘commune delicten’, begaan gedurende de ambtstermijn, in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad.[5] In 1848 werd het forum privilegiatum beperkt tot de vervolging van ambtsmisdrijven en in 1983 tot de hoogste politieke ambten: bewindslieden en Kamerleden. De bijzondere voorwaarde voor vervolging is altijd beperkt geweest tot de ambtsmisdrijven. Wel was in 1814 slechts ‘uitdrukkelijk verlof van de Staten-Generaal’ vereist en verschoof het initiatief pas in 1848 naar Tweede Kamer en regering, die het vervolgingsmonopolie nog altijd hebben. Wat de oorspronkelijke ratio voor artikel 119 is geweest en of de motivering in de loop der tijd is veranderd, valt niet eenvoudig vast te stellen. De schets van Van Hogendorp bevat reeds min of meer het huidige artikel. Een aanklacht tegen een hoge ambtsdrager, zo lichtte Van Hogendorp aan zijn Staatscommissie toe, moet met zoveel mogelijk plechtigheid worden bijgezet. Bovendien moest worden voorkomen dat iedereen zo maar aanklachten kon indienen.[6] De commissie vreesde evenwel gesteggel over de definitie van een ambtsmisdrijf en adviseerde de algemene regeling voor het forum privilegiatum die in de Grondwet van 1814 terecht is gekomen.[7] Van oudsher lijkt de regeling dus een waarborg tegen politieke processen, wat goed zou passen bij de uit de Franse tijd stammende argwaan tegen machtsmisbruik door en via de rechterlijke macht. Thorbecke wijst bij zijn behandeling van de geschiedenis van het forum privilegiatum bijvoorbeeld op de Franse Grondwet van 1791 waarin strafrechtelijke vervolging van politieke ambtsdagers nooit het middel mocht worden ‘om lastige afgevaardigden van hunne zetels te trekken.’[8] Wat daar verder ook van zij, heel lang heeft de behoefte aan een dergelijke waarborg in het Koninkrijk der Nederlanden niet geleefd. Al in 1884 meent Buys, als hij zich afvraagt wat toch in 1814 de bedoeling van het forum privilegiatum kan zijn geweest, dat het motief ‘uitsluitend in de hoge waardigheid van de aangeklaagden’ moet hebben gelegen. Hij brandmerkt de regeling daarom als een eigenlijk niet te rechtvaardigen privilege: ‘hoe meer men bij de beoordeling van misdrijven, door hoge staatsambtenaren gepleegd, aan de gewone regelen van strafrecht en strafvordering kan vasthouden, hoe meer waarborgen dat de openbare mening vrede zal hebben met de te wijzen vonnissen.’[9] In 1976 noemde Bos het uitgangspunt van de regeling zelfs gevaarlijk, als zou aan gewone rechtbanken en het Openbaar Ministerie de vervolging en berechting van ambtsmisdrijven niet kunnen worden toevertrouwd.[10] Ter gelegenheid van de laatste grondwetsherziening werd dan ook aangedrongen op het volledig afschaffen van het forum privilegiatum. De regering, en uiteindelijk ook de meerderheid van de kamers meenden echter dat een bijzondere regeling voor de vervolging en berechting van ambtsmisdrijven van hoge politieke ambtsdragers nog wel gerechtvaardigd is. De vereiste toestemming zou de hoogste politieke ambtsdragers nog altijd beschermen tegen ‘lichtvaardige vervolging’. Berechting in één instantie is bovendien geen gunst, maar draagt er vooral aan bij dat de betrokken ambtsdrager niet te lang het middelpunt van politieke opschudding is en het politieke leven niet te lang door zijn proces wordt ontregeld.[11]
 
Gegeven deze moderne rechtvaardiging van het forum privilegiatum, is het de vraag waarom de processen tegen het Kamerlid Wilders (PVV) over met diens vermeende uitingsdelicten niet zijn gevoerd bij de Hoge Raad. Het betreft immers onmiskenbaar delicten met een politiek motief en deze processen hebben, voorzichtig gezegd, enige impact op het politieke leven.[12] Door gesteggel over de definitie van een ambtsmisdrijf, zoals de Staatscommissie-Van Hogendorp vreesde, is artikel 119 Grondwet echter niet van toepassing.[13] Of dit valt toe te juichen omdat berechting volgens de gewone regels bijdraagt aan de legitimatie van vonnissen over Kamerleden, zoals Buijs beweerde, valt nog te bezien.

2. Internationaal recht

De klassieke regeling van het forum privilegiatum stuit inmiddels op twee punten op het internationale recht. Het eerste punt is het recht op een hoger beroep voor wie werd veroordeeld voor een strafbaar feit, sinds 1966 erkend in artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR. Bij dit artikel heeft het Koninkrijk der Nederlanden echter een internationaalrechtelijk voorbehoud gemaakt: ‘Het Koninkrijk handhaaft de wettelijke bevoegdheid van de Hoge Raad der Nederlanden om in enige instantie ambtsmisdrijven ten laste gelegd aan bepaalde categorieën van personen te berechten.’ Ter toelichting argumenteerde de regering dat de rechtszekerheid in deze procedure niet wordt gediend met een extra instantie, maar met een verdubbeling van het aantal rechters.[14] Artikel 2 van het nog te ratificeren[15] Zevende Protocol bij het EVRM bevat ook een recht op een hoger beroep in strafzaken. Lid 2 zondert echter de gevallen waarin ‘de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht’ daarvan uit.
 
Het tweede punt waarop het internationale recht doorwerkt op artikel 119 Grondwet betreft de procedurele dimensie van mensenrechten, zoals die met name tot ontwikkeling is gekomen in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Staten zijn bijvoorbeeld niet meer alleen inhoudelijk verplicht om het recht op leven van hun onderdanen te respecteren en zelf niet te folteren, maar dienen onder de artikelen 2 en 3 EVRM ook adequaat te reageren op incidenten. Wordt een arrestant bijvoorbeeld dood aangetroffen in de politiecel, dan is een Staat verplicht om daar voldoende en onafhankelijk onderzoek naar te doen en eventuele strafvervolging in te stellen, indien dat is aangewezen.[16] In dit licht was niets doen geen optie toen op 27 oktober 2005 elf vreemdelingen omkwamen bij de brand in het cellencomplex op Schiphol. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid deed onderzoek[17] en naar aanleiding van de resultaten daarvan traden de ministers Donner (Justitie) en Dekker (VROM) in september 2006 af. Niet iedereen vond dat voldoende. Er werd aangifte gedaan tegen ex-minister Verdonk, wegens strafbare nalatigheid, en geklaagd over de beslissing van de Officier van Justitie, die in verband met artikel 119 Grondwet vervolging had geweigerd. Voor de Hoge Raad werd aangevoerd dat in dit geval het politieke vervolgingsmonopolie moest worden doorbroken door de mensenrechten. De Hoge Raad wees dit argument af met een abstracte toets: de regeling van artikel 119 Grondwet is in zichzelf niet in strijd met het internationale recht.[18] De zaak werd voortgezet voor het EHRM, dat een concrete toets verrichte. Het hof constateerde dat in deze zaak, vooral door het onderzoek van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, voldaan was aan de procedurele vereisten van het EVRM.[19] De vraag of het in een ander concreet geval wel aan de nationale rechter is om artikel 119 Grondwet te doorbreken en een politieke ambtsdrager te laten vervolgen, is dus nog niet volledig beantwoord. Daarbij sluimeren overigens twee andere constitutionele kwesties van formaat: mag de rechter een verdrag dat niet met twee-derden-meerderheid is goedgekeurd, zoals het EVRM, voorrang verlenen boven de Grondwet?[20] En zo ja: gaat het vervolgens bevelen van vervolging van een minister de rechtsvormende taak van de rechter niet enorm te buiten?[21]

3. Praktijk en procedure

Het forum privilegiatum moet als procesrechtelijke regeling goed onderscheiden worden van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid die pas later, in 1840, werd ingevoerd. Het eerste gaat over de vraag waar en hoe politieke ambtsdragers terecht staan, het tweede heeft betrekking op een specifieke categorie, relatief vage ambtsmisdrijven die alleen ministers kunnen plegen: het verrichten van of medewerken aan daden ‘waardoor de Grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zijn.’[22] Ze hebben wel met elkaar te maken. Allereerst geldt voor de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid uiteraard de regeling van het forum privilegatum. Als ministers verdacht worden van het schenden van de Grondwet, dan staan ze daarvoor in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad. Bovendien was juist de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid, met zijn vage delictsomschrijvingen en betekenis in de ontwikkeling van het parlementair stelsel, een belangrijke reden om in 1848 het bestaande vereiste van ‘verlof van de Staten-Generaal’ aan te scherpen tot het huidige politieke vervolgingsmonopolie. De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid als zodanig is inmiddels verdwenen uit de Grondwet.[23] Desondanks bezorgt de gedeeltelijke overlap tussen het algemene forum privilegiatum voor politieke ambtsdragers en de specifieke regeling van de strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid het huidige artikel 119 de naam ‘nooit te zijn toegepast’.[24] Die conclusie geldt echter alleen ten aanzien van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid. Daarvan zijn geen voorbeelden bekend, met name omdat al in 1848 een veel effectiever parlementair wapen werd ingevoerd: de politieke ministeriele verantwoordelijkheid.[25] Kamer noch regering hebben ooit een bevel tot vervolging van een hoge politieke ambtsdrager gegeven. Voorbeelden van het berechten van gewone delicten van politieke ambtsdragers in eerste en enige aanleg door de Hoge Raad als forum privilegitum zijn er wel degelijk.[26] Het meest geprofileerde daarvan is de veroordeling van G.Ch.C. Pels Rijcken (1810-1889), minister van Marine in het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868). Hij moest zich tegenover tien raadsheren van de Hoge Raad verantwoorden voor zijn loslopende hond terwijl de burgemeester van Den Haag in het kader van de bestrijding van veetyfus het aanlijnen van de viervoeter juist had bevolen.[27] Duidelijk geen voorbeeld van een ambtsmisdrijf, maar wel van een afwijkende rechtsgang voor bijzondere personen die gewone delicten plegen.
 
Dat er in Nederland nog nooit een hoge politieke ambtsdrager voor een ambtsmisdrijf voor de Hoge Raad heeft gestaan, ligt zeker niet aan de bonte verzameling pogingen die daartoe in de loop der tijd zijn gedaan. De bontheid van de verzameling wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt door het rommelige en roestige karakter van de procedure, die nog hoofdzakelijk uit 1855 stamt. Reeds Buys, Heemskerk en Oud[28] klaagden over de laksheid waarmee de materie is geregeld en de hoeveelheid grotere en kleinere vragen die daardoor niet met de in het strafrecht gewenste zekerheid kunnen worden beantwoord.[29] Ook de huidige lezer van de Wet op de Ministeriële Verantwoordelijkheid (Wmv) zal niet alles onmiddellijk duidelijk zijn. Zo spreekt de regeling van ‘Hoofden der Ministeriële Departementen’ terwijl waarschijnlijk niet is bedoeld om ministers zonder portefeuille (ingevoerd in 1938) uit te zonderen.[30] Sinds jaar en dag (1925/1953) werkt de Tweede Kamer bovendien met specialistische Commissies en niet meer met de generalistische, gelote ‘Afdelingen’ waar de Wmv nog over spreekt. Evenmin is het nog gebruikelijk om in Koninkrijksverband te spreken van ‘overzeesche bezittingen’ (artikel 16, tweede lid, Wmv). Het gebruik van de regeling vereist dus meer dan gebruikelijke teleologische interpretatie en analoge toepassing.
 
Voor de materiële reikwijdte is artikel 76 van de Wet RO de kernbepaling. Het artikel bepaalt dat de Hoge Raad in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis neemt van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen van ministers, staatssecretarissen en Kamerleden. Bovend’Eert meent dat de toevoeging van ambtsovertredingen ‘op gespannen voet staat met de tekst van de Grondwet’, die immers alleen van ambtsmisdrijven spreekt.[31] Van spanning is echter geen sprake.[32] Toen de Grondwet nog expliciet de bepaling bevatte om het forum privilegiatum bij gewone wet uit te breiden, tekende Buijs daarbij al aan dat dit een overbodige bevestiging was van wat de wetgever ook los van die bepaling vermocht te doen.[33] De relevante ambtsmisdrijven vloeien allereerst voort uit de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid: de zorgplicht voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor zover die van de Kroon afhangt.[34] Deze zorgplicht is uitgewerkt in twee ambtsmisdrijven die alleen ministers kunnen plegen: de artikelen 355 en 356 Wetboek van Strafrecht. Het bereik van deze categorie misdrijven is door zijn ruime delictsomschrijvingen uitermate groot. Een minister waarvan de Tweede Kamer meent dat die zonder goede redenen niet in de vergadering verschijnt of weigert inlichten te verschaffen waar een individueel Kamerlid om vraagt, kan wegens schending van artikel 68 en 69 Grondwet worden vervolgd en van de Hoge Raad drie jaar gevangenisstraf krijgen. Naar aanleiding van deze categorie ambtsmisdrijven scherpte de grondwetgever in 1848 het vervolgingsmonopolie aan. Naast deze duidelijk politiek geprofileerde ambtsmisdrijven, is er een tweede categorie die bestaat uit de relevante ambtsmisdrijven uit titel XXVII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht (artikel 355-380) en de relevante ambtsovertredingen uit titel VIII van het derde boek van het Wetboek van Strafrecht (artikel 462-468a). Deze delicten kunnen niet alleen door ministers maar ook door Kamerleden worden begaan, omdat de laatsten voor de gelegenheid door artikel 84, eerste lid, Wetboek van Strafrecht onder het begrip ‘ambtenaar’ worden gebracht. Te denken valt in deze categorie aan de klassieke ambtsmisdrijven die elke ambtenaar kan begaan, zoals verduistering van geld of bewijsstukken, vervalsing van boeken of afpersing door machtsmisbruik. De derde categorie gevallen die door artikel 76, tweede lid, Wet RO[35] onder de regeling van artikel 119 Grondwet wordt gebracht, betreft de gewone delicten die zijn begaan onder de strafverzwarende omstandigheid uit artikel 44 Wetboek van Strafrecht: feiten waarbij een ambtenaar een bijzondere ambtsplicht schendt of gebruik maakt van een ‘macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.’ Een typisch voorbeeld in deze categorie is de schending van een ambtsgeheim, zoals bedoeld in artikel 272, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.[36] Een minister die te gedetailleerd verslag doet van een vergadering van de ministerraad of Kamerleden die de begroting laten uitlekken, maken zich in beginsel schuldig aan dit artikel en vallen dus onder artikel 119 Grondwet. De grens van deze derde categorie gevallen is niet altijd duidelijk. Zo kan de vraag worden opgeworpen of Wilders (PVV) met zijn islamkritiek niet zozeer gebruik maakt van het podium dat het Kamerlidmaatschap hem biedt, dat op zijn vervolging voor een uitingsdelict via artikel 44 Wetboek van Strafrecht het forum privilegiatum en het politieke vervolgingsmonopolie uit artikel 119 Grondwet van toepassing zijn.[37]
 
Bij de te volgen procedure voor het geven van een last tot vervolging, staat de eerder genoemde Wet Ministeriële Verantwoordelijkheid uit 1855 centraal. Deze procedure is vooral te begrijpen in relatie tot de eerste categorie ambtsmisdrijven: de ruim geformuleerde delicten uit 355 en 356 Wetboek van Strafrecht over ministers die hun zorgplicht ten aanzien van de Grondwet schenden. Om daar lichtvaardige vervolging van ministers tegen te gaan, werpt de Wmv een aantal drempels op en kent de wet de verdachte minister een aantal waarborgen toe. Allereerst moeten vijf Kamerleden hun naam onder een aanklacht zetten (artikel 7 Wmv).[38] Is dat het geval dan moet de betrokken minister binnen 24 uur worden geïnformeerd en wordt de behandeling minstens acht dagen stil gelegd (artikel 8 Wmv). Vervolgens besluit de voltallige Kamer of er een commissie van onderzoek moet komen voor het ‘opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden’ (artikel 11 Wmv). De betrokken minister heeft het recht om ‘op zijn verlangen’ door deze commissie te worden gehoord (artikel 14 Wmv) Criteria om al dan niet tot een dergelijke onderzoekscommissie te besluiten, bevat de Wmv niet. Dat geldt wel voor de beoordeling van de vraag of er ‘genoegzame gronden tot vervolging’ zijn. Daarvoor moet de Tweede Kamer de aangeklaagde feiten niet alleen aan het recht toetsen, maar ook aan de ‘zedelijkheid en het staatsbelang’ (artikel 18 Wmv). Er geldt hier zeker geen beginselplicht tot vervolging, of iets wat daarop lijkt. Van oudsher lijkt eerder het omgekeerde het geval. Oud schrijft in1967 nog over de materie alsof het vervolgen van hoge politieke ambtsdragers een laatste redmiddel moet blijven en zelfs dan nog een testimonium paupertatis blijft: een bewijs van onvermogen van de politieke ambten om geschillen zelf op te lossen en aan de kiezer te verantwoorden.[39]
 
Procedurele moeilijkheden ontstaan wanneer het niet gaat om parlementariërs die het op een minister voorzien hebben, maar om de berechting van ambtsmisdrijven van Kamerleden in de tweede en derde categorie ambtsmisdrijven. Artikel 483, tweede lid, Wetboek van Strafvordering verklaart de procedure uit de Wmv ‘van overeenkomstige toepassing’ op de vervolging van Kamerleden. Specifieke voorzieningen voor de complicaties die samenhangen met Tweede Kamerleden die over elkaars vervolging moeten besluiten, zijn er niet. Moeilijkheden ontstaan er ook wanneer er geen bekende verdachte is, zoals de Wmv lijkt te veronderstellen, maar alleen een mogelijk ambtsmisdrijf. Over een monopolie op de opsporing van een ambtsmisdrijf zegt artikel 119 Grondwet niets, terwijl de Commissie Prinsjesdagstukken, ingesteld door het Presidium van de Tweede Kamer om onderzoek te doen naar het voortdurend lekken van de inhoud van het koffertje, in 2010 concludeerde dat de commissie van onderzoek uit de Wmv in ieder geval onvoldoende is om binnen de maximale termijn een fatsoenlijk opsporingsonderzoek te laten doen naar een gelekte begroting.[40] De praktijk zoekt dan ook naar andere wegen. Zo doet het Presidium weleens aangifte of een beroep op de Rijksrecherche. Sancties voor Kamerleden volgen dan niet van de Hoge Raad, maar worden opgelegd door de eigen fractievoorzitter.[41] Wij menen dat dit een constitutioneel gezonde ontwikkeling is. Artikel 119 verbiedt in ieder geval geen onderzoek naar ambtsmisdrijven door het Openbaar Ministerie, zeker niet als er vanuit de Kamer aangifte wordt gedaan. De recente keuze van het Openbaar Ministerie om het onderzoek naar het lek uit de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD/‘Commissie Stiekem’), op basis van een aangifte door de voorzitter van de CIVD, lijkt het begin van een andere ontwikkeling. In dat licht valt te betreuren dat de Commissie Schouten, die vervolgens optrad als onderzoekscommissie in de zin van de Wmv, zich in haar rapport uit januari 2016 niet wat nadrukkelijker gebogen heeft of de vraag of het Openbaar Ministerie zich terecht onbevoegd achtte.[42] 
 
Onduidelijkheid ten aanzien van de procedure is er ook voor de gang van zaken die kan leiden tot een last tot vervolging bij koninklijk besluit. Alleen voor het geval de regering een (voormalige) collega wil laten vervolgen, is bepaald dat de feiten nauwkeurig moeten zijn omschreven en het besluit aan de Staten-Generaal moet worden meegedeeld (artikel 5 Wmv). De praktijk laat ook verschillende oplossingen zien. Naar het lekken uit de ministerraad door minister Bomhoff liet minister-president Balkenende onderzoek doen door het Openbaar Ministerie. ‘Op advies van het OM’ werd vervolgens besloten ‘geen aangifte te doen’.[43] De opvolging van de verwijten van De Roy van Zuydewijn verliep weer anders. Hij werd gehoord door minister van Justitie Donner en iemand van het OM, waarna de minister de Kamer berichtte dat hij geen grond had gevonden om een voordracht te doen voor het vervolgen.[44]
 
Duidelijkheid is er inmiddels wel ten aanzien van burgers die via de zogenaamde ‘artikel 12-procedure’ de vervolging van – doorgaans – een minister willen bereiken. De term ‘artikel 12-procedure’ verwijst naar de artikelen 12 en verder van het Wetboek van Strafvordering, waarin een regeling is getroffen voor rechtsbescherming tegen het strafvorderlijke opportuniteitsbeginsel. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen via de rechter alsnog proberen vervolging af te dwingen. Deze regeling is echter geen uitzondering op artikel 119 Grondwet. Klagers over het niet-vervolgen van ministeriële ambtsmisdrijven verklaart de Hoge Raad[45] dan ook zonder veel omhaal (kennelijk) niet-ontvankelijk.[46]

4. Jurisprudentie

- EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.v. (Coëme e.a. t. België)
- EHRM 29 september 2009, nr. 19221/08 (Van Melle e.a. t. Nederland)
 
- Hof Amsterdam 16 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8826
 
- HR 9 januari 1868, 133 (Pels Rijcken), niet gepubliceerd
- HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454, NJ 2008/26 m. nt. E.A. Alkema
 
- Kamerstukken II 2015/16, 34 340, nr. 2 (verslag commissie van onderzoek, ‘Commissie Schouten’)

5. Literatuur

- J.T. K. Bos, ‘Vervolging en opsporing door de P-G’, NJB 1976, blz. 589-596
- P.P.T. Bovend’Eert, ‘Kamerlid en ambtsmisdrijven’ NJB 1991, p. 1666-1667
- J.L.W. Broeksteeg e.a., ‘Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers: ruime verantwoordelijkheid, beperkte vervolgbaarheid’, NJB 2000, p. 965-972
- J.L. de Wijkerslooth & J. Simonis, 'De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen', NJB 2004, p. 672-678 (afl. 13)

6. Historische versies

Art. 104 Gw. 1814: De leden van de vergadering der Staten‑Generaal, de Hoofden der ministeriële departementen, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Souvereinen Vorst in de Provincien of Landschappen staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven in de waarneming hunner functien begaan. Zij mogen echter deswege nimmer in regten betrokken worden, dan na dat door de vergadering van de Staten Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof verleend zal zijn.
Art. 105 Gw. 1814: De Hooge Raad neemt ook kennis van en beoordeeld alle commune delicten door gemelde personen, gedurende den tijd hunner functiën begaan, gelijk mede tot deszelfs cognitie behooren de misdrijven der leden van zoodanige andere hooge kollegien en ambtenaren, als bij de wet nader zal worden bepaald.
Art. 177 Gw. 1815: De leden van de Staten‑Generaal, de hoofden der departementen van algemeen bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provincien, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functien begaan. Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functien begaan, worden zij nimmer in regten betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten‑Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend (art. 175 Gw. 1840).
Art. 178 Gw. 1815: Bij de wet wordt nader bepaald welke andere ambtenaren en leden van hooge kollegien, wegens misdaden door hen gedurende den tijd hunner functien begaan, voor den Hoogen Raad te regt staan (art. 176 Gw. 1840).
Art. 77 Gw. 1840: Over de aanklagten ter zake van deze verantwoordelijkheid, oordeelt de Hooge Raad der Nederlanden, naar de voorschriften der wet.
Art. 159 Gw. 1848: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs‑generaal of de hooge ambtenaren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de kolonien of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de Commissarissen de Konings in de provincie staan, wegens ambtsmisdrijven, ter vervolging hetzij van Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad.
Art. 160 Gw. 1848: De wet bepaalt welke andere ambtenaren en leden van hooge collegien, wegens ambtsmisdrijven, voor den Hoogen Raad te regt staan.
Art. 164 Gw. 1887: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs‑generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de kolonien of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provincien staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan.
Art. 165 Gw. 1922: De leden der Staten‑Generaal, de hoofden der ministerieele departementen, de Gouverneur‑Generaal van Nederlandsch‑Indië en de Gouverneurs van Suriname en van Curaçao, de leden van den Raad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, terecht voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge colleges wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad terecht staan.
Art. 171 Gw. 1938: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneur‑Generaal van Nederlandsch‑Indië en de Gouverneurs van Suriname en van Curaçao, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, terecht voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge colleges wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad terecht staan.
Art. 171 Gw. 1948 (art. 178 Gw. 1953) verving de woorden `Nederlands‑Indië' resp. `Curaçao' door `Indonesië' en `de Nederlanse Antillen'.
Art. 178 Gw. 1956: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneurs van Suriname, van de Nederlandse Antillen en van Nederlands Nieuw‑Guinea, de leden van de Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreding, terecht voor de Hoge Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hoge colleges wegens ambtsmisdrijven voor de Hoge Raad terecht staan.
Art. 178 Gw. 1963: De leden der Staten‑Generaal, de ministers, de Gouverneurs van Suriname en van de Nederlandse Antillen, de leden van de Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreding, terecht voor de Hoge Raad ter vervolging hetzij van 's Konings wege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hoge colleges wegens ambtsmisdrijven voor de Hoge Raad terecht staan.

Noten

  1. Artikel 76 Wet op de Rechterlijke Organisatie. Bij stakende stemmen gaat de verdachte vrijuit.
  2. Artikel 483, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Vgl. de bepalingen die artikel 484 Wetboek van Strafvordering buiten toepassing verklaart.
  3. Zie voor een uitwerking van de strafprocesrechtelijke kant van de zaak met name: J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis, ‘De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen’, NJB 2004 (afl. 13), p. 672-678.
  4. Het (strafrechtelijke) forum privilegiatum gold ook voor Staatsraden en Commissarissen van de Koning (artikel 104 Grondwet 1814, artikel 177 Grondwet 1815). Tussen 1848 en 1983 schaarde de Grondwet overigens de vergelijkbare functies uit het Rijk buiten Europa (m.n. de Gouveneurs-generaal) ook onder deze regeling.
  5. Artikel 105 Grondwet 1814, artikel 177 Grondwet 1815.
  6. H.T. Colenbrander, Ontstaan der Grondwet, Eerste Deel, Den Haag: Martinus Nijhoff 1908, p. 98. Digitaal beschikbaar en doorzoekbaar op: http://resources.huygens.knaw.nl/grondwet.
  7. Die overigens ook al voorkwam in Staatsregelingen van de Franse tijd.
  8. J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, Tweede Deel, (Nieuwe) Tweede uitgave, Den Haag, Martinus Nijhoff 1906, p. 176.
  9. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 449.
  10. J.T.K. Bos, Vervolging en opsporing door de Procureur-Generaal, NJB 1976, afl. 16, blz. 589-596.
  11. Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 8, p. 2. (Nng VI, 176).
  12. Voor berechting door de Hoge Raad is wel gepleit. Zie bijvoorbeeld: Y. Buruma in zijn noot in de NJ onder Hof Amsterdam, 21 januari 2009 ECLI:NL:GHAMS:2009:BH0496, NJ 2009/191.
  13. Meer in het bijzonder over de interpretatie van artikel 44 Wetboek van Strafrecht. Zie hieronder, nummer 3.
  14. Kamerstukken II 1975/76, 13 932 (R 1037), nr. 4, p. 63. Herhaald ter gelegenheid van de grondwetsherziening: Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 4 (Nng VI, 149). J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis ‘De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen’, NJB 2004 (afl. 13), p. 672-678), vinden dit overigens een schrale troost voor het verlies van een instantie.
  15. Het kabinet gaf in 2013 nog altijd van plan te zijn om het protocol te ratificeren, maar benadrukte ook dat het geen prioriteit had. Kamerstukken II 2012/13, 33 400 V, nr. 146, (antwoord op vraag 10).
  16. Hof Amsterdam 16 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8826.
  17. http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/13/brand-cellencomplex-schiphol-oost-nacht-van-26-op-27-oktober.
  18. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454, NJ 2008/26 m. nt. E.A. Alkema.
  19. EHRM 29 september 2009, nr. 19221/08 (Van Melle e.a. t. Nederland).
  20. Zie artikel 120 Grondwet en ons commentaar daarbij onder punt 5.
  21. Advocaat-Generaal Langemeijer meende alvast dat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten ging om artikel 119 Grondwet te doorbreken en alsnog vervolging van een minister te gelasten. Overweging 8.1 uit de Conclusie, ECLI:NL:PHR:2007:BA8454.
  22. Artikel 75 Grondwet 1840.
  23. Nog wel geregeld in de zorgplicht van artikel 1 Wmv en het ambtsmisdrijven uit de artikelen 355 en 356 Wetboek van Strafrecht. De belangrijkste consequentie, het contraseign, staat nog wel in de Grondwet: artikel 47.
  24. Zie bijvoorbeeld C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherziening 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 333, maar ook al J. Heemskerk Azn, De praktijk onzer Grondwet, Tweede Deel, Utrecht: J.L. Beijers 1881, p. 68.
  25. Zie verder het commentaar bij artikel 42, tweede lid, Grondwet.
  26. De hierna te noemen oud-minister Pels Rijcken (Hoge Raad 1868) is hiervan het meest bekende voorbeeld, maar een snelle blik in het NA-archief van de Raad levert meer namen op, zoals die van oud-senator L. Pincoffs (Hoge Raad 1880) en oud-Tweede Kamerlid Jhr. P.Th. van der Maesen de Sombreff (Hoge Raad 1867). In alle gevallen stonden deze ambtsdragers voor commune delicten terecht.
  27. Door een uitblijvende herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie viel Pels Rijcken via het grondwettelijk overgangsrecht (tegenwoordig artikel 140 Grondwet) nog onder de oude regeling op basis van de Grondwet 1815. Zie verder: G. Boogaard en M.J.M. Verhulst, Het hondje van Pels Rijcken, NJB 2015/74, p. 122-123.
  28. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 454, J. Heemskerk Azn, De praktijk onzer Grondwet, Tweede Deel, Utrecht J.L. Beijers 1881, p. 160 en P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, Deel I, Zwolle: Tjeenk Willink 1967, p. 338-347.
  29. Dit bezwaar heeft inmiddels grondrechtelijke gewicht, sinds het EHRM onder artikel 6 EVRM een klacht tegen de Belgische vervolging van oud-minister Coëme gegrond verklaarde. Zie EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.v. (Coëme e.a. t. België).
  30. De aanklacht van vijf PVV’ers (in oktober 2009) tegen minister Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie) in verband met diens weigering om ‘de kosten van een allochtoon’ uit te rekenen, werd uiteindelijk niet afgewezen omdat hij geen ministerie leidde maar omdat hij slechts een ‘programmaminister’ was. Kamerstukken II 2009/10, 32 158, nrs. 1-3.
  31. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer, 2008, p. 299.
  32. Twijfels zijn er wel ten aanzien van de regeling van artikel 485 Wetboek van Strafvordering, dat regelt dat ook de mede-verdachten van het ambtsmisdrijf onder het forum privilegiatum vallen. Ook zij verliezen – reeds van oudsher - dus het recht op hoger beroep. Of dit ook onder het voorbehoud op artikel 14, vijfde lid, IVBPR valt, kan worden betwijfeld.
  33. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 453-454.Zie ook de toelichting van de regering bij het vervallen van dit artikel: Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 7 (Nng VI, 152).
  34. Zie artikel 1 Wmv.
  35. Vergelijk artikel 483 Wetboek van Strafvordering.
  36. Denkbaar is om te stellen dat artikel 272 Sr ook in zichzelf een ‘ambtsmisdrijf’ betreft, hoewel het niet in de gelijknamige titel in het Wetboek van Strafrecht staat opgenomen. De grondwetgever volgt deze benadering niet maar somt alleen de relevante delicten uit de betreffende titels op. Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, p. 3 (Nng VI, 148).
  37. Tot nog toe menen het Hof Amsterdam en de Rechtbank Amsterdam dat dit niet het geval is.
  38. De Commissie-Schouten (2016) achtte het doorsturen van een onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie door het Presidium van de Tweede Kamer een alternatief voor dit vereiste.
  39. P. J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, Deel I, Zwolle: Tjeenk Willink 1967, p. 333-348.
  40. Commissie Prinsjesdagstukken, Publiek geheim, januari 2010, Bijlage bij: Kamerstukken II 2009/10, 32 173, nr. 2.
  41. De Kamerleden Tang (PvdA) en Voortman (GroenLinks) werden in 2009 en 2014 door hun fractievoorzitters ‘geschorst’ voor het lekken van respectievelijk de macro-economische verkenning en (achteraf onjuist) het lekken van de kandidaten voor de Nationale Ombudsman. Deze praktijk staat op gespannen voet met het lastverbod uit artikel 67, derde lid, van de Grondwet.
  42. Kamerstukken II 2015/16, 34 340, nr. 2 (verslag commissie van onderzoek ‘Commissie Schouten’).
  43. ‘Geen aangifte tegen Bomhoff’, NRC-Handelsblad 15 oktober 2003.
  44. Kamerstukken II 2002/03, 28 811, nr. 11.
  45. Normaliter is het gerechtshof in het rechtsgebied van de niet-vervolgende Officier van Justitie bevoegd. Artikel 13a Sv verklaart de procedure echter van mutatis mutandis toepassing op de feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennisneemt.
  46. Zie bijvoorbeeld HR 20 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2609 en HR 6 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD3009, NJ 1986/244 m. nt. Th.W. van Veen.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard & J. Uzman, Commentaar op artikel 119 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2018 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ambtsmisdrijven

De berechting van ambtsmisdrijven begaan door leden van de kamers van de Staten-Generaal en door ministers en staatssecretarissen is opgedragen aan de Hoge Raad. Zowel de regering als de Tweede Kamer kan besluiten dat vervolging noodzakelijk is. De ambtsmisdrijven waar het om gaat zijn hoofdzakelijk opgenomen in de artikelen 355 en volgende van het Wetboek van Strafrecht. Daarin worden allerlei vormen van plichtsverzuim en frauduleus en onwettig handelen strafbaar gesteld. Ook het schenden van een ambtsgeheim of geheimhoudingsplicht behoort tot de ambtsmisdrijven.
 
De reële betekenis van deze grondwetsbepaling lijkt gering, aangezien er nog nooit vervolging wegens een ambtsmisdrijf is ingesteld tegen een kamerlid of bewindspersoon. Tegelijk is het principiële belang ervan groot: in een rechtsstaat zijn ook de hoogste politieke gezagsdragers gebonden aan de wet; misbruik van hun positie of bevoegdheden blijft niet ongestraft.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ambtsmisdrijven

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ambtsmisdrijven

Recente rechtspraak

Ambtsmisdrijven

Politiek

Ambtsmisdrijven

In oktober 2009 beschuldigde de PVV minister Van der Laan van het begaan van een ambtsmisdrijf. Dit omdat hij onvoldoende zou hebben geantwoord op de vragen die Kamerlid Fritsma stelde over de kosten van niet westerse allochten. 
Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Ambtsmisdrijven

In de wereld

Ambtsmisdrijven