CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.M.H. Hirsch Ballin

ARTIKEL 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

INHOUD
  1. Inleiding
  2. Beslissingen over het internationaal regeringsbeleid
  3. Parlementaire discussie
  4. Reikwijdte en gevolgen
  5. EU- en NAVO-beleid
  6. Jurisprudentie
  7. Literatuur
  8. Historische versies
 

Editie december 2015

1 Inleiding

Sinds een kwart eeuw sterk is militair optreden buiten het eigen grondgebied voor andere doeleinden dan de traditionele landsverdediging een onderwerp van groot politiek belang geworden. De opneming van artikel 100 in de Grondwet is het resultaat van een discussie over de parlementaire betrokkenheid bij deze defensietaak. De kleine grondwetsherziening van 2000 betrof de grondwettelijke verankering van de krijgsmacht en haar taken. In feite ging het hier om de verlate voltooiing van het betreffende onderdeel van de algehele grondwetsherziening van 1983, na het stranden van twee eerdere pogingen (zie het commentaar bij de artikelen 96 en 97).
 
Het in 1998 ingediende voorstel van rijkswet voor de eerste lezing[1] voorzag in een modernisering van de bepalingen omtrent de verdediging. Aangezien de dienstplicht al door de tussentijdse grondwetswijziging van 1998 facultatief was geworden (zie het commentaar bij artikel 98) was de opneming van artikel 100 de belangrijkste inhoudelijke vernieuwing in de grondwetsherziening van 2000. Ze kwam voort uit een fundamentele verandering in de internationale veiligheid na de val van de Muur in 1989 en de ontbinding van het Warschaupact. Net als in andere landen in Europa leefde ook hier de overtuiging dat verdediging tegen een op het Nederlandse grondgebied gerichte aanval niet meer aan de orde was en dat wereldwijd de verhoudingen tussen staten steeds meer door de internationale rechtsorde en de vreedzame oplossing van geschillen zouden worden beheerst. Verstoringen daarvan, zoals in de jaren negentig in de Balkan en aan de Perzische Golf, zouden via de Verenigde Naties en eventueel ook door andere multilaterale interventies moeten worden bestreden. De Nederlandse krijgsmacht nam hieraan bij herhaling deel. Voorbeelden daarvan waren de op 17 januari 1991 begonnen Operation Desert Storm ter bevrijding van het door Irak geannexeerde Kuwait, op basis van resolutie 678 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,[2] de uitzending van een “peacekeeping force” naar Kroatië en Bosnië-Herzegovina in opdracht van de Veiligheidsraad (UNPROFOR)[3] en de – niet vooraf door de Verenigde Naties geautoriseerde – tegen Servië gerichte NAVO-interventie ter bescherming van de bevolking van Kosovo in 1998-1999.

2 Beslissingen over het internationaal
   regeringsbeleid

Het besef van de verstrekkende gevolgen van zulke besluiten – zowel voor de internationale positie van het Koninkrijk als voor de deelnemende Nederlandse militairen – leidde al tot een intensivering van de politieke aandacht voor de te verrichten beoordeling. In een in 1994 aangenomen motie, voorgesteld door het GPV-kamerlid, de latere minister van Defensie Eimert van Middelkoop, vroeg de Kamer om een regeling die de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij uitzending van Nederlandse militairen zou waarborgen. De precieze tekst van de motie is als volgt: “Overwegende, dat in het licht van de ingrijpend gewijzigde internationale omstandigheden de betrokkenheid van het parlement bij de uitzending van militaire eenheden bijzondere aandacht verdient; verzoekt de regering een regeling voor te bereiden waarin is vastgesteld dat het parlement bij uitzendingen van militaire eenheden een formeel instemmingsrecht wordt verleend, […]”.[4]
 
De reactie van regeringszijde was afwijzend, waarbij de paradoxale argumentatie werd gevolgd dat een instemmingsrecht[5] materieel toch wel aan de Kamer toekomt, maar formeel de handen teveel zou binden en constitutioneel ongepast zou zijn in verhouding tot het oppergezag van de regering over de krijgsmacht (artikel 97, tweede lid). Elzinga, De Lange en Hoogers noemen dit terecht een curieuze redenering, omdat de Grondwet zich in artikel 97 de bevoegdheid niet kan ontnemen om een nadere regeling voor parlementaire betrokkenheid bij bepaalde besluiten te treffen.[6] Als de Grondwet, net als in artikel 96, parlementaire toestemming zou vereisen, zou dat de constitutionele verhoudingen bepalen.
 
Men zou zich zelfs kunnen afvragen of besluiten omtrent deelneming aan militair optreden buiten het Koninkrijk niet juist onderscheiden moeten worden van het gewone opperbestuur. Artikel 96 vereist parlementaire toestemming voor het “in oorlog” verklaren van het Koninkrijk, omdat dit een “rechtstoestand” betreft met zowel volkenrechtelijk als nationaalrechtelijk betekenis. De inzet van de krijgsmacht die in geval van oorlog noodzakelijk is, zal uiteraard deel uitmaken van de beoordeling in de door artikel 96 vereiste parlementaire besluitvorming.

Bron: Ministerie van Defensie (1918), https://www.defensie.nl/actueel/fotos/huidige-missies

Deelneming aan de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde is geen oorlog, maar wordt in de verhouding tussen soevereine staten wel als een uitzonderingssituatie beschouwd die een bijzondere internationaalrechtelijke legitimatie behoeft, in de regel een mandaat van de Veiligheidsraad.

3 Parlementaire discussie

De regering veranderde niet van gedachten. In het wetsvoorstel van 1997 voor de in 2000 voltooide grondwetsherziening wilde zij niet verder gaan dan een “actieve informatieplicht”, met bovendien een ontsnappingsclausule voor het geval “dwingende redenen” in de weg staan aan het vooraf verstrekken van inlichtingen. De constitutionele verhoudingen vereisten dat de regering het besluit zou nemen en het parlement “slechts”, na te zijn geïnformeerd, zou mogen controleren. Over de inhoud van de inlichtingen vermeldt de toelichting: “Bij het verstrekken van inlichtingen overeenkomstig de voorgestelde bepaling zal aandacht worden besteed aan de politieke en juridische aspecten alsmede aan de operationele aspecten, waaronder omvang en duur van de inzet of de terbeschikkingstelling, en de daaraan verbonden risico’s.”[7]
 
De in 1997 voorgestelde tekst week als gevolg van de aanneming van een amendement van de Kamerleden Van Middelkoop en Hoekema op twee punten af van de uiteindelijk aanvaarde tekst: zowel in het eerste als in het tweede lid stond niet “vooraf”, maar “tijdig”. De regering stelde in de memorie van toelichting dat “tevens – met inachtneming van de bestaande verhouding tussen de regering en de Staten-Generaal – uitvoering [werd gegeven] aan de strekking van de door de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Van Middelkoop c.s., met welkemotie werd verzocht een regeling voor te bereiden ten einde het parlement bij uitzending van militaire eenheden een formeel instemmingsrecht te verlenen.”[8] De toevoeging tussen de liggende streepjes was te danken aan een opmerking van de Raad van State, die er in zijn advies op had gewezen dat er nu juist geen instemmingsvereiste zoals in de motie was gevraagd, werd voorgesteld.[9] In het nader rapport gaf het kabinet wat meer argumentatie dan in de memorie van toelichting op het afwijzen van een instemmingsvereiste: “Het grondwettelijk vastleggen van een medebeslissingsrecht van de Staten-Generaal zou binnen de huidige inrichting van ons staatsbestel overigens meebrengen dat de formele wetsprocedure dan wel een gelijkluidend besluit van beide kamers of een besluit van de verenigde vergadering nodig is voor de goedkeuring van of toestemming voor een voorgenomen inzet of terbeschikkingstelling van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde.”[10] De stellers van de memorie van toelichting stond blijkbaar niet helder voor ogen dat bij de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht een toen reeds enige jaren functionerende instemmingsprocedure was geïntroduceerd inzake de heel wat vaker voorkomende besluiten van de Raad van de Europese Unie op het terrein van de toenmalige derde pijler (Justitie en Binnenlandse Zaken): voorafgaand aan elke vergadering dienden de het Koninkrijk bindende ontwerpbesluiten te worden voorgelegd aan de beide Kamers, die daarover in hoog tempo – wat de Tweede kamer betreft na een vergadering van de betrokken Kamercommissie met de bewindslieden – beslisten.
 
Ondanks de zwakke onderbouwing van de bezwaren liet de meerderheid van de Kamer de strikte lijn van de motie-Van Middelkoop los. Een door het toenmalige CDA-Kamerlid Koekkoek – bij leven redacteur van dit commentaar – voorgesteld amendement om wel (stilzwijgende dan wel op verzoek van 1/5 van de leden van een der Kamers uitdrukkelijke) instemming van de Staten-Generaal te eisen,[11] haalde het niet, waarbij bedenkingen tegen de duur en de zwaarte van de in het amendement voorgestelde procedure een rol speelden. Minister van Binnenlandse Zaken H.F. Dijkstal betoogde dat de door de regering voorgestelde inlichtingenplicht de Kamer de ruimte bood, de inzet van de krijgsmacht “af te keuren”, wat op hetzelfde zou neerkomen als niet instemmen.[12]
 
Men kan deze uitkomst betreuren omdat de argumenten van kabinetszijde niet steekhoudend zijn, maar de Kamer toonde hier meer politieke realiteitszin dan het kabinet in de quasi-constitutionele argumentatie over de verhouding tussen regering en parlement van de memorie van toelichting. In de praktijk is het ondenkbaar dat een kabinet een Kameruitspraak zou negeren die deelneming aan zulk militair optreden afwijst. Niet alleen voor het doorgang vinden van zo’n missie, maar ook voor het voortbestaan van het kabinet is het onmisbaar dat de besluitvorming over zulke gevoelige besluiten, waarbij mensenlevens betrokken zijn, politiek gesteund wordt door een – liefst brede - meerderheid. Begin 2010 deed zich de situatie voor dat het vierde kabinet-Balkenende mogelijk een zogenaamde artikel 100-brief – dat wil zeggen het stuk waarin het kabinet de in dat artikel vereiste inlichtingen verstrekt - zou willen doen uitgaan inzake voortzetting van Nederlandse deelneming aan de door de Veiligheidsraad geautoriseerde militaire missie van ISAF, onder leiding van de NAVO, in Afghanistan. Toen het meerderheidsbesluit van het kabinet om de voorbereiding van zo’n brief voort te zetten, voor de ministers behorende tot de PvdA aanleiding was af te treden, heeft het sindsdien demissionaire vierde kabinet-Balkenende niet overwogen om toch nog via een artikel 100-brief een andere meerderheid in de Kamer te zoeken, ongetwijfeld in het kader van de terughoudendheid waartoe het zich jegens de Kamer had verplicht.[13] Artikel 100 is dus vooral van betekenis in het proces van consensusvorming tussen regering en parlement.

4 Reikwijdte en gevolgen

In de realiteit van de internationale betrekkingen is voor staten die – zoals het Koninkrijk – het volkenrecht respecteren, het ontketenen van een oorlog geen instrument van buitenlandse politiek meer. Als het Koninkrijk wordt aangevallen of zich een situatie van collectieve zelfverdediging voordoet (artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, artikel 5 Noord-Atlantisch Verdrag, artikel 42, zevende lid, Verdrag betreffende de Europese Unie) voordoet, is de rechtmatige inzet van de krijgsmacht ook helemaal niet afhankelijk van een oorlogsverklaring. Dit betekent dat artikel 100 niet zozeer in contrast met artikel 96, maar tegen de achtergrond van de limitatieve opsomming van de functies van de krijgsmacht in artikel 97 moet worden bezien. Artikel 97 noemt drie functies: (a) “verdediging van het Koninkrijk” (waar de collectieve zelfverdediging onder wordt begrepen), (b) “bescherming van de belangen van het Koninkrijk” (hetgeen kleinschalig defensief geweld zoals het beschermen van Nederlandse schepen tegen piraten omvat, alsmede binnenlandse en internationale hulpverlening bij rampen en bijstand aan de politie; zie het commentaar op artikel 97), en (c)  de bevordering van de internationale rechtsorde inclusief humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.
 
Op artikel 42, zevende lid, is – voor het eerst – een beroep gedaan door Frankrijk na de terroristische aanvallen van 13 november 2015 in Parijs. Deze bepaling – die in de plaats is gekomen van de collectieve zelfverdediging door de toenmalige West-Europese Unie en naast de algemene solidariteitsclausule van artikel 222 VWEU staat – verplicht de lidstaten om indien “een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen”, hulp en bijstand te verlenen. Denemarken is in Protocol 22 bij het Verdrag van Lissabon van de samenwerking op dit terrein ontheven. De Engelse tekst spreekt niet van een aanval (“attack”), maar van “armed aggression”, hetgeen een ruimere betekenis van deze bepaling lijkt te impliceren.[14] 
 
In de opvatting die door opeenvolgende kabinetten zijn uitgesproken over de betekenis van artikel 100 zitten twee merkwaardige elementen. De ene is dat bij de functies (a) en (b) geen inlichtingen vooraf hoeven te worden verstrekt aan het parlement. Weliswaar haast het kabinet zich keer op keer (zie de recente discussie over de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF)) te verklaren dat dit “indien mogelijk” toch zal geschieden, maar indien het vooraf informeren niet mogelijk is, lijdt de inlichtingenplicht van artikel 100 evenzeer uitzondering. Nu in de huidige constitutionele verhoudingen van ministers sowieso wordt verwacht dat ze de Kamer op de hoogte stellen van belangrijke beslissingen en ontwikkelingen, is de beperking van artikel 100 tot taak c weinig zinvol. Men kan artikel 100 dus zien als een partiële vastlegging van wat in de verhouding tussen regeringen en parlement in de huidige constitutionele verhoudingen altijd geboden is, namelijk vooraf deugdelijk informeren van Kamers (het gaat om de Staten-Generaal, dus óók de Eerste Kamer) en samenleving over ingrijpende beslissingen. Dwingende redenen, zegt artikel 100, tweede lid, kunnen daaraan in de weg staan (anders zouden ze ook niet “dwingend” zijn), maar dat geldt ook voor de algemene informatieplicht. Wel heeft de discussie over dit onderwerp al voorafgaand aan de opneming van artikel 100 in de Grondwet ertoe geleid dat het kabinet zich verplichtte een beoordelingskader te hanteren bij de besluitvorming.
 
De sinds 2000 tot de Kamer gerichte “artikel 100-brieven” plegen aanleiding te zijn tot een intensieve bespreking. Ook de inrichting van de informatievoorziening komt daarbij regelmatig aan de orde, zoals in de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over de werking van artikel 100 van 22 januari 2014.[15] Een toetsingskader – laatstelijk herzien in 2014 – omschrijft welke onderwerpen in de brieven aan de orde moeten komen. Het toetsingskader verlangt vooral een beschrijving van de juridische en internationaalpolitieke basis van de actie, naast een beschrijving van het conflict en van de typen activiteiten – waaronder wederopbouwactiviteiten met het karakter van bijzondere ontwikkelingssamenwerking –, de aan de actie verbonden risico’s, de duur van de deelneming en de financiering. De wezenlijke vraag wat het resultaat zou moeten zijn van de militaire acties krijgt merkwaardigerwijs geen systematische aandacht, hetgeen afbreuk doet aan de kwaliteit van de politieke meningsvorming naar aanleiding van toepassing van artikel 100 Gw.
 
Het tempo van internationale besluitvorming en de urgentie van de situatie waarin opgetreden moet worden, kan meebrengen dat de tijd ontbreekt voor parlementaire beraadslagingen (al leert de praktijk dat vaak de zwaarste onderwerpen met de kortste voorbereidingstijd worden besproken). Betekent dit dan dat het geven van informatie geheel achterwege moet – en gelet op artikel 100, tweede lid – mag blijven? Niet vanzelf. Vrijwel altijd zal enige informatie vooraf kunnen worden gegeven. De ratio van de uitzondering van het tweede lid brengt mee, dat die informatie er dan ook moet komen – en als het kabinet dat anders zou zien, zal vanuit de Kamer een beroep worden gedaan op artikel 68 van de Grondwet. Mogelijk moet het Toetsingskader dan minder tot in detail worden gehanteerd; verdere informatie volgt achteraf. Het antwoord op de vraag of artikel 100 geldt bij acuut noodzakelijke missies is uiteraard bevestigend, voor zover het gaat om missies die niet onder verdragsverplichtingen tot collectieve zelfverdediging vallen.  Met inachtneming van het tweede lid, zal het sjabloon daarvoor – het eerder genoemde Toetsingskader – echter wegens de vereiste snelheid mogelijk niet of vereenvoudigd moeten worden toegepast.

5 EU- en NAVO-beleid

De ontwikkeling van de internationale verhoudingen brengt mee dat de bevordering van de internationale rechtsorde een steeds belangrijker categorie in het optreden van de krijgsmacht is geworden. Dit kan – al hoeft dit niet het geval te zijn – neerkomen op zeer snel militair handelen. De Nederlandse krijgsmacht beschikt over capaciteiten daarvoor zowel bij de Marine als bij de Luchtmacht in samenspel met de Landmacht. Dezelfde soort capaciteiten worden echter ook gevraagd bij EU- en NAVO-interventies om agressie te stoppen of een niet als staat erkende gewelddadige vijand (infiltranten die zich als opstandelingen voordoen, terroristische bewegingen en bewapende misdaadsyndicaten) te bestrijden.
 
Kamer en kabinet hebben in 2014 opnieuw gediscussieerd over de vraag of verbreding van de reikwijdte van artikel 100 tot alle buitenlandse militaire operaties wenselijk is, zoals was gevraagd in een motie-Van Dam/Ten Broeke.[16] Deze kwestie is met name van belang voor optreden in EU- en NAVO-verband. Het kabinet bevestigde zijn afwijzende standpunt, waarbij steeds werd verwezen naar het verdragsrechtelijk gebonden karakter van andere militaire acties.[17] Het toegenomen belang van “snelle reactiemachten” in EU- en NAVO-verband heeft het kabinet ertoe gebracht, advies te vragen aan de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV), welk advies in oktober 2015 is uitgebracht.[18]

6 Jurisprudentie

Denkbaar is dat in discussies over de rechtmatigheid van militair optreden in het buitenland een rol zal spelen, wat de regering de Kamers daarover heeft doen weten. Zulke jurisprudentie is er echter voorshands niet.

7 Literatuur

- L.F.M. Besselink, ‘Van constitutionele beslissingsmacht tot vermeende zeggenschap: parlementaire betrokkenheid bij de deelname van de
Nederlandse krijgsmacht aan internationale militaire operaties’,
in: M. van Damme (red.), De Grondwet en het inzetten van strijdkrachten,
Antwerpen: Maklu 2005, p. 137-173.
- L.F.M. Besselink, ‘Geweldsmonopolie, Grondwet en krijgsmacht’, in: R. de Lange (red.), Grondwet, krijgsmacht en oorlog, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 39-66.
- Anamarija Kristić, De Staten-Generaal en de inzet van de Nederlandse krijgsmacht. Een onderzoek naar de parlementaire betrokkenheid bij de besluitvorming over deelname aan internationale militaire operaties (diss. Tilburg University), Deventer: Kluwer 2012.
- Onderzoek NATO Response Force, Kamerstukken II 2005–2006, 30 162, nrs. 4–5

8 Historische versies

Art. 205 Gw 1815: Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten‑generaal in dienst genomen; de capitulatien dien aangaande door den Koning gemaakt, worden aan de Staten‑Generaal medegedeeld, zoo dra hij zulks geraden oordeelt (art. 203 Gw 1840).
Art. 179 Gw. 1848: Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten‑Generaal in dienst genomen.
Art. 182 Gw 1887: Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen (art. 184 Gw 1922; art. 190 Gw 1938; art. 197 Gw 1953).
 

Noten

  1. Kamerstukken 25367 (R1593), leidende tot de rijkswet van 5 maart 1998, Stb. 138; tweede lezing Kamerstukken 26243 (R 1622), leidende tot de rijkswet van 22 juni 2000 tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verdediging, in het Staatsblad geplaatst op 18 juli 2000, Stb. 294 en dus overeenkomstig artikel 139 Gw daags daarna in werking getreden.
  2. Resolutie 678 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (29 november 1990), UN Doc S/RES/678.
  3. Zie ook Resolutie 743 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (21 februari 1992), UN Doc S/RES/743.
  4. Zie Handelingen II 1994/95, 38, p. 2680-2684, tevens Kamerstukken II 1993/94, 23 591, 2, zoals aangehaald in Anamarija Kristic, De Staten-Generaal en de inzet van de krijgsmacht. Een onderzoek naar de parlementaire betrokkenheid bij de besluitvorming over deelname aan internationale militaire operaties (diss. Tilburg University), Deventer: Kluwer 2012, p. 61, n. 121.
  5. L.F.M. Besselink merkt in een advies aan de Tweede Kamer terecht op dat de term “instemmingsrecht” ongelukkig is: bedoeld is een toestemmingsvereiste (Kamerstukken II 2005/06, 30 162, 4–5, p. 44).
  6. D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 758-759.
  7. Kamerstukken II 1996/97, 25 367 (R 1593), 3, p. 6.
  8. Kamerstukken II 1996/97, 25 367 (R 1593), 3, p. 1-2.
  9. Kamerstukken II 1996/97, 25 367 (R 1593), B, p. 2-3.
  10. Kamerstukken II 1996/97, 25 367 (R 1593), B, p. 3.
  11. Kamerstukken II 1997/98, 25 367 (R 1593), 10.
  12. Handelingen II 1997/98, 13 januari 1998, p. 40-3266.
  13. Kamerstukken II 2009/10, 32 324, 3.
  14. Vgl. H.-J. Blanke & S. Mangiameli, The Treaty on European Union, A Commentary, Heidelberg / New York / Dordrecht / London, Springer 2013pp. 1224-1225.
  15. Kamerstukken II 2013/14, 29 521, 226.
  16. Kamerstukken II 2009/10, 30162, 9.
  17. Kamerstukken II 2013/14, 29 521, 245, p. 5.
  18. Adviesraad Internationale Vraagstukken, Inzet van snelle reactiemachten (bijlage bij Kamerstuk II 2014/2015, 29521, 301, ook als advies nr. 96 te raadplegen op http://aiv-advies.nl/download/27aefc26-7e40-41fc-ab2d-77317dc6dac6.pdf ).

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    E.M.H. Hirsch Ballin, Commentaar op artikel 100 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Inlichtingen over krijgsmacht

De uitzending van Nederlandse strijdkrachten naar oorlogsgebieden in het kader van internationale vredesoperaties is een ingrijpende beslissing. Gevechtshandelingen kunnen immers mensenlevens kosten. Een besluit tot uitzending wordt genomen door de regering, omdat de ontwikkelingen op internationaal niveau vaak om snelle beslissingen vragen. Vanwege de ingrijpendheid van zo’n beslissing garandeert de Grondwet toch een vorm van parlementaire betrokkenheid. De regering moet de beide kamers van de Staten-Generaal vooraf informeren over een uitzendingsbesluit, tenzij dat om dringende redenen niet kan; in dat geval worden de kamers zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.
 
De Grondwet eist alleen dat de Staten-Generaal worden geïnformeerd, niet dat zij met het besluit moeten instemmen. De regering kan, na de Staten-Generaal te hebben geïnformeerd, zelf tot uitzending besluiten, ook wanneer een meerderheid in de kamers er tegen zou zijn. In de praktijk zoekt de regering toch steeds naar een breed draagvlak in de Staten-Generaal voor een besluit tot uitzending; wanneer er breed verzet in de kamers is, zal niet snel tot uitzending worden besloten.
 
Een complicatie daarbij is dat de eventuele uitzending gewoonlijk in samenwerking met andere staten in het verband van de Verenigde Naties of de NAVO geschiedt. Een Nederlandse bijdrage in een of andere vorm is dan, uit solidariteit met de andere deelnemende staten en uit medeverantwoordelijkheid voor de bescherming van de internationale rechtsorde, in politiek opzicht bijna een verplichting. In zo’n geval zou een sterk afwijzende reactie van de Staten-Generaal de regering voor een moeilijke afweging plaatsen.
Achtergronden

Inlichtingen over krijgsmacht

Het rapport van de Commmissie Davids, over de besluitvorming over de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak. 

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Inlichtingen over krijgsmacht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Inlichtingen over krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Inlichtingen over krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Inlichtingen over krijgsmacht

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Inlichtingen over krijgsmacht

  • Resignation speech Robin Cook
Resignation speech Robin Cook

Speech gegeven in het parlement bij het ontslag dat minister van Buitenlandse zaken Robin Cook nam voorafgaand aan de oorlog in Irak.

Blogs

Inlichtingen over krijgsmacht

In de wereld

Inlichtingen over krijgsmacht