CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & G. van der Schyff
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard

ARTIKEL 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Benoeming voor het leven
  3. Toezicht & tuchtrecht over rechters
  4. Rechtspositionele onafhankelijkheid
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 
 
Editie september 2020

 
1.   Historische ontwikkeling en actuele betekenis

De rechterlijke macht en zijn onafhankelijkheid zijn altijd sterk verweven geweest in de Nederlandse constitutionele traditie: de rechterlijke macht is onafhankelijk of hij  is  het  niet.  De  onafhankelijke  rechterlijke  macht  is  tegenwoordig  zelfs  een zelfstandig element van de Nederlandse rechtsstaat, naast het legaliteitsbeginsel, de trias politica en de grondrechten.[1] Binnen het algemene leerstuk van de onafhankelijkheid  van  de  rechterlijke  macht  speelt  artikel 117  Grondwet  een historische en symbolische rol. De benoeming van rechters ‘voor het leven’ dateert uit 1814 en is nog altijd een belangrijk symbool van hun onafhankelijkheid. In een voor hem ongebruikelijke blijk van oranjeliefde, wijst Thorbecke zelfs een Engelse wet van Stadhouder-Koning Willem III als bron voor de Franse constitutie aan.[2]

Tegenwoordig begint de publieksvoorlichting op www.rechtspraak.nlover een rechtvaardige rechter met de mededeling dat alleen de Hoge Raad een rechter kan ontslaan.[3]  Tegelijkertijd  is  de  bijzondere  ontslagbescherming  uit  artikel 117 Grondwet slechts een onderdeel van het algemene leerstuk van de onafhankelijke rechterlijke macht, en misschien niet eens het belangrijkste.

De  inhoud  van  de ‘onafhankelijke  rechterlijke  macht’  als  element  van  de rechtsstaat, kan worden verhelderd met een aantal onderscheidingen. Allereerst is het verschil tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid van belang. Het eerste betreft de waarborg dat rechters in staat worden gesteld om te doen wat zij denken dat het recht van hen verlangt. Het tweede stelt juist eisen aan de rechterlijke macht: rechters mogenalleendoen wat het recht van hen vraagt. Het persoonlijke belang van een rechter mag niet samenvallen met dat van één van de partijen (omdat het familie is, bijvoorbeeld, of omdat de rechter die partij reeds in een andere hoedanigheid heeft geadviseerd) en hij mag zijn neutraliteit niet verliezen (door beslissingen te motiveren met zijn geloofsovertuiging, bijvoorbeeld, of een partijspeldje  op  de  toga  te  dragen).  Uiteraard  zijn  de  onafhankelijkheid  en onpartijdigheid niet altijd even goed te scheiden. In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) worden ze ook regelmatig
met elkaar verward.[4]  Het door het EHRM ontwikkelde verbod op deschijnvan partijdigheid is bovendien een tussencategorie omdat die schijn ook kan worden gewekt door de rechtspositie van de rechter. Artikel\ 117 Grondwet gaat echter nadrukkelijk  over  de  onafhankelijkheid  van  de  rechter,  en  niet  over  zijn
onpartijdigheid.
 
Een tweede manier om de plek van artikel 117 Grondwet binnen het algemene leerstuk van de nafhankelijke rechterlijke macht te duiden, is het verschil in soorten onafhankelijkheid dat in de literatuur wordt gemaakt.[5] Allereerst is er de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als geheel. Deze is in de Grondwet geregeld in artikel 116: de wetgever moet de rechterlijke organisatie inrichten met een zekere zelfstandigheid ten opzichte van met name de regering. De  wetgever  mag  dus  geen  gedetailleerde  beheersbevoegdheden  voor  de uitvoerende macht creëren. Ten tweede is er de zogenaamde rechtspositionele onafhankelijkheid. Die is in gevaar als individuele rechters repercussies in hun rechtspositie vrezen bij een voor de andere staatsmachten onwelgevallige uitspraak. Dat is de onafhankelijkheid die beschermd wordt door artikel 117 Grondwet. Ten slotte   is   er   een   derde   vorm   van   onafhankelijkheid:   de   functionele onafhankelijkheid.   Leden   van   het   Openbaar   Ministerie   kennen   deze onafhankelijkheid niet: zij kunnen inhoudelijke algemene en bijzondere aanwijzingen krijgen van de Minister van Justitie en Veiligheid, zij het dat dit in concrete zaken zeer ongewoon is en bovendien gebonden aan beperkingen en waarborgen (art. 127-128 Wet op de rechterlijke organisatie). Zelfs de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, die wel rechtspositioneel onafhankelijk is, kan in de bijzondere situatie van artikel 119 Grondwet betreffende bepaalde ambtsmisdrijven van de regering de instructie krijgen om een individuele zaak te gaan vervolgen. Ten aanzien van rechters worden dergelijke instructiebevoegdheden uitgesloten door hun functionele onafhankelijkheid. Werkelijke functionele onafhankelijkheid gaat veel verder dan de afwezigheid van instructiebevoegdheden.  Die  vereist dat  rechters  ook  hun  juridische  geweten blijven volgen wanneer een zaak onder het vergrootglas van de media ligt (het Wilders-proces bijvoorbeeld) of als zij inschattingen moeten maken waarvan zeweten dat een verkeerde afloop (een verdachte die naar het buitenland vlucht of een TBS-er die niet terugkeert van proefverlof) maatschappelijke verontwaardiging zal gaan  opleveren.  Functionele  onafhankelijkheid  is  uiteindelijk  een  ideaal  dat moeilijk is te codificeren. Volgens de grondwetgever is een rechterlijke macht die ook onder hoge druk koersvast blijft, meer een kwestie vanesprit de corpsdan van wettelijke regels. De mentaliteit van de rechterlijke macht is ‘natuurlijk de essentie van de rechterlijke onafhankelijkheid,’ aldus de regering, en de rechtspositionele onafhankelijkheid uit artikel 117 Grondwet is vooral bedoeld om die zo goedn mogelijk te ‘ruggesteunen’.[6]
 
Het grondrecht op een eerlijk proces uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten voor de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vervult  ten  aanzien  van  de  onafhankelijkheid  van  de  rechterlijke  macht  eenn onderscheidende en daarmee mogelijk aanvullende rol ten opzichte van de Grondwet. Waar  de  Grondwet  zich  richt  op  de  institutionele  en  rechtspositionele onafhankelijkheid,  met  de  bedoeling  daarmee  zoveel  mogelijk  functionele
onafhankelijkheid te creëren, staat in de jurisprudentie van het EHRM het resultaat centraal:  de  functionele  onafhankelijkheid.  De  eisen  ten  aanzien  van  de rechtspositionele en institutionele onafhankelijkheid worden daar door het EHRM min of meer van afgeleid. Levenslange benoeming is zo geen absoluut vereiste, zolang dat in de praktijk maar geen situatie oplevert waarin de betrokken rechter
niet meer vrij kan oordelen over een voorliggende zaak.

 
2.   Benoeming voor het leven

Naast de Koning benoemt de Grondwet ook de leden van de Raad van State (artikel 74 Grondwet),  de  leden  van  de  Algemene  Rekenkamer (artikel 77),  de procureur-generaal bij de Hoge Raad en alle leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, levenslang op hun post. Tot 1848 werden alleen de leden van de Hoge  Raad,  de  gerechtshoven  en  de  criminele  rechtbanken  voor  het  leven
benoemd. Daar stond tegenover dat de procureurs-generaal en de hoofdofficieren van  justitie  ook  niet  konden  worden  ontslagen.  Het  aantal  levenslange benoemingen in het Openbaar Ministerie is in de loop der tijd beperkt tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad, in het licht van het forum privilegiatum uit
artikel 119 Grondwet en de daarvoor gewenste rechtspositionele onafhankelijkheid van de procureur-generaal.[7] De levenslange benoeming van rechters is in de loop van diezelfde tijd vooral uitgebreid. Vóór 1983[8] eiste de Grondwet dat ook bestuursrechters die geen onderdeel uitmaakten van de rechterlijke macht voor het leven  zouden  worden  benoemd.  In  verband  met  het  voornemen  alle bestuursrechters onder het begrip rechterlijke macht te brengen, werd die bepaling in 1983  alvast  geschrapt.  Het  voornemen  is  echter  niet  volledig  uitgevoerd.
 

Daarom is de  levenslange  benoeming  van  de  rechters  in  de  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven geen grondwettelijke garantie maar een keuze van de wetgever.[9] De Staatscommissie Parlementair Stelsel adviseerde eind 2018 de benoeming van de leden van de Hoge Raad aan te passen om deze beter te beschermen tegen partijpolitieke invloeden. De staatscommissie adviseerde ‘om art. 117, eerste lid, Grondwet zodanig te wijzigen dat leden van de Hoge Raad worden benoemd bij Koninklijk Besluit op een bindende voordracht van een commissie, bestaande uit een deskundige (te benoemen door de Tweede Kamer), een lid van de Hoge Raad (daartoe aangewezen door de President van de Hoge Raad) en een andere deskundige (aangewezen door de President van de Hoge Raad en de Tweede Kamer gezamenlijk), niet zijnde een rechter of een parlementariër.’ Het voorstel is door Bovend’Eert en De Werd bediscussieerd in RM Themis.

Een benoeming voor het leven duurt niet per definitie tot de dood. In 1887 werd een leeftijdsgrens voor rechters uit Hollandse zuinigheid niet ingevoerd. Rechters die door ouderdomskwalen ongeschikt werden, konden wegens ongeschiktheid worden ontslagen, terwijl rechters die ondanks hun leeftijd nog altijd goed werk deden beter aan de slag konden blijven dan ten laste van ’s Rijks schatkist rentenieren.[10]  In 1909 pakte deze keuzepenny-wise-pound-foolishuit. Om het vrijwillig ontslag van de oudere leden van de rechterlijke macht te bevorderen, beloofde de zogenaamde Achterstandswet[11] bejaarde rechters het volle salaris als pensioen. Sinds 1922 opent de Grondwet de mogelijkheid om bij wet een algemene leeftijdsgrens te bepalen, die tien jaar later, in 1932, werd bepaald op ‘de volle ouderdom’  van  70  jaar.  Daar  ligt  die  grens  nog  steeds.[12]  Delegatie  is  hier uitgesloten en waakzaamheid geboden. Juist in een stelsel van carrièrerechters waarin de meest ervaren rechters aan de top van de piramide staan, kán een verlaging van de leeftijdsgrens een manier zijn om een ‘lastige’ Hoge Raad collectief  te  ontslaan.  Verordening 130/1941 van  Seyss-Inquart  verlaagde bijvoorbeeld de leeftijdsgrens van 70 naar 65 jaar, in de hoop de openvallende vacatures met meer Duitsgezinde rechters te kunnen vervullen.[13]  Dergelijke acties zijn in strijd met de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Waakzaamheid is evenzeer geboden ten aanzien van het promotiebeleid binnen de rechterlijke  macht.  De  dreiging  te  worden  uitgesloten  van  elke  toekomstige vervolgbenoeming  kan  onder  omstandigheden  zeker  een  schending  van rechtspositionele (en  functionele)  onafhankelijkheid  opleveren.  Voor  dergelijk misbruik van artikel 117, eerste lid, Grondwet hoeft in de huidige Nederlandse verhoudingen niet snel te worden gevreesd. In de praktijk staat de aanbeveling van het bestuur van het gerecht waarbinnen de vacature openvalt, centraal. Door dit stelsel  van  coöptatie  beschikt  de  rechterlijke  macht  feitelijk  over  zijn  eigen promotiebenoemingen.[14]

Voor ontslag op eigen verzoek of wegens het bereiken van de leeftijdsgrens geeft de Grondwet  geen  vormvoorschrift.  De  wet  doet  dat  wel.  Artikel 46h  Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt dat het ontslag bij Koninklijk Besluit wordt verleend. De Grondwet garandeert dat als ontslag eenmaal is aangevraagd, dit ook moet worden verleend. Zoals het de regering niet is toegestaan een rechter
tegen  zijn  zin  te  ontslaan,  zo  is  het  ook verboden  een  rechter  tegen  zijn  zin  te handhaven in zijn ambt.
  

3.   Toezicht & tuchtrecht over rechters

De  institutionele,  rechtspositionele  en  functionele  onafhankelijkheid  van  de rechterlijke  macht  betekenen  niet  dat  zij  zijn  uitgezonderd  van  een  van  de belangrijkste constitutionele vragen:quis custodiet ipsos custodes?Wel is het antwoord in het geval van de rechterlijke macht bijzonder: de rechterlijke macht bewaakt zichzelf. Artikel 116, vierde lid, Grondwet bepaalt dat het toezicht op de
ambtsvervulling van de leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, en de personen (leken) die incidenteel aan rechtspraak deelnemen, alleen kan worden uitgeoefend krachtens de wet en uitsluitend door de rechtsprekende leden van de rechterlijke macht. Onder ‘ambtsvervulling’, zo lichtte de regering toe, vallen zowel ‘ambtsbezigheden of ambtsplichten’ als ‘de waardigheid van het ambt’ in
algemene zin.[15] Het hier bedoelde toezicht moet dus goed worden onderscheiden van de juridische controle op de inhoud van de uitspraken. Daarvoor zijn de rechtsmiddelen verzet, hoger beroep en cassatie (in belang der wet) bedoeld. In 1983 schrapte de grondwetgever de (uit 1887 stammende) aanwijzing van de Hoge Raad als het gerecht waaraan bij uitsluiting het toezicht op de ambtsvervulling van rechters  mocht  worden  opgedragen.  De  huidige  formulering  erkent  dat  ook presidenten van gerechten een rol vervullen bij het toezicht op de leden van het gerecht.[16] Waar artikel 116 Grondwet benadrukt dat het toezichtnietdoor anderen dan rechtsprekende leden van de rechterlijke macht kan worden uitgeoefend, bepaalt artikel 117, vierde lid, Grondwet de ultieme rechtspositionele consequentie voor de rechter die het betreft: schorsing of ontslag. Ondanks het vervallen van de grondwettelijke  verplichting  daartoe,  heeft  de  wetgever  de  bevoegdheid  tot schorsing en ontslag van rechterlijke ambtenaren nog altijd belegd bij de Hoge Raad, die uitspraak doet op vordering van de procureur-generaal.[17] Deze kan zijn vordering ambtshalve of op verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijke ambtenaren doen. De procureur-generaal verantwoordt zijn activiteiten in zijn jaarverslag. Daaruit blijkt dat niet veel gevallen in de praktijk oplopen tot een formeel ontslag door de Hoge Raad. In de praktijk gebeurt het ook vaak dat rechters die in de problemen komen zelf ontslag nemen.
 
Het tuchtrecht over rechters is geen rustig bezit. Het jongste hoofdstuk in de geschiedenis daarvan werd geschreven door de zware crimineel Saban Baran, die hangende zijn hoger beroep, tijdens een tijdelijk verlof om zijn pasgeboren kind te bezoeken,  naar  Turkije  vluchtte.[18]  Omdat  het  Openbaar  Ministerie  wel  had verzocht Baran vast te zetten, kwam het Gerechtshof Arnhem in het oog van de publieke verontwaardiging terecht. Het ‘Burgercomité tegen onrecht’ verzocht de procureur-generaal  het  disciplinair  ontslag  van  de  betrokken  raadsheren  te orderen, waarop procureur-generaal Fokkens in een open brief reageerde dat niet was  gebleken  van  een  structureel  tekort  aan  juridische  kennis  of  persoonlijk wangedrag. Tot in de Tweede Kamer werd verzocht om een verruiming van de mogelijkheden  voor  disciplinair  ontslag  wegens  disfunctioneren: ‘rechters  die evident en verwijtbaar de plank - meerdere malen - misslaan.’[19] Ter gelegenheid van de meest recente aanpassing van het rechterlijk tuchtrecht vroeg de SP naar de manieren  waarop  gebrek  aan  kwaliteit  kan  leiden  tot  het  opleggen  van  een disciplinaire maatregel. Het antwoord van de regering schetst de lastige grens tussen de toenemende behoefte aan verantwoording, controle en sanctionering van publieke machtsuitoefening en de functionele onafhankelijkheid waarbinnen de rechterlijke macht in een rechtsstaat zijn werk moet kunnen doen. De regering stelde: ‘Als de kwaliteit van het rechterlijk werk tekortschiet, dan kan de rechter tot de orde worden geroepen. Bijvoorbeeld tijdens een functioneringsgesprek, waarin ook het kwalitatief functioneren van de rechter aan de orde komt. Indien de rechter ondanks herhaalde bespreking en waarschuwing ondermaats blijft presteren, kan dat uiteindelijk leiden tot ontslag via de Hoge Raad. Dat zal dan geen ontslag als disciplinaire maatregel kunnen zijn, want gebrek aan kwaliteit op zich zelf leidt
niet tot het oordeel dat er sprake zou kunnen zijn van plichtsverzuim. Gebrek aan kwaliteit zou eventueel kunnen leiden tot een ontslag wegens ongeschiktheid, maar als er sprake is van opzettelijk ondermaats presteren zou dat als plichtsverzuim kunnen worden beschouwd.’[20] Overigens is inmiddels wel voorzien in een uitbreiding van de mogelijkheden om voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen. In hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) is voorzien in de maatregel van “schorsing” en is het mogelijk om een rechterlijk ambtenaar bij wijze van ordemaatregel tijdelijk buiten functie te stellen of om redenen van een zwaar organisatorisch belang over te plaatsen naar een ander gerecht.

4.   Rechtspositionele onafhankelijkheid

Artikel 117, vierde lid, Grondwet bepaalt dat de wet de rechtspositie van de rechtsprekende  leden  van  de  rechtelijke  macht  regelt.  Vroeger  noemde  de Grondwet daarbij expliciet de bezoldiging van de rechters als onderwerp, en dat maakt meteen duidelijk waar deze bepaling over gaat. De constitutionele waarde ervan is de garantie dat de rechtspositie metalgemeneregels, zoveel mogelijk afkomstig van de formele wetgever wordt geregeld. Een bepaling zoals artikel 18, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie 1827 verdient dan ook niet de voorkeur. Krachtens die bepaling mocht een kantonrechter ‘zelfs in den tijd der vakantie niet buiten het Koningrijk gaan, zonder bijzonder verlof van den Koning [21] Een dergelijke bevoegdheid om individuele vakantieplannen te doorkruisen, zou tegenwoordig  in  het  licht  van  de  rechtspositionele  onafhankelijkheid  van  de rechterlijke macht ten zeerste moeten worden afgewezen. Hoofdstuk 3 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren regelt op dit moment het salaris en de andere financiële arbeidsvoorwaarden. De overige arbeidsvoorwaarden van rechters zijn met  name  geregeld  in  een  algemene  maatregel  van  bestuur:  het  Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
 
Een recente wijziging in de Wrra heeft het mogelijk gemaakt individuele rechten en plichten van rechterlijke ambtenaren over te hevelen naar een Algemene Maatregel van Bestuur, in plaats van de betreffende wet in formele zin.  z Een verschuiving dus van de wettelijke waarborg naar de bestuurlijke macht alleen. De Raad adviseerde positief, omdat in de uitwerking “[H]et overeenstemmingsvereiste blijft gelden ten aanzien van rechtspositionele bepalingen in de wet, maar door de meerderheid van dergelijke bepalingen op AMvB-niveau te regelen, zal de frictie tussen het overeenstemmingsvereiste van de NVvR en het recht van amendement van de Tweede Kamer zich veel minder vaak voordoen. De Raad is van mening dat hiermee een goede balans is gevonden tussen de bescherming van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren – en het overeenstemmingsvereiste dat daarbij geldt – en het gewenste niveau waarop zaken die rechterlijke ambtenaren voor het leven benoemd raken dienen te worden vastgelegd. Bepalingen die de magistratelijkheid betreffen (benoeming, beëdiging) of de persoonlijke levenssfeer van rechters en raadsheren te zeer raken (nevenbetrekkingen), blijven immers op wetsniveau geregeld.”
 

 
5.   Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert,Benoeming en ontslag van rechters(oratie KUN), 2000
- P.P.T. Bovend’Eert,Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2008
- P.M.  van  den  Eijnden,  Onafhankelijkheid  van  de  rechter  in  constitutioneel perspectief(diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011
- M.L. van Emmerik, J.P. Loof & Y.E. Schuurmans,Systeemwaarborgen voor de
kernwaarden van de rechtspraak, Research Memoranda Raad voor de rechtspraak
2014/2.
- E.P. Muller & C.P.M. Cleiren,Rechterlijke macht, Deventer: Kluwer 2006.
- Staatscommissie Parlementair Stelsel, Lage Drempels, Hoge Dijken: Democratie en Rechtsstaat in Balans, Amsterdam: Boom 2018.
- P.P.T. Bovend’Eert, Wijziging van de benoemingsprocedure bij de Hoge Raad: goed idee?, RM Themis 2020 – 4, pp. 195 – 198.
- M.F.J.M. de Werd, Schaf het voordrachtsrecht van de Tweede Kamer af!, RM Themis 2020 – 4, pp. 199 – 202.
- Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de benoeming van de leden van de Hoge Raad der Nederlanden Memorie van Toelichting, consultatieversie december 2019.
- B. Groen, ‘Verleng het Rechterlijk leven!’, Nederlands Juristen Blad 2018/496.
- Brief van Raad voor de Rechtspraak aan Minister van Rechtsbescherming 7 mei 2020, Advies inzake het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wrra m.b.t. het overeenstemmingsvereiste.

6.   Historische versies

Eerste, tweede en derde lid:
Art. 113 Gw. 1814: De leden en ministers van den Hoogen Raad en provinciale
Geregtshoven, benevens de Procureurs Generaal bij dezelve, worden voor hun
leven aangesteld. De tijd der bediening van alle andere regters wordt bij de wetbepaald.
Geen regter mag gedurende den tijd zijner bediening van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis.
Art. 186 Gw. 1815: De leden en ministers van den Hoogen Raad, de provinciale
Geregtshoven en criminele Regtbanken, benevens de Prokureurs Generaal, en
Hoofdofficieren bij dezelve, worden voor hun leven aangesteld.
De wet regelt den tijd der bediening van andere regters en regterlijke ambtenaren.
Geen regter mag gedurende den bepaalden tijd zijner bediening, van zijnen post
worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis (art. 184 Gw.
1840).
Art. 163 Gw. 1848: De leden en de procureur generaal bij den Hoogen Raad, de leden van de geregtshoven, zoo die er zijn, en van de regtbanken van eersten aanleg, worden voor hun leven aangesteld.
Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, kunnen
worden afgezet of ontslagen door regterlijke uitspraak, in de gevallen in de wet te
bepalen. Zij kunnen op eigen verzoek, door den Koning worden ontslagen.
Art. 166 Gw. 1887: De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning
aangesteld.
De leden van de regterlijke Magt, met regtspraak belast, en de procureur generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigen verzoek kunnen zij door de Koning worden ontslagen.
Indien een collegie belast wordt met administratieve regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee  of landmagt of tot eenige andere gewapende macht, of met de beslissing van disciplinaire zaken.
Art. 167 Gw. 1922: De leden van de rechterlijke macht worden door den Koning aangesteld.
De leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, en de procureur
generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.
De wet kan bepalen, dat hun met het bereiken van een bepaalden leeftijd ontslag
wordt verleend.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.
Indien een college belast wordt met administratieve rechtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn het eerste, tweede, derde en vijfde lid van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met rechtspraakover personen, behoorende tot de zee of landmacht of tot eenige andere gewapende
macht, of met de beslissing van disciplinaire zaken (art. 173 Gw. 1938; art. 180
Gw. 1953; art. 180 Gw. 1956, behoudens dat i.p.v. `behoorende tot de zee  of
landmacht of tot eenige andere gewapende macht' wordt gelezen `behorende tot de
krijgsmacht').
 
Vierde lid:
Art. 61, tweede lid, Gw. 1815: De bezoldiging der ambtenaren van de regterlijke magt wordt door de wet geregeld.
 

 
7. Jurisprudentie

- HvJEU 24 juni 2019, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531, (Commissie t. Polen, verlaging   pensioenleeftijd rechters), m. nt. Kaya.
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening 12 maart 2020, JCDI:ADS205361:1, RF 2020/53.
- HR 20-12-2019, ECLI:NL:HR:2019:2038.
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Noten

  1. Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, De toekomst van de nationale rechtsstaat, (WRR- rapport no. 63), 2002. Zie http:/ / www.wrr.nl/ publicaties.
  2. J.R. Thorbecke, Aantekening op de Grondwet, Tweede deel, 1843, p. 201.
  3. https:/ / www.rechtspraak.nl/ Hoe- werkt- het- recht/ Rechtspraak- in- Nederland/ Rechters/ Paginas/ Rechtvaardige- rechter.aspx.
  4. P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011, p. 51- 149.
  5. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 17- 32.
  6. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 162, nr. 3, p. 19 (Nng, V, 23).
  7. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 162, nr. 3, p. 5 (Nng, V, 9). De rol van de procureur generaal binnen het rechterlijk tuchtrecht (artikel 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren) vormt eveneens een goede reden voor voldoende rechtspositionele onafhankelijkheid.
  8. Artikel 180, zesde lid, Grondwet 1972.
  9. Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, Beroepswet juncto, artikel 2, eerste lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  10. J. T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel III, Arnhem: Gouda Quint 1888, p. 322.
  11. Wet van 27 september 1909 (Stb. 324). Besproken in P.J. Oud, Het Constitutioneel Recht van het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Zwolle: Tjeenk Willink, 1970, p. 649.
  12. Tegenwoordig in artikel 46h, derde lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  13. C.J.H. Jansen, ‘De spagaat van de leden van de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog’, NJB 2005 afl. 17, p. 880- 886.
  14. P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000, p. 9. Bovend’Eert meent overigens dat de praktijk van coöptatie echter ook weer in zichzelf in strijd is met de machtenscheiding (p.13). De voordelen moeten in dit geval echter zwaarder wegen dan de nadelen.
  15. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22).
  16. Kamerstukken II 1980/ 81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22). De Grondwet veronderstelt dan uiteraard rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid bij deze toezichthoudende presidenten. Zie voor de grondwettigheid van de verhouding met de Raad voor de rechtspraak op dit punt: P.P.T. Bovend’Eert, ‘Wie bewaakt de bewakers? De nieuwe tuchtrechtregeling voor rechters is ongrondwettig’, NJB 2015/ 407, af. 8, p. 509 e.v.
  17. Hoofdstuk 6A Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  18. https:/ / nl.wikipedia.org/ wiki/ %C5%9Eaban_Baran.
  19. Krista van Velzen (Kamerlid SP), ‘Maak ontslag rechters makkelijker’, NRC Handelsblad 5 oktober 2009.
  20. Kamerstukken II 2013/ 14, 33 861, nr. 6, p. 5.
  21. Dat moet uiteraard in context worden gezien, zoals het tweede lid van artikel 18 Wet RO 1827: ‘De Raadsheeren en Regters, welke dienst doen in krimineele en correctionele zaken, hebben geene vakantie’.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard, Commentaar op artikel 117 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Rechtspositie leden rechterlijke macht

De voornaamste waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechtsprekende leden van de rechterlijke macht (en de procureur-generaal, het hoofd van het parket, bij de Hoge Raad) is dat zij voor het leven worden benoemd. Zij worden weliswaar benoemd door de regering, maar kunnen, eenmaal benoemd, niet worden ontslagen. Zo hoeven zij niet te vrezen dat hun uitspraken een zodanig ongenoegen bij ministers, kamerleden of andere hoge gezagsdragers wekken dat zij hun baan dreigen kwijt te spelen. Zij kunnen onafhankelijk en zonder druk van politiek en samenleving hun werk doen.
 
De rechtsprekende leden van de rechterlijke macht krijgen alleen ontslag op eigen verzoek of wanneer zij zeventig jaar worden. Leden van rechterlijke macht die niet de functie van rechter hebben, maar onderdeel zijn van de ondersteunende diensten, worden niet voor het leven benoemd.
 
Het kan voorkomen dat een rechter vanwege een slechte lichamelijke of geestelijke gezondheid zijn ambt naar objectieve maatstaven niet naar behoren kan vervullen. Ook kan het voorkomen dat een rechter zelf een ernstig misdrijf begaat en daarvoor wordt veroordeeld. In dergelijke gevallen kan een rechter toch worden geschorst of ontslagen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan het ontslag of de schorsing vorderen; de Hoge Raad beslist over de vordering. Zo blijft de beslissing over schorsing of ontslag van een rechter aan een orgaan van de rechterlijke macht zelf.
 
De rechterlijke macht beschikt over een eigen centraal bestuur: de Raad voor de rechtspraak. Dat orgaan is niet ondergeschikt aan een minister, noch aan de regering of een ander orgaan. De Raad is onder meer verantwoordelijk voor het financieel beheer van de rechterlijke macht en voor de bevordering van de kwaliteit van de rechtspraak.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Rechtspositie leden rechterlijke macht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Rechtspositie leden rechterlijke macht

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Rechtspositie leden rechterlijke macht

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Rechtspositie leden rechterlijke macht

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Rechtspositie leden rechterlijke macht

In de wereld

Rechtspositie leden rechterlijke macht