CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard

ARTIKEL 114 - Doodstraf

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Internationaal recht
  3. Jurisprudentie
  4. Historische versies
 
Editie maart 2016
 

1.   Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Over de historische ontwikkeling van het verbod op de doodstraf kan een commentaar op de Grondwet van 1983 kort zijn: die is er niet. De laatste doodstraf (buiten de Tweede Wereld Oorlog en de bijzondere rechtspleging nadien[1]) werd ten onzent in 1860 voltrokken toen Johannes Nathan op 31 oktober op het marktplein van Maastricht werd opgehangen wegens het doodslaan van zijn schoonmoeder.[2] Tien jaar later, in 1870, werd de doodstraf in vredestijd afgeschaft.[3] Van herinvoering ervan is nadien niet meer werkelijk sprake geweest. De herziening van de Grondwet in 1983 werd juist aangegrepen om het grondwettelijke verbod op de algemeen verbeurdverklaring[4] te laten vervallen en de Grondwet voortaan te laten zwijgen over de op te leggen straffen. De Tweede Kamer dacht daar anders over en voegde onder aanvoering van het Kamerlid Roethof (PvdA) bij amendement het huidige artikel 114 Grondwet in.[5] Roethof vond de doodstraf een volstrekt inhumane straf vanwege de onomkeerbaarheid, de absoluutheid en de onmogelijkheid tot kwijting van schuld. Als ontkenning van de veranderbaarheid van de mens was de doodstraf in strijd met de menselijke waardigheid zelf.[6] In de staatsrechtelijke literatuur wordt allerwege geconstateerd dat de plaatsing van het doodstrafverbod in het hoofdstuk over de rechtspraak ongelukkig is. Als grondrecht zou het eerder in Hoofdstuk 1 van de Grondwet thuishoren, in de buurt van het grondrecht op de onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11) waarmee het verbod op de doodstraf inhoudelijk verwantschap vertoont. Plaatsing in Hoofdstuk 6 is bovendien ongelukkig, omdat de bepaling ook is bedoeld voor de wetgever. Daar tegenover kan worden gewezen op de samenhang tussen het verbod op de doodstraf en artikel 113, derde lid, Grondwet, dat bepaalt dat vrijheidsstraffen alleen door de rechterlijke macht kunnen worden opgelegd. Hoofdstuk zes van de Grondwet wordt bovendien meer in het algemeen bij elkaar gehouden door de omschrijving ‘kwesties, de rechtspraak betreffende’: het toetsingsverbod uit artikel 120, de beginselen van een goede procesorde uit artikel 121 en het recht van gratie uit artikel 122 hadden evenzeer elders in de Grondwet kunnen worden geregeld.

De betekenis van de artikel 114 is allereerst dat het de wetgever verboden is om de doodstraf op te nemen onder de mogelijke straffen in het Wetboek van Strafrecht. In de tweede plaats betekent artikel 114 van de Grondwet eveneens dat de een eventueel toch door de wetgever mogelijk gemaakte en door de Nederlandse rechter opgelegde doodstraf nietig is. Doordat het artikel ook voor de rechter is bedoeld, onttrekt het zich deels aan de werking van het constitutioneel toetsingsverbod uit artikel 120 Grondwet. Het niet opleggen van de doodstraf is immers een zelfstandige grondwettelijke plicht voor de rechter waaraan hij kan voldoen zonder daarmee de formele wet die het opleggen van deze straf mogelijk maakt aan de Grondwet te toetsen. Artikel 114 Grondwet geldt onder alle omstandigheden. Hoewel over de relatie met het staatsnoodrecht uit artikel 103 Grondwet tijdens de parlementaire behandeling eigenlijk niet is gesproken, werd het alternatieve amendement van de liberalen Nijpels en Kappeyne van de Copello,[7] waarin was voorzien om in het oorlogsstrafrecht een uitzondering te mogen maken, niet aangenomen.

De grondwettelijke waarborg tegen het opleggen van de doodstraf is in toenemende opgevolgd door de ontwikkeling van het internationale recht (zie hierna, onder nummer 2). Desondanks is het huidige artikel 114 Grondwet niet zonder betekenis in de Nederlandse politieke discussie. De SGP is nog altijd voor wederinvoering van de doodstraf voor ernstige levensdelicten.[8] De laatste minister die zich er enigszins positief over uitliet, was minister Nawijn (LPF) in 2002. De politieke reacties waren dermate fel (ook van zijn eigen partij)[9] dat de herinvoering van de doodstraf niet snel serieus op de politieke agenda zal verschijnen. Ondertussen blijkt uit opinieonderzoek wel met enige regelmaat dat het aantal voorstanders van een beperkte invoering van de doodstraf rond de 40 procent schommelt.
 

2.   Internationaal recht

De verhouding van het grondwettelijke doodstrafverbod met het internationale recht is tweeërlei. Allereerst is het denkbaar dat de doodstraf langs de weg van de verdragen toch weer zijn intrede zou kunnen doen in de Nederlandse rechtsorde. Artikel 91, derde lid, maakt het immers mogelijk om het Koninkrijk te binden aan van de Grondwet afwijkende verdragen. Deze optie is praktisch vooral van belang in de gevallen waarin Nederland partij zou zijn of worden bij een Internationaal Tribunaal dat over de mogelijkheid beschikt om de doodstraf op te leggen. Een dergelijk verdrag komt naar de mening van de regering echter pas dan in strijd met de Grondwet als het een Nederlander in de gelederen zou hebben. Dan zou, volgens de regering, het oprichtingsverdrag met tweederde meerderheid moeten worden goedgekeurd.[10] Deze minimalistische insteek is niet zonder reden in de literatuur voor ‘onverdedigbaar’ gehouden.[11] De relevantie van de kwestie is echter overschaduwd geraakt door de tweede wijze waarop artikel 114 Grondwet verband houdt met het internationale recht: de toegenomen verankering van doodstrafverbod in het internationale recht.

Vrij snel na de Grondwet, in 1986, verbood het Zesde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)[12] de doodstraf in vredestijd. Via de interpretatie van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is uitlevering aan landen waar de doodstraf kan worden opgelegd ook verboden.[13] Het Dertiende Protocol bij het EVRM uit 2002[14] verbiedt inmiddels ook de doodstraf in oorlogstijd. Hoewel dit protocol nog niet door alle lidstaten van de Raad van Europa is geratificeerd, heeft het EHRM al aangegeven dat de rechtsontwikkeling via het recht op leven uit artikel 2 EVRM op enigerlei moment een algehele afschaffing van de doodstraf binnen de landen van de Raad van Europa zal gaan opleveren.[15] Artikel 114 en het EVRM vallen op dat moment volledig samen.
 

3. Jurisprudentie

EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering t. Verenigd Koninkrijk)
HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249 m.nt. A.H.J. Swart (Amerikaanse militair)
EHRM 12 mei 2005, no. 46221/99, (Öcalan t. Turkey).
EHRM 2 maart 2010, nr. 61498/08 (Al-Sadoon en Mufdhi t. Verenigd Koninkrijk)
 

4. Historische versies

Geen historie.

Noten

  1. Waarin de doodstraf 154 keer is opgelegd, maar er uiteindelijk 39 oorlogsmisdadigers daadwerkelijk zijn geëxecuteerd, de laatste in 1952.
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Nathan.
  3. Wet van 17 september 1870, Stb. 162.
  4. Laatstelijk in artikel 174 Grondwet 1972: ‘Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemene verbeurdverklaring der goederen, de schuldige toebehorende.
  5. Kamerstukken II 1980/81, 16 162 nr. 12, (Nng, V, 109).
  6. Handelingen II 1980/81, blz. 3257 e.v. (Nng, V, 193)
  7. Kamerstukken II 1980/81, 16 162 nr. 15, (Nng, V, 112)
  8. https://www.sgp.nl/Standpunten/Standpunten?letter=D&standid=59
  9. ‘Nawijn betreurt mening doodstraf’, NRC-Handelsblad 19 november 2002
  10. Handelingen II 1980/81, blz. 3323 (Nng, V, 221).
  11. P.P. T. Bovend’Eert, ‘Tekst en Commentaar bij artikel 114’, Tekst en Commentaar Grondwet, Deventer: Wolters Kluwer 2015.
  12. Trb. 1983/86.
  13. EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering t. Verenigd Koninkrijk), HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249 m.nt. A.H.J. Swart (Amerikaanse militair)
  14. Trb. 2002/119.
  15. EHRM 12 mei 2005, no. 46221/99, (Öcalan v. Turkey). Vgl: EHRM 2 maart 2010, nr. 61498/08 (Al-Sadoon en Mufdhi t. Verenigd Koninkrijk)

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Boogaard, Commentaar op artikel 114 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Doodstraf

Het verbod om de doodstraf op te leggen vormt een grens aan de bevoegdheid van de rechter en de wetgever. De wetgever kan aan geen enkel misdrijf de doodstraf verbinden en de rechter kan die straf dus niet opleggen als sanctie op het plegen van enig misdrijf.
 
Tegelijk heeft het verbod de doodstraf op te leggen het karakter van een grondrecht. Het verbod kan worden gezien als een aspect van het recht op leven. Dat recht is het meest fundamentele recht van ieder mens en in onze democratische rechtsstaat biedt het een absolute garantie: de overheid mag mensen het leven niet ontnemen ter bestraffing van misdrijven, zelfs als dat zeer ernstige zijn.
 
De wetgever heeft, in het verlengde van artikel 114 Grondwet, bepaald dat wanneer Nederland door een ander land wordt gevraagd om uitlevering van een verdachte wegens het plegen van een misdrijf waaraan in dat land de doodstraf is verbonden, die uitlevering in beginsel wordt geweigerd. Alleen als de verzekering wordt verkregen dat de doodstraf niet zal worden toegepast, kan toch uitlevering plaatsvinden.
 
Herinvoering van de doodstraf in ons land voor zeer ernstige misdrijven, zoals soms wel wordt bepleit, zou alleen mogelijk zijn na grondwetswijziging. Maar ook na wijziging of afschaffing van artikel 114 zou herinvoering van de doodstraf niet mogelijk zijn: ook het Zesde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verbiedt invoering van de doodstraf. Het verbod om de doodstraf op te leggen vormt een essentieel element van de rechtsstaatgedachte die aan de basis van onze constitutie ligt.
Achtergronden

Doodstraf

Andere tijden maakte een aflevering over de laatste doodstaf die in Nederland werd voltrokken. 

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Doodstraf

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Doodstraf

Recente rechtspraak

Doodstraf

Politiek

Doodstraf

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Doodstraf

  • De vier van Breda
  • Een animatie over de geschiedenis van de doodstraf
De vier van Breda
Blogs

Doodstraf

In de wereld

Doodstraf