CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • G. Boogaard, J. Uzman & J.J. But
  • G. Boogaard & J.J. But
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & G. van der Schyff
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.
HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 132a - Caribische openbare lichamen

  1. Bij de wet kunnen in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten worden ingesteld en opgeheven.

  2. De artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 zijn ten aanzien van deze openbare lichamen van overeenkomstige toepassing.

  3. In deze openbare lichamen worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

  4. Voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard & J. Uzman

ARTIKEL 118 - Hoge Raad

INHOUD
 
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Benoemingsprocedure
  3. Cassatierechtspraak en rechtsvorming
  4. Overige taken van de Hoge Raad
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
 

Editie september 2020


1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Uniforme rechtspraak is een belangrijke centraliserende factor binnen en een stevige pijler onder de eenheidsstaat. Dat blijkt tegenwoordig onder meer uit de roep om meer rechterlijke toetsing  aan  het  gelijkheidsbeginsel  als  correctie  op  de  lokaleverschillen die ontstaan als gevolg van de grote decentralisaties in het socialedomein.[1] Dat blijkt ook uit de cruciale rol die het Hof van Justitie van de Europese Unie, ‘tucked  away  in  the  fairyland  Duchy  of  Luxembourg,’[2]  speelt  in  het Europese integratieproces. En het blijkt uit de herkomst van het huidige artikel 118 Grondwet. Het artikel markeerde in 1814 dat Nederland na de Franse overheersing wel verder wilde als eenheidsstaat. Het vierde hoofdstuk van de Grondwet 1814, ‘Van de Justitie’, opende met het centralistische uitgangspunt dat ‘alom in het Rijk’ in naam van één en dezelfde Soeverein Vorst (een jaar later in 1815: ‘Koning’) recht zou worden gesproken (artikel 99 Grondwet 1814). De Grondwet bepaalde verder dater, net als in de Franse tijd, één ‘opperste gerechtshof’ zou moeten komen, maar dan wel onder een naam die associeert met de Hoge Raad voor Holland en Zeeland uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: ‘Hoge Raad der Verenigde Nederlanden’. De leden zouden worden benoemd door de Soeverein Vorst (artikel 102 Grondwet 1814). Aan deze Hoge Raad droeg de Grondwet in het algemeen het toezicht op de rechtspleging op, waarvoor het college de bevoegdheid kreeg om rechterlijke handelingen en uitspraken te vernietigen of buiten effect te stellen (artikel 107 Grondwet 1814).

Zoals  al  uit  de  naamgeving  van  het  opperste  gerechtshof  blijkt,  is  bij  de vormgeving  van  de  Hoge  Raad  sprake  van  een  compromis  met  de  meer conservatieve  krachten  die  verder  terug  wilden  naar  de gedecentraliseerde verhoudingen van de Republiek der Verenigde Nederlanden.[3] Sporen van de provinciale soevereiniteit van voor 1795 zijn in de Grondwet van 1814 op meer plaatsen te vinden. Allereerst gold de inspanningsverplichting dat de leden van de Hoge Raad zo veel mogelijk uit alle Provincies of Landschappen afkomstig zouden moeten zijn (artikel 102 Grondwet 1814). Voor de benoeming van de leden van de Provinciale Gerechtshoven was de Soeverein Vorst bovendien gebonden aan een voordracht van drie personen, gedaan door de Provinciale Staten in de betrokken provincie (artikel 109 Grondwet 1814). En ten slotte mocht de Hoge Raad alleen negatieftoezichthouden op de rechtspleging. Het was hem expliciet verboden zich met de inhoudelijke ‘beoordeling der zaken’ (door de Provinciale Gerechtshoven) in te laten (artikel 107 Grondwet 1814).

De oude verlangens naar provinciale soevereiniteit zijn reeds lang verdwenen. Het karakter van het land Nederland als eenheidsstaat staat niet meer wezenlijk ter discussie, zeker niet als vraagstuk van rechterlijke organisatie. Al in 1877 werden de Provinciale Gerechtshoven uit bestuurlijke rationaliteit vervangen door vijf ressorten. In 2013 belandden de rechterlijke macht van de voormalige Heerlijkheid Friesland en het Hertogdom Gelre uitefficiency-overwegingen zelfs samen in één ressort Arnhem-Leeuwarden. Anders dan de staatsfuncties wetgeving en bestuur kan de rechtspraak  in  Nederland  principieel  niet  worden  gedecentraliseerd.  De aanvaarding van dit uitgangspunt is in de geschiedenis van artikel 118 Grondwet terug te zien. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd de bepaling dat alom in
het  Rijk  recht  werd  gesproken  in  naam  des  Konings  geschrapt.  Voor  de rechtseenheid was de bepaling overbodig geworden, terwijl van de formulering wel verwarring viel te duchten ten aanzien  van de rechterlijke  onafhankelijkheid. Evenzo  verdween  in 1983 de  aanduiding  van  de  Hoge  Raad  als ‘opperste gerechtshof’. Niet omdat de hiërarchie in de rechterlijke organisatie ter discussie kwam te staan, maar omdat in het bestuursrecht verschillende andere hoogste bestuursrechters tot ontwikkeling waren gekomen. Wel werd in 1983 vastgehouden aan cassatierechtspraak als de primaire taak van de Hoge Raad, zij het niet meer als compromis met de bevoegdheden van Provinciale Gerechtshoven. Overige taken kan de Hoge Raad alleen bij wet opgedragen krijgen.
 
 
Tegenwoordig speelt artikel 118 Grondwet een rol in drie discussies. De eerstebetreft  de  wenselijkheid  en  toelaatbaarheid  van  politieke  benoemingen  in  de rechterlijke macht. De Tweede Kamer is bevoegd een voordracht van drie personen te doen. Welke criteria een rol mogen spelen, is daarmee nog niet bepaald. Wel zijn er buitengrenzen. Bemoeienis van politieke organen bij de benoeming van rechters
is op zichzelf geen schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van  de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt wel af te leiden dat de selectie van rechters op basis van objectieve, inhoudelijke criteria moet blijven geschieden en datimproper motivesbij rechterlijke benoeming geen rol mogen spelen.[4] De tweede actuele discussie waarin artikel 118 Grondwet voorkomt, is de vraag of de Hoge Raad een rechtsvormende taak heeft en zo ja welke bevoegdheidsgrondslag daarvoor valt aan te wijzen. Gegeven de omstandigheid dat ‘rechtsvorming’ geen taak of bevoegdheid is die de wetgever op basis van artikel 118, derde lid, Grondwet expliciet heeft opgedragen aan de Hoge Raad, wordt wel beweerd dat ‘rechtsvorming’ als een met de cassatietaak uit artikel 118, tweede lid, Grondwet samenhangende bevoegdheid moet worden gezien. Rechtsontwikkeling is in die redenering een van de functies van de cassatierechtspraak van de Hoge Raad en dus is rechtsvorming een veronderstelde bevoegdheid.[5] De derde actuele discussie waarin artikel 118 Grondwet een rol speelt, betreft een belangrijke ‘andere taak’ die aan de Hoge Raad is opgedragen: advisering. Die taak is zeker niet typisch voor een rechterlijke macht. Het AmerikaanseSupreme Courtweigert bijvoorbeeld principieel om zich uit te laten over kwesties die geen werkelijk geschil zijn.[6] Ook de Europese rechtstraditie stelt grenzen aan adviserende rechters. Mede door de rechtsontwikkeling onder artikel 6 EVRM is de Raad van State steeds nadrukkelijk opgedeeld in een Afdeling advisering en een Afdeling bestuursrechtspraak. De vraag is wat dit betekent voor de adviespraktijk van de Hoge Raad.


2. Benoemingsprocedure

De benoeming van raadsheren (m/v) is primair een rechterlijke benoeming in de zin van artikel 117 Grondwet: bij Koninklijk Besluit, voor het leven en voorzien van de nodige waarborgen. Artikel 118, eerste lid, Grondwet bevat een bijzondere toevoeging voor raadsheren van de Hoge Raad. Bij hun benoeming is de regering gebonden aan een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer.  De  ratio  van  deze  bijzondere  regeling  is  historisch  gelaagd.  Ter gelegenheid  van  de  laatste  herziening  van  de  Grondwet  werd  er  een waarborgfunctie aan toegeschreven, te plaatsen in het licht van de positie van de Hoge Raad alsforum privilegiatumvoor ambtsmisdrijven van nationale politieke ambtsdragers (119 Grondwet).[7] Een rol voor de Tweede Kamer bij de benoeming van leden van de Hoge Raad zou aan het laatste college meer zelfstandigheid ten opzichte van de regering geven. In het licht van de mogelijke berechting van ambtsmisdrijven van ministers door de Hoge Raad, valt dat alleen maar toe te juichen. De feitelijke reden voor artikel 118, eerste lid, Grondwet is echter minder principieel.  In   1814  was  het  een  logische  kopie  van  de  procedure  voor  de benoeming van de leden van de Provinciale Gerechtshoven.[8] In die gevallen was de Koning gebonden aan de voordracht van drie personen, gedaan door Provinciale Staten van de betrokken provincie. Daarmee was, zoals gezegd, provinciale invloed in  samenstelling  van  de  rechterlijke  macht  gewaarborgd.  Vertaald  naar  het landelijke niveau zouden we een zekere invloed van de volksvertegenwoordiging op de samenstelling van de rechterlijke macht kunnen kwalificeren als een bijdrage aan de democratische legitimatie van de Hoge Raad. Met enige goede wil is dat dus de oorspronkelijkeratiovan de bijzondere benoemingsprocedure.


Het voortbestaan van de betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de hoogste rechterlijke benoemingen is de afgelopen 200 jaar zeker geen uitgemaakte zaak geweest. In 1848 werd gepoogd om de berechting van ambtsmisdrijven te beleggen bij een nieuw op te richten Hof van Staat en zou de bijzondere benoeming van de leden van de Hoge Raad daarom kunnen vervallen. Bovendien had de regering
klachten over de kwaliteit van de voordrachten. Een meerderheid van de Tweede Kamer was echter tegen het schrappen van hun eigen rol. Wel werd de keuze voor de regering verruimd: niet drie maar vijf namen. Rondom de herziening van 1887 kwam de procedure weer ter discussie gestaan. Ook toen overleefde de voorziening na uitgebreide discussie,[9]  maar werd het aantal voor te dragen kandidaten weer teruggebracht naar drie. Hoewel er aan het begin van de 20e eeuw nog veel kritiek was,[10] kwam de wenselijkheid in 1983 nauwelijks meer principieel ter sprake.[11]  De Tweede Kamer had zijn betrokkenheid op dat moment teruggebracht tot een administratieve  doorzending  van  de  door  de  Hoge  Raad  zelf  voorgedragen kandidaten,  maar  zag  ook  daarin  geen  reden  om  de  bijzondere  procedure  te schrappen. Elk college, merkte Jan Donner al nuchter op, doet nu eenmaal moeilijk
afstand van eenmaal toegekende bevoegdheden.[12]

In de tegenwoordige praktijk begint een procedure voor de benoeming van een nieuw  raadsheer  bij  de  Hoge  Raad  zelf.  Op  formele  en  informele  manieren verzamelt een selectiecommissie (de ‘Horizoncommissie’) namen van mogelijke kandidaten die bereid zijn een benoeming te aanvaarden. Deze worden beoordeeld op basis van een door de Hoge Raad zelf ontwikkeld profiel voor een raadsheer.[13] Aan de hand van eveneens zelf ontwikkelde profielen voor de verschillende kamers van de Hoge Raad, wordt bij het openvallen van een vacature bepaald aan wie op dat moment het meeste behoefte bestaat. Zijn of haar naam komt dan bovenaan een openbare lijst van zes personen die de Hoge Raad naar de Tweede Kamer stuurt.[14] Sinds 1979 worden daar beknopte biografieën bijgedaan. En sinds 1992 staat de lijst op de agenda van de Vaste Commissie voor en Justitie en Veiligheid, die in een besloten vergadering gesprekken voert met de President van de Hoge Raad, de Procureur-Generaal  en  de  kandidaten.  Daarna  stelt  de kamercommissie  een voordracht van drie personen voor aan de plenaire vergadering. Commissie noch Kamer is daarbij formeel gebonden aan de voordacht van de Hoge Raad. Dat geldt wel voor de regering. Die is verplicht één van de voorgedragen kandidaten bij Koninklijk Besluit te benoemen. Beëdiging vindt vervolgens plaats in handen van de Koning zelf, waarna de raadsheren van de Hoge Raad de ‘mooiste’ toga van de Nederlandse rechterlijke macht mogen omslaan: helemaal van zijde, met banen en mouwomslagen van zwart fluweel.[15]  De benoeming van een President van de Hoge Raad geschiedt bij apart Koninklijk Besluit, maar verloopt niet opnieuw via de Tweede Kamer.[16] Van oudsher ging dit hoofdzakelijk op basis van anciënniteit: de vicepresident met de meeste dienstjaren schoof door. In 2008 werd met die gewoonte gebroken toen mr. G.J.M. Corstens de toga van de president om kreeg, afgezet met hermelijn. In 2014 werd hij opgevolgd door mr. M.W.C. Feteris. Per 1 november 2020 zal het de beurt zijn aan de eerste vrouw op deze positie: prof mr. G. de Groot.
 
De Staatscommissie parlementair stelsel) adviseerde in 2018 de benoemingswijze van de leden van de Hoge Raad aan te passen. Hoewel buiten haar formele taakopdracht meende de Staatscommissie toch dat, ‘gezien de consequenties voor de rol van de Tweede Kamer en ‘met het oog op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter’ dat de benoemingsprocedure steviger moest worden verschanst tegen overwegingen van partijpolitieke aard.  De kern van het voorstel van de Staatscommissie was dat niet meer de Tweede Kamer maar een ‘voordrachtscommissie’ de voordracht zou moeten gaan doen. In deze commissie zou de Tweed Kamer en de president van de Hoge Raad ieder één persoon mogen benoemen, waarna deze gezamenlijk een derde lid zouden mogen aanwijzen. In december 2019 presenteerde de regering de consultatieversie van de eerste lezing van een dergelijke wijziging van artikel 118 Grondwet.
 
De vraag zal blijven of deze wijziging ook de door de Staatscommissie beoogde vruchten zal afwerken. Bovend’Eert noemt de voorgestelde wijziging allereerst onnodig, gezien de geringe invloed van partijpolitiek op de benoemingen überhaupt. Daarnaast wordt opgemerkt dat het ook ongepast is, gezien de benoemingscommissie het karakter krijgt van een scheidsgerecht, waarbij twee partijen (Hoge Raad en Tweede Kamer) een derde arbiter aanwijzen om een geschil te beslissen. De Werd gaat verder en bepleit zelfs algehele afschaffing van het voordrachtsrecht van de Tweede Kamer, onder andere gezien internationale en Europese jurisprudentie. Parlementaire dan wel executieve betrokkenheid bij rechtersbenoemingen, geldt daar eerder als contra-indicatie voor rechterlijke onafhankelijkheid, waardoor de harde eis blijft dat rechters na benoeming verschoond geen politieke invloed in hun ‘adjudicatory role’ mogen aanvaarden. Het is enkel ‘admissable if, once appointed, they receive no pressure or instructions in the performance of their judicial duties’.
 
In de praktijk functioneert de procedure als een systeem van coöptatie. De Tweede Kamer streept de drie laatste namen van de voordracht van de Hoge Raad door en de regering benoemt de kandidaat die op nummer één staat. Zodoende wordt degene benoemd die door de Hoge Raad als favoriet is voorgedragen. De bestendige praktijk  en  de  kracht  van  de  normatieve  opvattingen  waarmee  eraan  wordt vastgehouden,  maken  dat  sprake  is  van  een  constitutionele ‘conventie  van coöptatie’ bij benoemingen van raadsheren in de Hoge Raad.[17]  Dat wil niet zeggen dat de benoeming van een raadsheer nooit inzet van politieke strijd is geweest. In 1851 en 1852 passeerde Koning Willem III de voordracht van N. Olivier (1808-1869) omdat de laatste veel te veel Thorbeckiaan zou zijn.[18] In de twintigste eeuw verdwenen dit soort conflicten van het toneel, deels omdat de voordrachten ook minder politiek geprofileerd werden. Onlangs, in 2011, deden zich weer negentiende-eeuwse toestanden voor toen de PVV protesteerde tegen de benoeming van prof mr. Y. Buruma en de benoeming van mr. D. Aben ‘blokkeerde’.[19] Beiden werden niet zozeer ongeschikt geacht voor de functie maar vooral als politieke tegenstander ‘ontmaskerd’ die daarom geweerd dienden te worden uit de Hoge Raad.

Partijpolitieke veto’s van persoonlijke aard moeten op constitutionele gronden worden afgewezen. Ze doen afbreuk aan het gezag en de neutraliteit van de rechterlijke macht.[20] Maar dergelijke incidenten zijn te onderscheiden van de oude discussie  over  de  toelaatbaarheid  politieke  overtuiging  als  een  relevant afspiegelingscriterium voor de rechterlijke macht in het algemeen en de Hoge Raad in het bijzonder. Die kwestie werd al aangesneden door het kamerlid Van der Burg (CDA), dat zich in 1991, doelend op het relatief grote aantal D66’ers binnen de rechterlijke macht,[21] afvroeg of ‘de nieuw-liberale levensovertuiging’ niet oververtegenwoordigd was geraakt.[22] Het kamerlid Wilders (PVV) zette tevens in 2010 de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht op scherp gedurende zijn strafproces te stellen dat hij het idee had tegenover collega’s van D66 te staan, waarna de term D66-rechters het afgelopen decennium veelvuldig getwitterd is. Een dergelijk politiek perspectief op de rechterlijke macht, met name op de politieke flanken, heeft vermoedelijk een rol heeft gespeeld de hierboven genoemde benoemingsprocedure voor de Hoge Raad te wijzigen.

Afspiegeling op basis van een ander criterium dan juridische geschiktheid, is op zichzelf geen probleem. In 1814 schreef de Grondwet bij de benoeming van raadsheren een regionale spreiding over de provincies voor. Onder de eerste raadsheren bevond zich zelfs iemand uit het zeer dunbevolkte Drenthe. Tussen 1838 en 1970 kende de Hoge Raad een aantal‘katholieke  zetels’ (uiteindelijk  vijf),  waarvoor in  geval van een vacature katholieke kandidaten werden voorgedragen.[23]  Daarna werd het geslacht van de kandidaten belangrijk. In 1975 wijzigde de Tweede Kamer de voordracht door een vrouw van de zesde naar de tweede plek te verplaatsen. Inmiddels streeft de Hoge Raad bij de voordrachten zelf naar een evenredige afspiegeling van mannen en vrouwen onder de raadsheren. Deze selectiecriteria (regionale herkomst, kerkelijke gezindheid en geslacht) zijn in de geschiedenis meer en minder relevant gevonden, maar nooit principieel ontoelaatbaar geoordeeld omdat ze met iemands juridische vaardigen niets van doen hebben.

Net zo min als enige vorm van afspiegeling op zichzelf een probleem is, zo min is evenredigheid naar politieke ideologie als zodanig problematisch bij benoemingen. Eerder, het omgekeerde is het geval: politieke proportionaliteit zit diep in de Nederlandse constitutionele genen. Benoemingen van staatsraden in de Raad van State houden bijvoorbeeld al sinds jaar en dag rekening met de politieke kleur van
de kandidaat en de gewenste afspiegeling in de Raad. Desondanks heeft zich in Nederland een zekere traditie ontwikkeld om rechtersbenoemingen zoveel mogelijk los te zien van politieke bindingen. De opkomst van politieke partijen en fracties in de Tweede Kamer werd door Buys bijvoorbeeld rechtstreeks in mindering gebracht op de wenselijkheid van artikel 118, eerste lid, Grondwet.[24]  Of deze traditie samenhangt met de Nederlandse neiging om pragmatisch te depolitiseren[25] of met een  diep  ingesleten  opvatting  waarin ‘recht’  en ‘politiek’  twee  verschillende werelden moeten blijven en de politieke implicaties van rechterlijke beslissingen zorgvuldig buiten het debat worden gehouden,[26] valt buiten het bereik van dit grondwetscommentaar. Volstaan kan daarin worden met de constatering dat de Tweede Kamer, anders dan de Hoge Raad, geen openbare objectieve criteria hanteert bij het beoordelen van de voorgedragen kandidaten en ook niet motiveert waarom een voordracht wordt overgenomen of gewijzigd. Daarop wordt in de literatuur aangedrongen.[27]  Voor het beoordelen van de vraag of in een concreet geval sprake is vanimproper motives, zoals verboden door het EHRM, zou dat een zeer goede zaak zijn.

3. Cassatierechtspraak en rechtsvorming

De cassatierechtspraak die de Hoge Raad in artikel 118, tweede lid, Grondwet wordt opgedragen, is gemodelleerd naar Frans voorbeeld. De Franse revolutie stelde zijn vertrouwen in de wet en wantrouwde rechters. Om die reden moesten rechters zich zoveel mogelijk opstellen als ‘bouche de la loi’ (Montesquieu) en in ieder geval nalaten de ‘innerlijke waarde of billijkheid van een wet’ te beoordelen, zoals de Nederlandse rechter nog altijd zekerheidshalve wordt verboden door artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen uit 1827. Verder stelden de Fransen eenCour de Cassation  in,  belast  met  toezicht  op  de  rechterlijke  macht  en  bevoegd  om vonnissen te ‘breken’ (casseren) wanneer die in strijd met de wet waren gewezen. Hoewel  dit  Franse  voorbeeld  onmiskenbaar  belangrijk  geweest  voor  de vormgeving van het Nederlandse opperste gerechtshof, is de taakomschrijving van de Hoge Raad altijd ruimer geweest dan die van een klassiek Hof van Cassatie. Het verbod om zich met een beoordeling de feiten in te laten had in 1814, zoals gezegd, te maken met de bevoegdheidsverdeling met de Provinciale Gerechtshoven. Na het vervagen van die kwestie is nog lange tijd gediscussieerd over de wenselijkheid en de toelaatbaarheid van de Hoge Raad als inhoudelijke beroepsinstantie. In de huidige Grondwet is enerzijds duidelijk gekozen voor cassatierechtspraak als de belangrijkste taak van de Hoge Raad, maar niet noodzakelijk de enige. Artikel 118, tweede en derde lid, Grondwet drukken dit uit. Daarbij laat de Grondwet de vaststelling van het uiteindelijk takenpakket hoofdzakelijk over aan de wetgever. Die mag  de  cassatietaak  begrenzen,  bijvoorbeeld  door  voor  Mulderzaken (lichte verkeersovertredingen) het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als laatste instantie aan te wijzen, en is vrij om te bepalen welke andere taken de Hoge Raad nog meer heeft. Het ontbreken van een grondwettelijkgewaarborgdecassatietaak voor de Hoge Raad, wordt in de literatuur betreurd.[28]

De historische ontwikkeling van de staatsrechtelijke rol van de Hoge Raad bestaat uit een aantal elementen. Belangrijk zijn allereerst de cassatiegronden. Nadat de Hoge Raad in 1919 afscheid had genomen van de legistische gelijkstelling van ‘wet’ en ‘recht’,[29] erkende de wetgever in 1963 de ‘schending van het recht’ als cassatiegrond.[30] De tekst van de Grondwet volgde in 1983.[31] Het tweede element is de ontwikkeling en de acceptatie van internationale mensenrechten, grofweg sinds  de  jaren 80 van  de  vorige  eeuw.  De  effectieve  doorwerking  van  de fundamentele mensenrechten heeft een nieuwe dimensie aan het werk van de Hoge Raad gegeven. Naast het als ‘wetgever-plaatsvervanger’ voorzien in de leemtes die de wetgever over het hoofd heeft gezien of het beslechten van de kwesties die de politiek min of meer bewust doorschuift naar de rechter, plaatst het internationale recht de Hoge Raad ooktegenoverde wetgever. De confrontaties van de Civiele Kamer  over  moderne  samenlevingsvormen  in  het  familierecht,  van  de Belastingkamer over gelijke behandeling in het fiscale recht en van de Strafkamer over advocaten tijdens politieverhoren, verlopen via het EVRM en het IVBPR. Het derde, met de eerste twee samenhangende element in de ontwikkeling van de rol van de Hoge Raad, is een verandering in de aard van de gebruikte redeneringen.

Die is het best te kenschetsen als een verschuiving van een ‘toepassingsjurisdictie’, waarin  de  toepassing  van  de  wet  en  later  het  recht  centraal  staat,  naar  een ‘afwegingsjurisdictie’ waarin de afweging van de achterliggende belangen centraal staat.[32]  Het vierde, hierop voortbouwende element is de gewijzigde stijl van motiveren. Meer dan vroeger neemt de Hoge Raad de moeite om in zijn arresten de moeilijkheden te benoemen en de gebruikte argumenten toe te lichten. Een typisch voorbeeld van deze ontwikkeling is de verwijzing naar eerdere uitspraken en de erkenning, in de eigen motivering, van een koerswijziging in de jurisprudentie.[33]  Wie het fameuze arrest Zutphense Waterjuffer uit 1910[34]  vergelijkt met het SGP-arrest van precies 100 jaar later,[35]  ziet deze vier elementen terugkomen: de Hoge Raad heeft zijn legistische focus op de wet vervangen door een bredere blik op het recht, is over de band van het internationale recht tegenover de wetgever komen te staan, is belangen gaan afwegen in plaats van regels toepassen en gebruikt voor dit alles bepaald meer woorden.[36]

Door deze rolverschuiving komt de Hoge Raad steeds nadrukkelijker in beeld als ‘vinder’, ‘ontwikkelaar’ en zelfs als ‘vormer’ van het recht. Dit zijn gradaties van rechterlijke autonomie binnen het algemene leerstuk van ‘de rechtsvormende taak van de rechter’. Over deze taak, en met name de grenzen daarvan, wordt reeds lang gesproken in het civiele recht. In het constitutionele recht staat de kwestie op de
kaart  sinds  Kortmann  zich  afvroeg  of  het  legaliteitsbeginsel  hiervoor  geen grondslag vereist. Met hem zijn wij van mening dat het inderdaad de voorkeur verdient als artikel 118, tweede lid, Grondwet de rechtsvormende aard van de cassatierechtspraak  zou  erkennen  en  daarmee  van  een  solide  grondslag  zou voorzien.  In  het  licht  van  de  reeds  doorgevoerde  verruiming  van  de cassatiegronden van ‘wet’ naar ‘recht’ zou dit een logische volgende stap zijn. De Grondwet zou daardoor aansluiten bij de ontwikkeling waarin de Hoge Raad, binnen het democratisch gelegitimeerde primaat van de politiek, een zelfstandige rechtsvormer is geworden. Een recente bevestiging en erkenning van die positie is
de invoering van de mogelijkheid prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen om ‘snel en efficiënt’ antwoord te krijgen in de ‘zaken die ertoe doen’.
 
 

4. Overige taken van de Hoge Raad

Antwoord geven op prejudiciële vragen van rechters is niet de enige ‘overige taak’ van de Hoge Raad. Er is van oudsher sprake van een bonte verzameling taken en taakjes.   Belangrijk   zijn   de   bevoegdheid   om   in   hoogste   instantie jurisdictiegeschillen tussen gerechten te beslissen[37]  en de taak om het tuchtrecht over rechters uit te oefenen.[38] Ook is de Hoge Raad hetforum privilegiatum voor de berechting van ambtsmisdrijven van landelijke politici.[39] Binnen de bijzondere bevoegdheden van de Hoge Raad is er echter één in het licht van artikel 118 Grondwet in bijzonder interessant: de bevoegdheid tot advisering. Vroeger bevatte de Grondwet twee specifieke situaties waarin om de mening van de Hoge Raad gevraagd moest worden: in het geval de Koning gratie (staken van de uitvoering van de straf) of dispensatie (wet in een concreet geval buiten toepassing laten) wilde verlenen. Die situaties zijn praktisch verdwenen, maar de algemene adviesbevoegdheid van de Hoge Raad uit de Wet op de rechterlijke organisatie  bestaat  nog  steeds,  oorspronkelijk  zelfs  corresponderend  met  een expliciete  plicht  het  gevraagde  advies  te  geven.[40] Een  Frans-revolutionaire oorsprong heeft deze bevoegdheid niet. Martens traceert het fenomeen terug naar het Koninkrijk Holland (1806-1810). Hij vermoedt dat de handhaving van de verplichting voor de rechter om desgevraagd aan de Koning te rapporteren te maken heeft met de centraliserende en hiërarchische opvattingen van C.F. van Maanen. In het licht van deze herkomst concludeert Martens een beperkt bereik van de wettelijk vastgelegde adviesplicht: voor zover deze betrekking heeft op lopende of reeds afgedane rechtsgedingen, uiteraard met respect voor het geheim van de raadkamer.[41]  De praktijk van advisering over wetgeving is pas later onder de adviesbevoegdheid uit de Wet op de Rechterlijke Organisatie geschaard. Daar bestaat hij nog altijd. Ter gelegenheid van de herziening van de Grondwet in 1983 werd de adviesbevoegdheid van de Hoge Raad nog bevestigd als een wenselijke bevoegdheid waar het huidige derde lid van artikel 118 een grondslag voor biedt. [42] In  2015   bracht  de  Hoge  Raad  vijf  adviezen  uit  over  verschillende wetsvoorstellen.[43] Zoals afgesproken met de Minister van Justitie en Veiligheid,[44]  werd  de  Hoge  Raad  vooral  gevraagd  voor  advisering  over  procesrechtelijke kwesties die (mede) de Hoge Raad raken.

Het  constitutionele  recht  stelt  wel  grenzen  aan  het  gebruik  van  deze adviesbevoegdheid. Een privilege voor de Staat om zich rechtstreeks tot de Hoge Raad te wenden om de proceskansen in bijvoorbeeld de Urgenda-zaak vooraf goed in te schatten, moet als een ontoelaatbare inbreuk op deequality of armsworden afgewezen. Meer in het algemeen is het twijfelachtig als gevraagd wordt om advies over  bestaande  wetgeving.  In  het  incidentele  praktijkvoorbeeld  dat  Martens daarvan gevonden heeft,[45] stelt de President zich zeer terughoudend op om de Hoge Raad bij het eventueel toekomstige beslechting van dit geschilpunt zo min mogelijk voor de voeten te lopen. In het licht van de huidige jurisprudentie van het EHRM onder artikel 6 EVRM,[46] hebben deze bezwaren aan constitutionele kracht gewonnen. Aarzelingen bestaan er ook ten aanzien van de omvang en het initiatief van de adviesbevoegdheid. Ter gelegenheid van de grondwetsherziening in 1983 vroeg het CDA of het geen goed idee zou zijn als de Hoge Raad jaarlijks een lijst met  in  wetgeving  geconstateerde  knelpunten  zou  doorsturen  naar  de Staten-Generaal. De regering reageerde aarzelend maar hoofdzakelijk afwijzend. De adviesbevoegdheid van de Hoge Raad kwam volgens de regering het beste tot zijn recht wanneer de regering zich beperkt tot het voorleggen van concrete kwesties en de Hoge Raad een eventueel signaal aan de wetgever verwerkt in zijn arresten.[47]  Een dergelijke opvatting leeft ook binnen de Hoge Raad. Tijdens een symposium van de Raad van State,[48] waarop een systematische terugkoppeling van  de  rechter  naar  de  wetgever  sterk  werd  aanbevolen,[49] stelden  de vertegenwoordigers van de Hoge Raad zich terughoudend op.[50] Wel constateert de Hoge Raad in zijn arresten met regelmaat leemtes in wetgeving die de wetgever in de regel ter harte neemt en opvult.

5. Jurisprudentie


- EHRM 28 september 1995, NJ 1995/667 (met noot E.A. Alkema) ECLI:CE:ECHR:1995:0928JUD001457089 (Procola t. Luxemburg).
- EHRM 6 mei 2003, NJ 2004/15 (met noot P.J. de Boon) ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398 (Kleyn t. Nederland).
- HR 10 juni 1910, W 9038, (Zutphense Waterjuffer).
- HR     31     januari     1919,   NJ       1919/161,   ECLI:NL:HR:1919:AG1776
(Lindenbaum/Cohen).
- HR      9      april      2010,   NJ2010/388       (met   annotatie       van   E.A.
Alkema), ECLI:NL:HR:2010:BK4549 (SGP).
EHRM 26 augustus 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0826DEC001052602 (Filippini/San Marino).
- EHRM 18 mei 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0518DEC002897295 (Ninn-Hansen/Denemarken).
- EHRM 30 november 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:1130JUD002361408, § 49 (Henryk Urban and Ryszard Urban/Poland);
- EHRM 18 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0718JUD000231208,  (Maktouf and Damjanović t. Bosnia and Herzegovina [GC]).
- EHRM 18 oktober 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1018JUD008001812, (Thiam t. Frankrijk).
- HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2396.
 

6. Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000
- P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2008
- W.J.M. Davids, ‘Communicatie tussen wetgevende en rechterlijke macht’, NJB 2006, p. 2237-2241
- J. Donner, Plaats en taak van de Hoge Raad der Nederlanden, Calvinistische Juristen Vereniging 1962
- P.M.  van  den  Eijnden,  Onafhankelijkheid  van  de  rechter  in  constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011
-  E.M.H.  Hirsch  Ballin, ‘Onafhankelijke  rechtsvorming.  Staatsrechtelijke
aantekeningen over de plaats en functie van de Hoge Raad in de Nederlandse
rechtsorde’, in: De plaats van de Hoge Raad in het huidige staatsbestel. De
veranderingen in de rol van de Hoge Raad als rechtsvormer, Zwolle: W.E.J. Tjeenk
Willink, p. 211-237
- T. Koopmans, ‘De Hoge Raad en buitenlandse hoogste gerechten’, in: De Hoge Raad der Nederlanden (1838-1988), een portret, Zwolle 1988, p. 351-371
- P.J. van Koppen en J. Ten Kate, De Hoge Raad in persoon, benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden 1838-2002, Deventer: Kluwer 2003
- R.J.P. Kottenhagen, Van precedent tot precedent, (diss. EUR), Arnhem: Gouda Quint, 1986
- S.K. Martens, ‘De Hoge Raad als adviseur’, in: De Hoge Raad der Nederlanden. Een portret, Zwolle: W.E.J. Tjeenk WIllink, 1988, p. 141-175
- R. Pieterman, De plaats van de rechter in Nederland 1813-1920 (diss. Utrecht), Arnhem Gouda Quint
- H.D. Tjeenk Willink e.a., Terugkoppelen naar de wetgever, Raad van State 2006.
- Staatscommissie Parlementair Stelsel, Lage Drempels, Hoge Dijken: Democratie en Rechtsstaat in Balans, Amsterdam: Boom 2018.
- P.P.T. Bovend’Eert, Wijziging van de benoemingsprocedure bij de Hoge Raad: goed idee?, RM Themis 2020 – 4, pp. 195 – 198
- M.F.J.M. de Werd, Schaf het voordrachtsrecht van de Tweede Kamer af!, RM Themis 2020 – 4, pp. 199 – 202.

 
7. Historische versies

Eerste lid:
Art. 102 Gw. 1814: Er zal een opperste Geregtshof worden ingesteld onder den naam van Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden. Deszelfs leden worden, zoo veel mogelijk, uit alle de Provincien of Landschappen genomen.
Art. 103 Gw. 1814: Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling van dezelve, eene nominatie van drie personen aan den Souvereinen Vorst aanbieden, ten einde daaruit een keuze te doen. De Souvereine Vorst heeft de directe aanstelling van den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad.
Art. 175 Gw. 1815: Er bestaat voor het geheele Rijk een Opperste Geregtshof, onder den naam van Hoogen Raad der Nederlanden.
Deszelfs leden worden zoo veel mogelijk uit alle de Provincien genomen.
Art. 176 Gw. 1815: Van eene voorgevallene vacature wordt, door den Hoogen
Raad aan de tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling
van dezelve, eene nominatie van drie personen aan den Koning zal aanbieden, ten
einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den President uit de leden
van den Hoogen Raad, en heeft de directe aanstelling van den Procureur-Generaal
(art. 174 Gw. 1840).
Art. 157 Gw. 1848: Er bestaat voor het geheele Rijk een opperste geregtshof, onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning, uit eene nominatie, volgens art. 158, worden benoemd.
Art. 158 Gw. 1848: Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennisgegeven, die, ter vervulling
daarvan, eene nominatie van vijf personen aan den Koning aanbiedt, ten einde
daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den President uit de leden van den
Hoogen Raad en heeft de regtstreeksche aanstelling van den procureur-generaal.
Art. 162 Gw. 1887: Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge
Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het
volgende artikel worden benoemd.
Art. 163 Gw. 1887: Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde  daaruit eene keuze te doen.De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Raad (art. 164 Gw. 1922; art. 170 Gw. 1938; art. 177 Gw. 1953).
 
Tweede en derde lid:
Art. 107 Gw. 1814: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening der regtsgedingen;  op de nakoming van de wetten, betreffende de administratie der Justitie en den vorm van regtspleging bij alle Hoven, Regtbanken en Regters, en kan derzelver handelingen, dispositien en vonnissen, daarmede openlijk strijdig, vernietigen en buiten effect stellen, zonder zich nogtans en de beoordeeling der zaken intelaten.
Art. 180 Gw. 1815: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, mitsgaders op de nakoming der wetten bij alle hoven en regtbanken, en kan derzelver handelingen, dispositien en vonnissen, daarmede strijdig, vernietigen en buiten effect stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken (art. 178 Gw. 1840).
Art. 162 Gw. 1848: De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening  van  regtsgedingen,  alsmede  op  het  nakomen  der  wetten  bij  alle regterlijke collegien. Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken.
Art. 165 Gw. 1887 : De Hooge Raad heeft het toezicht op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt.
Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wet
strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet
daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet.
Art. 166 Gw. 1922: De Hooge Raad heeft het toezicht op den geregelde loop en de
afdoening van rechtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden
der rechterlijke macht en door de personen, bedoeld aan het slot van artikel 156.
Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de
wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door
de  wet  daaromtrent  te  maken,  en  behoudens  de  door  de  wet  te  stellen
uitzonderingen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet (art.
172 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. `artikel 156' wordt gelezen `artikel 162'; art.
179 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. `artikel 156' wordt gelezen `artikel 169').
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Noten

  1. Zie bijvoorbeeld de column van D.J. Elzinga, ‘Recht weer in plaats van voorziening’, Binnenlands Bestuur 15 januari 2016.
  2. E. Stein, Lawyers, Judges and the Making of a Transnational Constitution, American Journal of International Law, vol. 75, 1981, 1 e.v.
  3. Zie uitgebreider: R. Pieterman, De plaats van de rechter in Nederland 1813- 1920 (diss. Utrecht), Arnhem Gouda Quint, p. 28- 60.
  4. P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer:Kluwer 2011, p. 73- 78. Zie verder hieronder bij nummer 2.
  5. Zie verder hieronder bij nummer 3.
  6. Het Supreme Court wijst daarvoor op de ‘Case or Controversy Clause’ uit de artikel 3, tweede lid, van de Amerikaanse Constitutie. Zie verder nummer 4.
  7. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 163, nr. 6, p. 1 en nr. 8. p. 1, (Nng, VI, pp. 126, 130).
  8. J.R. Thorbecke, Aantekening op de Grondwet. Tweede Deel, Den Haag: 1906/ 1843, p. 171- 172; J.T. Buys, De Grondwet. Tweede Deel, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 436.
  9. Buys vraagt daarbij in het bijzonder aandacht voor de kritiek afkomstig van politici die ervaring hebben met de praktijk van de voordrachten. J.T. Buys, De Grondwet. Tweede Deel, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 439- 441.
  10. P.J. Oud, Het Constitutioneel Recht van het Koninkrijk der Nederlanden, Deel Twee, Zwolle: Tjeenk Willink 1970, p. 647- 649.
  11. Kamerstukken II 1979/ 80, 16 163 (R 1146) nr. 3, p. 3 (Nng, VI, p. 116).
  12. J. Donner, Plaats en taak van de Hoge Raad der Nederlanden, Calvinistische Juristen Vereniging 1962, p. 5.
  13. www.rechtspraak.nl/ Organisatie- en- contact/ Organisatie/ Hoge- Raad- der- Nederlanden/ Over- de- Hoge- Raad/ Raad/ Paginas/ Profiel- raadsheer- en- groepsprofielen- kamers.aspx.
  14. Voorgeschreven door artikel 1e Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  15. Nauwkeurig vastgelegd bij Besluit van 22 december 1997 betreffende de titulatuur en het kostuum der rechterlijke ambtenaren alsmede het kostuum van de advocaten en van de procureurs (Reglement II), Stbl. 1997/ 763.
  16. Tenzij een nieuwe raadsheer meteen President wordt. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 163 (R 1146), nr. 8, p. 3 (Nng VI, p. 132).
  17. P.P.T. Bovend’Eert pleit overigens voor afschaffing van deze conventie en voor het openbreken van de toegang tot de Hoge Raad, zie zijn Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000, p. 19- 21.
  18. P.J. van Koppen en J. Ten Kate, De Hoge Raad in persoon, benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden 1838- 2002, Deventer: Kluwer 2003, p. 42- 43.
  19. In de besloten commissievergadering dreigde de PVV dezelfde commotie te veroorzaken als ze al hadden gedaan rondom de benoeming van Y.E. Buruma. De Hoge Raad trok de voordracht daarop terug. Zie: Folkert Jensma, ‘Hoe de PVV een raadsheer uit de Hoge Raad weerde’, NRC Handelsblad 17 december 2011.
  20. Vgl. P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000, p. 18.
  21. Vrij Nederland constateert dat één keer in de zoveel tijd middels een enquête (samen met de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak) onder Nederlandse rechters. Zie laatstelijk: ‘De rechter is het zat’, Vrij Nederland 10 december 2013.
  22. ‘CDA wil strengere rechters in de Hoge Raad’, NRC Handelsblad 21 juni 1991.
  23. P.J. van Koppen en J. Ten Kate, De Hoge Raad in persoon, benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden 1838- 2002, Deventer: Kluwer 2003, p. 77- 79.
  24. J.T. Buys, De Grondwet. Tweede Deel, Arnhem: Gouda Quint 1884, p. 441.
  25. T. Koopmans, De Hoge Raad en buitenlandse hoogste gerechten, in: De Hoge Raad der Nederlanden, een portret, p. 351- 371, p. 368.
  26. P.J. van Koppen en J. Ten Kate, De Hoge Raad in persoon, benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden 1838- 2002, Deventer: Kluwer 2003, p. 42- 43.
  27. P.P.T. Bovend’Eert, ‘Terugkerend rumoer over benoemingen door de regering en de Tweede Kamer’, NJB 2015/ 90, p. 94 - 101. In gelijke zin: J.W. Ilsink, ‘Benoeming in de Hoge Raad’, NJB 2012/ 03.
  28. P.P.T.Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2008, p. 70.
  29. HR 31 januari 1919, NJ 1919/ 161, ECLI:NL:HR:1919:AG1776 (Lindenbaum/ Cohen).
  30. Door de invoering van het huidige artikel 79 Wet RO.
  31. Waarbij onder schending van het recht ook ‘verzuim van vormen’ begrepen moet worden. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 163 (R1146), nr. 8, p. 4.
  32. E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Onafhankelijke rechtsvorming. Staatsrechtelijke aantekeningen over de plaats en functie van de Hoge Raad in de Nederlandse rechtsorde’, in: De plaats van de Hoge Raad in het huidige staatsbestel. De veranderingen in de rol van de Hoge Raad als rechtsvormer, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, p. 211- 237.
  33. R.J.P. Kottenhagen, Van precedent tot precedent, (diss. EUR), Arnhem: Gouda Quint, 1986.
  34. HR 10 juni 1910, W 9038, (Zutphense Waterjuffer). De Hoge Raad houdt hierin vast aan zijn strikte opvatting dat alleen onrechtmatig is wat expliciet door de wet is verboden. Zelfs evident onzorgvuldig handelen kan dan niet tot schadevergoeding leiden.
  35. HR 9 april 2010, NJ 2010/ 388 (met annotatie van E.A. Alkema),ECLI:NL:HR:2010:BK4549 (SGP).
  36. Vergelijk voor een iets andere beschrijving van dezelfde ontwikkeling het essay van Corstens en Fokkens over de bijdragen aan de samenleving ter gelegenheid van 175 jaar Hoge Raad, NJB 2013/ 2120, p. 2492- 2499.
  37. Artikel 77 Wet op de Rechterlijke Organisatie.
  38. Artikel 46b e.v. Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  39. Artikel 119 Grondwet.
  40. Tegenwoordig in 74, vroeger in artikel 22 Wet op de Rechterlijke Organisatie.
  41. S.K. Martens, ‘De Hoge Raad als adviseur’, in: De Hoge Raad der Nederlanden. Een portret, Zwolle: W.E.J. Tjeenk WIllink, 1988, p. 141- 175.
  42. Kamerstukken II 1980/ 81 16 163 (R 1146) nr. 3, p. 5 (Nng, VI, p. 118).
  43. www.rechtspraak.nl/ Organisatie- en- contact/ Organisatie/ Hoge- Raad- der- Nederlanden/ Over- de- Hoge- Raad/ Publicaties.
  44. W.J.M. Davids, ‘Communicatie tussen wetgevende en rechterlijke macht’, NJB 2006, p. 2237- 2241.
  45. Advies uit 1974 over een technische kwestie (rente over voorzienbare schade), gerezen tijdens de voorbereidende behandeling van een wetsvoorstel.
  46. EHRM 28 september 1995, NJ 1995/ 667 (met noot E.A. Alkema) (Procola t. Luxemburg) en EHRM 6 mei 2003, NJ 2004/ 15 (met noot P.J. de Boon) (Kleyn t. Nederland).
  47. Kamerstukken II 1980/ 81 16 163 (R 1146) nr. 8, p. 5 (Nng, VI, p. 134).
  48. H.D. Tjeenk Willink e.a., Terugkoppelen naar de wetgever, Raad van State 2006.
  49. In de praktijk: Kamerstukken II 2005/ 06, 30 300 VI, nr. 169.
  50. P.J. van Amersfoort, ‘Kanttekeningen bij de terugkoppeling van rechter naar wetgever’ RegelMaat 2006/ 6, p. 197- 202.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard & J. Uzman, Commentaar op artikel 118 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Hoge Raad

De wijze van benoeming van de leden van de Hoge Raad
is, naast het feit dat zij voor het leven worden benoemd (artikel 117 Grondwet), een extra waarborg voor hun onafhankelijkheid. Wanneer een vacature in de Hoge Raad ontstaat, doet de Raad zelf een voorstel voor invulling aan de Tweede Kamer. Daarop staan zes kandidaten, in volgorde van voorkeur. De Tweede Kamer pleegt de drie hoogst geplaatste kandidaten in dezelfde volgorde op haar voordracht aan de regering te plaatsen; de regering moet dan een van die drie kandidaten benoemen en vrijwel zonder uitzondering is dat de eerste op de voordracht.
 
De invloed van zowel de regering als de Tweede Kamer op de benoeming van leden van Hoge Raad is beperkt: de Hoge Raad kiest in feite zijn eigen leden. Een terughoudende opstelling van de regering en de Tweede Kamer bij de benoeming van de leden van de Hoge Raad is belangrijk in het licht van het beginsel van de scheiding der machten, dat tot de fundamenten van onze rechtsstaat behoort. Daar komt bij dat de Hoge Raad onder meer bevoegd is om te oordelen over ambtsmisdrijven die zijn begaan door ministers, staatssecretarissen en kamerleden (artikel 119 Grondwet).
 
De Hoge Raad heeft als algemene taak de cassatie van rechterlijke uitspraken, ofwel het beoordelen van de vonnissen van lagere rechters. De Hoge Raad gaat na of de lagere instanties het recht op de juiste wijze hebben toegepast en garandeert zo de eenheid in de toepassing van het burgerlijk recht en het strafrecht.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Hoge Raad

1 reactie

29.12.2015 | Viola van bogaert

In dit commentaar op artikel 118 GW wordt nog verwezen naar de Wet op de Rechterlijke Organisatie van vóór 01-01-2002. Een en ander is naar aanleiding van de instelling van de Raad voor de Rechtspraak, de modernisering van de rechterlijke organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (zie wetsvoorstellen 27 182 en 27 181) vernummerd.

Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Hoge Raad

Recente rechtspraak

Hoge Raad

Politiek

Hoge Raad

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Hoge Raad

In de wereld

Hoge Raad