CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

S. Jellinghaus & E. Huisman

ARTIKEL 109 - Rechtspositie ambtenaren

INHOUD
  1. Grondslag van het ambtenarenrecht
  2. Ambtenaar en grondrechten
  3. Jurisprudentie
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Grondslag van het ambtenarenrecht

Dit artikel is in 1983 opgenomen in de Grondwet [1] Reden voor het opnemen van dit artikel is dat de regering de destijds bestaande bepalingen uit de sfeer van het beheer van de algemene geldmiddelen wilde halen, het onderscheid tussen burgerlijke en militaire ambtenaren wilde laten vervallen en de strekking van de bepalingen wilde uitbreiden tot de gehele ambtelijke rechtspositie in plaats van het te beperken tot bepalingen over bezoldiging en pensioen.[2] Met de tekst van dit artikel en daarmee met het feit dat de wet de rechtspositie van de ambtenaren regelt, kwalificeert de rechtspositie van de ambtenaar niet meer als ‘maatregel van inwendig bestuur’. Dit was tot de grondwetswijziging van 1983 wel het geval. Over de reikwijdte van dergelijke maatregelen maar vooral over het gevolg van een dergelijke kwalificatie heeft lange tijd discussie bestaan. Deze discussie liet zich van oorsprong kenmerken door de vraag of de Koning gerechtigd was om zelfstandig maatregelen van inwendig bestuur uit te vaardigen. De discussie spitste zich toe op de vraag of de Koning hiertoe gerechtigd was zonder dat dit steunde op een wettelijke bepaling. T.J. Buys bepleitte hierover het volgende: “de bemoeiingen van den Staat bepalen dus de bemoeiingen van den Koning, – en natuurlijk want de Koning is zijn vertegenwoordiger – maar zoodra de verzorging van de staatsbelangen tot daden van wetgeving leiden moet, wordt zijne anders onvoorwaardelijke bevoegdheid eene voorwaardelijke, en behoeft hij om verder te kunnen gaan voor den inhoud van zulk eene wet de toestemming van anderen”.[3] Van wetgeving is vervolgens volgens Buys pas onder de volgende voorwaarden sprake: “het uitvaardigen van een voor de burgers bindenden rechtsregel” en Buys vervolgt: “Zoodra dus de bemoeiingen van het regeeringsgezag niet meer den Staat zelven betreffen, maar zich oplossen in daden, welke op een gedwongen wijziging van den rechtstoestand der burgers neerkomen, houdt de bevoegdheid des Konings om zelfstandig te regelen ook op”.[4] De regelingen omtrent ambtenaren werden geschaard onder maatregelen van inwendig bestuur.
 
Voorafgaand aan de wijziging van de Grondwet in 1983, vond de regering het opnemen van een aparte grondwetsbepaling ten aanzien van ambtenaren gerechtvaardigd, gezien de noodzaak van een ambtelijke dienst, de bijzondere betekenis van ambtenaren in de uitvoering van de overheidstaak en het feit dat de werkgeefster tevens hoedster van het algemeen belang is. Blijkens de memorie van toelichting beoogde dit artikel niet het publiekrechtelijke karakter van de arbeidsverhoudingen te waarborgen.[5]Hieraan is in het licht van de aankomende normalisering tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer nog gerefereerd. Allereerst is er gewezen op het feit dat de regering met de wijziging van de Grondwet niet heeft willen uitsluiten dat onderdelen van de rechtspositie bij cao zouden worden geregeld.[6] Gelet daarop wordt ook met de normalisering voldaan aan de in artikel 109 Grondwet vastgestelde opdracht.[7]

Het begrip ‘ambtenaar’ is in de memorie van toelichting ten tijde van de grondwetswijziging uit 1983 niet omschreven. Het aanwijzen van de functionarissen die ambtenaar zijn, is (bewust) aan de wetgever overgelaten. Artikel 109 bepaalt niets over het rechtskarakter van de ambtenaarsverhouding. Op dit moment is de rechtsverhouding tussen ambtenaar en zijn werkgever nog publiekrechtelijk van karakter. Inmiddels is gepubliceerd de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren.[8] De vermoedelijke inwerkingtreding is 1 januari 2020. Zoals al beschreven zal als gevolg hiervan de ambtelijke aanstelling (eenzijdig en bestuursrechtelijk regime) worden vervangen door een arbeidsovereenkomst (tweezijdig en een privaatrechtelijk regime). De Ambtenarenwet wordt bovendien grondig gewijzigd. In de Ambtenarenwet 2017 zullen dan uitsluitend die bepalingen zijn opgenomen die nauw verbonden zijn aan en met het bijzondere karakter van het ambtenaarschap (denk daarbij aan bepalingen omtrent de integriteit en de beperking van grondrechten). Uitgezonderd van de gevolgen van deze nieuwe Ambtenarenwet zijn ondermeer het defensie- en politiepersoneel, de rechterlijke macht en (waarnemend) notarissen (zie voor de volledige opsomming artikel 3 Ambtenarenwet 2017). De uitgezonderde groepen behouden een publiekrechtelijke aanstelling.

Redenen om de rechtspositie van ambtenaren onder werking van het private arbeidsrecht te brengen zijn onder meer de volgende. Allereerst wordt er gewezen op het feit dat het niet meer te rechtvaardigen is dat ambtenaren en werknemer verschillend worden behandeld terwijl de aard van de arbeidsverhouding met hun werkgever in beide gevallen dezelfde is. Daarnaast wordt ook gewezen op het feit dat het arbeidsrecht meer geschikt zou zijn voor het oplossen van arbeidsgeschillen.[9]
 
Ook overheidspersoneel dat werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst, kan door de wetgever tot de ambtenaren worden gerekend. Artikel 109 heeft betrekking op de rechtspositie van alle ambtenaren, dus ook op die van ambtenaren bij andere publiek­rechtelijke lichamen dan het Rijk, zoals de gemeenten en provincies.

Met de terminologie ‘de wet regelt’ blijft delegatie door de wetgever in formele zin aan een lagere regelgever mogelijk. Artikel 109 bepaalt niet dat het gehele ambtenarenrecht of de grondslag daarvan in één wet in formele zin moet worden geregeld.[10] Er bestaat geen formeel-wettelijke regeling van de rechtspositie van ambtenaren. De Ambtenarenwet 1929 (waarschijnlijk per 1 januari 2020 gewijzigd door de Ambtenarenwet 2017) en de Militaire Ambtenarenwet 1931 bevatten nauwelijks enig materieel ambtenarenrecht. De beide wetten regelen voornamelijk de rechtsbescherming van de ambtenaren. Artikel 125 Ambtenarenwet 1929 geeft aan de regering en de besturen van andere overheidslichamen de opdracht om een aantal met name genoemde onderwerpen te regelen. Tot die onderwerpen behoren onder andere de bescherming bij de arbeid (artikel 125, eerste lid, onder g) en de medezeggenschap (artikel 125, eerste lid, onder i).

De overige materiële bepalingen zijn opgenomen in de verschillende rechtspositionele regelingen, waarvoor in artikel 109 evenmin een beperking wordt gevonden (denk aan het Algemeen Rijksambtenarenreglement (‘ARAR’) voor rijksambtenaren, de Collectieve Arbeidsvoorwaarden-regeling en Uitwerkingsovereenkomst (‘CAR-UWO’) voor gemeenteambtenaren en de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincie (‘CAP’) voor de provincieambtenaren). Artikel 109 bepaalt uitsluitend dat er steeds enige regeling bij formele wet aan ten grondslag moet liggen.[11] Zie als voorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 24 november 1999[12] waarin – kortweg – de casus voorligt of een ambtenaar kan worden overgeplaatst op grond van een Raamovereenkomst. De rechter overweegt dat “uit het samenstel van bepalingen van artikel 109 Grondwet en 125 Ambtenarenwet volgt dat de rechtspositie van ambtenaren, zoals regels aangaande aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire straffen, in ieder geval in wetgeving in materiële zin – in casu een verordening – moet zijn verankerd. Ten aanzien van de mogelijkheid tot het treffen van een maatregel als overplaatsing is dit niet anders. De Raamovereenkomst kan naar dezerzijds voorlopig oordeel niet als zodanig worden gekwalificeerd (…).” 
 
Na de inwerkingtreding van de Ambtenarenwet 2017 wordt het uitgangspunt dat er cao’s afgesloten worden. Indien dit op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet is gebeurd, zullen de huidige rechtspositieregelingen werken als cao’s (zie artikel 17 Ambtenarenwet 2017). Voor de groep medewerkers die zijn uitgesloten van de Ambtenarenwet 2017 blijft de publiekrechtelijke regelingen gelden. De basis voor hun rechtspositie is dan te vinden in de voor hun specifieke wetten en niet in  de Ambtenarenwet 2017.
 

2. Ambtenaar en grondrechten

De grondrechten gelden onverkort voor de ambtenaren. Beperkingen van grondrechten moeten aan de grondwettelijke vereisten voldoen. De bijzondere positie van de ambtenaren kan echter vereisen dat hun meer beperkingen dan anderen worden opgelegd.[13] Om aan die beperkingen de vereiste wettelijke basis ten grondslag te leggen, bevatten de artikelen 125a-125g Ambtenarenwet regels in verband met de vrijheid van meningsuiting, het recht tot vereniging, tot vergadering en betoging, de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, het passief kiesrecht, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht het land te verlaten. Een goed voorbeeld van beperking van grondrechten in het ambtenarenrecht is de wijze waarop de wet is aangepast naar aanleiding van de ontwikkeling dat sommige (bijzondere) ambtenaren van de burgerlijke stand weigerden het huwelijk te voltrekken van lesbische stellen in verband met geloofsovertuiging (de zogenoemde ‘weigerambtenaar’). Dit heeft geleid tot een wijziging van artikel 16 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 5 van de Algemene wet gelijke behandeling. Kortweg leiden deze aanpassingen ertoe dat gemeenten een persoon die in de uitoefening van zijn ambt onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling niet meer tot (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen benoemen.
 
Na de inwerkingtreding van de Ambtenarenwet 2017 zijn de grondrechten als volgt in de wet geregeld:[14]

Artikel 10
1.         De ambtenaar onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
2.         Het eerste lid is, voor wat betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van:
a. een politieke groepering waarvan de aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de Kieswet;
b. een vakvereniging.

 
Artikel 11
De ambtenaar is verplicht tijdens het verblijf op zijn werk zich te onderwerpen aan een in het belang van de dienst door de overheidswerkgever gelast onderzoek aan zijn lichaam of aan zijn kleding of van zijn daar aanwezige goederen. De overheidswerkgever op wiens last het onderzoek plaatsheeft, neemt de nodige maatregelen ten einde daarbij een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.

 
Voor de groepen overheidswerkgever die zijn uitgezonderd van de werking van de Ambtenarenwet 2017 is men op dit moment druk doende om de voor die groepen geldende specifieke wetgeving (de Politiewet 2012 en de Militaire ambtenarenwet 1931) aan te passen om onder meer invulling te kunnen geven aan de grondwettelijke opdracht en meer in het bijzonder de mogelijkheid om onder meer grondrechten te beperken een wettelijke basis te geven. De wettelijke basis van de Ambtenarenwet 2017 valt voor de uitgezonderde groepen overheidsmedewerkers immers weg omdat die groepen niet meer vallen onder de Ambtenarenwet 2017. Dit volgt uit het feit dat de medewerkers niet kwalificeren als ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 2017 of uit het feit dat het overheidsorgaan niet kwalificeert als overheidswerkgever in de zin van de Ambtenarenwet 2017.
 

3. Jurisprudentie

- CRvB 16 november 1989, AB 1991, 24, m.nt. HH.
 

4. Literatuur

- Ambtenaar met gewetensbezwaren, NJB 1989, p. 171.
- E.F.C. Francken i.s.m. P.L. de Vos, Compendium van het ambtenarenrecht, Deventer 1992.
- H.J.M. Jeukens, Het Ambtenarenrecht, Alphen a/d Rijn 1959.
- Handelingen 1982 der Nederlandse Juristen‑Vereniging, deel 1, eerste stuk, preadviezen E.P. de Jong en C.R. Niessen, Zwolle 1982.
- M.J.S. Korteweg‑Wiers e.a., Hoofdlijnen van het ambtenarenrecht, 's‑Gravenhage 1988.
- H. Krabbe, De Burgerlijke staatsdienst in Nederland.
- C.J.G. Olde Kalter, Overheidspersoneel en grondrechten, Preadvies VAR 1979.
- C.J.G. Olde Kalter, Wijziging Ambtenarenwet 1929 ter zake van de uitoefening van grondrechten, AA 1989,p. 277.
- Rapport: De ambtenaar met gewetensbezwaren, Ministerie van Binnenlandse Zaken, Den Haag 1983.
- S.F.H. Jellinghaus en E. Huisman, Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, Tekst & Toelichting, BerghauserPont 2016
- S.F.H. Jellinghaus en K. Maessen, Normalisatie van het ambtenarenrecht, Vakmedia 2019
- B. Barendse, N. Hummel en S.F.H. Jellinghaus (red.), van ambtenaar naar ambtenaar: de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren, Celcius Juridische Uitgeverij 2018.
 

5. Historische versies

Art. 39 Gw 1814: De Souvereine Vorst beschikt over de Vloten en Legers. Alle de militaire Officieren worden door Hem benoemd en, daartoe termen zijnde, op pensioen gesteld of, des noods, ontslagen.

Art. 40 Gw 1814: De Souvereine Vorst heeft het opperbestuur der algemeene geldmiddelen. Hij regelt de tractementen van alle Kollegien en Ambtenaren, welke uit 's Lands kasse betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staats‑behoeften. Art. 59 Gw 1815: De Koning heeft het oppergezag over de vloten en legers. De Militaire‑Officieren worden door Hem benoemd en ontslagen, of, daartoe termen zijnde, op pensioen gesteld (art. 58 Gw 1840).

Art. 61 Gw 1815: De Koning heeft het opperbestuur van de algemene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle kollegien en ambtenaren die uit 's Lands kas betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staatsbehoeften (art. 60 Gw 1840). Art. 58 Gw 1848: De Koning heeft het oppergezag over zee‑ en landmagt. De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.
De pensioenen worden door de wet geregeld (art. 60 Gw 1887; art. 59 Gw 1922; art. 61 Gw 1938; art. 68 Gw 1953; art. 68 Gw 1956, behoudens dat de woorden `zee‑ en landmagt' zijn vervangen door: de krijgsmacht). De bezoldiging der ambtenaren van de regterlijke magt wordt door de wet geregeld (art. 60 Gw 1840). Art. 61, eerste, tweede en vierde lid, Gw 1848: De Koning heeft het opperbestuur van de algemene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Lands kas worden betaald. De wet regelt de bezoldiging van de ambtenaren der regterlijke macht. De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.

Art. 63, eerste, tweede en vierde lid, Gw 1887:
De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Rijks kas worden betaald.
De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt.
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld (art. 65, eerste en tweede en vierde lid, Gw 1938; art. 72, eerste, tweede en vierde lid, Gw 1953).
 

Noten

  1. Stb. 1983, 70.
  2. Kamerstukken II 1977/78, 15 048, nr. 3.
  3. J.T. Buys, De Grondwet, Toelichting en Kritiek, deel I, Arnhem 1883, p. 336.
  4. Ibid.
  5. Kamerstukken II 1977/78, 15 048, nr. 3, p. 4-5 (Nng Vd, p. 125-126).
  6. Kamerstukken II 2010/11, 32 550, nr. 3, p. 13.
  7. Ibid.
  8. Stb. 2017, 123.
  9. Kamerstukken II 2010/11, 32 550, nr. 3, p. 10.
  10. Kamerstukken II 1977/78, 15 048, nr. 3, p. 6.
  11. Kamerstukken II 1979/80, 15 048, nr. 7. p. 4.
  12. ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4285.
  13. Kamerstukken II 1975/76, 13 872.
  14. Handelingen I 2016-2017, nr. 1, item 8.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    S. Jellinghaus & E. Huisman, Commentaar op artikel 109 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Rechtspositie ambtenaren

De wetgever moet de rechtspositie van het overheidspersoneel regelen. Dat is van groot belang voor het goed functioneren van de openbare dienst, en daarmee voor de gehele samenleving. Ambtenaren dienen immers in naam van de overheid het algemeen belang. Artikel 109 Grondwet vormt de basis voor onder meer de Ambtenarenwet en enkele andere wettelijke regelingen die de rechtspositie van ambtenaren betreffen. De rechtspositie van de ambtenarij was tot 1929 (en voor een deel van de ambtenaren daarna ook nog, tot de totstandkoming van deze grondwetsbepaling) bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur (artikel 89 Grondwet) geregeld.
 
Ambtenaren hebben, net als andere burgers, fundamentele rechten en vrijheden, terwijl ze tegelijk het algemeen belang moeten dienen. In de Ambtenarenwet is een bepaling opgenomen over de uitoefening van een aantal vrijheidsrechten door ambtenaren. Ambtenaren behoren zich te onthouden van het uiten van gedachten of gevoelens en mogen niet deelnemen aan demonstraties of lid zijn van verenigingen wanneer daardoor de vervulling van hun functie of het goede functioneren van de openbare dienst zou worden geschaad. Ambtenaren handelen immers in naam van de overheid, die al haar burgers gelijk en met respect dient te bejegenen.
 
De Ambtenarenwet legt geen beperkingen op aan de vrijheid van godsdienst van ambtenaren. Juist op dat terrein zijn de laatste jaren spanningen optreden. Een voorbeeld is de ambtenaar van de burgerlijke stand die vanuit een religieuze overtuiging geen homohuwelijk wil sluiten. De Grondwet en de wetgeving bieden hier vooralsnog onvoldoende houvast; in voorkomende gevallen zal de rechter moeten bepalen wat de precieze betekenis van de grondrechten is.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Rechtspositie ambtenaren

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Rechtspositie ambtenaren

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Rechtspositie ambtenaren

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Rechtspositie ambtenaren

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Rechtspositie ambtenaren

  • Tweede Kamerleden Koser Kaya en Van Hijum pleiten voor hervorming van de rechtspositie van ambtenaren
Tweede Kamerleden Koser Kaya en Van Hijum pleiten voor hervorming van de rechtspositie van ambtenaren
Blogs

Rechtspositie ambtenaren

In de wereld

Rechtspositie ambtenaren