CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops en R. Passchier
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buitenstaatverklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buitenstaatverklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.
HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen als bedoeld in artikel 132a en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 132a - Caribische openbare lichamen

  1. Bij de wet kunnen in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten worden ingesteld en opgeheven.

  2. De artikelen 124, 125 en 127 tot en met 132 zijn ten aanzien van deze openbare lichamen van overeenkomstige toepassing.

  3. In deze openbare lichamen worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

  4. Voor deze openbare lichamen kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

M.M. Groothuis

ARTIKEL 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Betekenis van artikel 10 Grondwet
  3. Europees- en internationaalrechtelijk kader
  4. Voorstellen en discussie over de wenselijkheid van modernisering van artikel 10 Grondwet
  5. Afsluiting
  6. Literatuur
  7. Jurisprudentie
     
 
Editie november 2019

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis 


In de Nederlandse media en politiek is sprake van een actief debat over privacy en de bescherming van persoonsgegevens.[1] De rechtsontwikkeling vindt plaats op meerdere niveaus van de veel-lagige rechtsorde. Twee voorbeelden illustreren dit:

De Hoge Raad oordeelde [2] op 24 februari 2017 dat de Belastingdienst voor de controle van rittenregistraties in het kader van privégebruik van een auto van de zaak geen gebruik mag maken van met ANPR-camera’s vastgelegde beelden. De Hoge Raad toetste aan zowel artikel 10, eerste lid, Grondwet als artikel 8 EVRM en stelde vast dat in de betreffende gevallen geen sprake was van een voldoende precieze wettelijke grondslag.[3]

Het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde[4] op 24 september 2019 dat een zoekmachine het ‘recht te worden vergeten’ niet wereldwijd hoeft toe te passen. De exploitant van een zoekmachine is naar het oordeel van het Hof niet verplicht om links te verwijderen voor alle versies van zijn zoekmachine. Hij is daartoe wel verplicht voor alle lidstaat-specifieke versies en dient maatregelen te nemen om internetgebruikers te ontmoedigen om vanuit een van de lidstaten toegang te zoeken tot de betreffende links die worden weergegeven op de niet-EU-versies van die zoekmachine.[5]

Het klassieke concept van privacy is in 1890 geïntroduceerd door de Amerikaanse auteurs Warren en Brandeis. Zij formuleerden privacy als ‘the right to be let alone’.[6] In de Nederlandse literatuur werd de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in 1965 uitvoerig belicht in de NJV-preadviezen van De Brauw en Van Veen.[7] Zij kenden aan het begrip ‘privé-sfeer’ twee componenten toe: een fysieke – de woning en andere ruimten waar een individu zich kan afzonderen – en een overdrachtelijke – het geheel van omstandigheden waaronder een individu bepaalde gedragingen en uitingen aan de waarneming van de gemeenschap wil onttrekken.[8]
 
Sinds 1983 beschermt artikel 10, eerste lid, van de Grondwet het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Tot 1983 werden enkel onderdelen van de persoonlijke levenssfeer – het briefgeheim en de onschendbaarheid van de woning – grondwettelijk beschermd. Artikel 10 Grondwet is sinds 17 februari 1988 volledig in werking getreden.[9]
 
De opneming van een zelfstandig grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de Grondwet kan worden gezien als een uitvloeisel van protestbewegingen in de jaren zestig en de impact daarvan op de politieke besluitvorming.[10] Publicaties over de Tweede Wereldoorlog van onder meer Lou de Jong, een in de jaren 1960-1965 uitgezonden televisieserie ‘De bezetting’ en de publicatie van de tweedelige studie ‘De ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945’ van Jacques Presser (1965) leidden tot een breed maatschappelijk debat over de Jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting.De beschikbaarheid van een deugdelijke bevolkingsboekhouding in combinatie met een door de bezetter ingevoerde identificatieplicht was bij de uitvoering van de Jodenvervolging een uiterst effectief instrument gebleken.[11] Het is deze historische ervaring die het publieke debat over nieuwe vormen van gegevensverwerking door de overheid in de jaren zestig vleugels gaf. Dit debat vond plaats tegen de achtergrond van nieuwe afluister-, beeld- en geluidstechnieken[12], een snelle groei in geautomatiseerde gegevensverwerking en een sterke uitbreiding en modernisering van de overheidsadministratie, met name door de uitbouw van de verzorgingsstaat.[13]

De volkstelling van 28 februari 1971 fungeerde als cumulatiepunt van het debat over deze ontwikkelingen[14] In 1969 had de regering het Ontwerp van Wet Regelen betreffende algemene volkstellingen (Volkstellingenwet) ingediend bij de Tweede Kamer.[15] De aankondiging van de volkstelling leidde tot een publieksdiscussie. De daarin geuite bezwaren betroffen met name de vorm en methode van gegevensverzameling, de strafbaarstelling voor het niet verstrekken van gegevens in het kader van de volkstelling, de gebrekkige anonimisering van de verkregen persoonsinformatie en de risico’s van computergebruik hierbij.[16]

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp voor de Volkstellingenwet in 1970 en tijdens interpellatiedebatten in 1971 werden over de voornoemde bezwaren een reeks Kamervragen gesteld en moties ingediend.[17] Blijkens het Voorlopig Verslag bij het wetsontwerp bestond er bij de Bijzondere Commissie voor dit wetsontwerp grote belangstelling voor de bescherming van het recht op “privacy" van de burgers.[18] Commissieleden vroegen of er zekerheid bestond dat de gevraagde gegevens uitsluitend voor het beoogde doel zouden worden gebruikt.Concreet vroegen zij of verzekerd kon worden, dat de gevraagde gegevens niet aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst verstrekt zouden worden en niet gebruikt zouden worden voor fiscale doeleinden of controle van vreemdelingen. Het Kamerlid Goudsmit (D'66) verwoordde de zorgen over privacy aldus: “Deelt de Minister mijn mening dat er op het ogenblik in brede lagen van de bevolking onrust over de volkstelling – o.a. twijfel over de waarborgen t.a.v. de “privacy" en twijfel over de geheimhouding onder alle omstandigheden t.a.v. persoonsgegevens – bestaat – terecht of ten onrechte – op grond van welke onrust en twijfel velen zich voornemen geen of onvolledige of onjuiste gegevens op te geven?”[19]

Tijdens een Kamerdebat op 21 oktober 1971 diende Goudsmit een motie in, waarbij zij de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht “te bevorderen dat in de Grondwet een nieuw grondrecht wordt opgenomen, inhoudende dat iedere burger het recht heeft kennis te nemen van alle op hem betrekking hebbende gegevens die de overheid over hem heeft, behoudens uitzonderingen bij de wet te stellen.”[20] Deze motie werd op 26 oktober 1971 verworpen.[21]
 
De voorgeschiedenis van het uiteindelijk in 1983 in de Grondwet opgenomen artikel 10 (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) ging verder in drie fasen.[22]

De eerste, al eerder begonnen fase betrof een door het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgebrachte Proeve van een nieuwe grondwet (1966).[23] De opzet van deze Proeve was een  actualisering van de Grondwet voor te bereiden, waaronder de grondwettelijke bepalingen over grondrechten, voor zover noodzakelijk in aanvulling op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[24] Met betrekking tot ‘eerbiediging voor het privéleven’ bevatte de Proeve adviezen voor het herformuleren van het reeds in de Grondwet opgenomen huisrecht en het aanvullen van het ook reeds in de Grondwet opgenomen briefgeheim met een telefoongeheim.[25]

De tweede fase betrof de rapporten[26] van de Staatscommissie Cals/Donner (1967-1971). Deze Commissie was door de regering ingesteld[27] met de opdracht om te adviseren over een algehele herziening van de Grondwet. In haar op 19 september 1969 uitgebrachte Tweede Rapport adviseerde de Staatscommissie om de verschillende componenten in de waarborg tegen een inbreuk van overheidswege op de persoonlijke levenssfeer, het huisrecht, het briefgeheim en het nieuwe telefoon- en telegraafgeheim, in één artikel samen te brengen (artikel 12).[28]

In haar op 29 maart 1971 uitgebrachte Eindrapport adviseerde de Staatscommissie deze grondrechten aan te vullen met een sociaal grondrecht (artikel 84) luidende: “De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.”[29] In de toelichting overwoog de Staatscommissie dat technische en maatschappelijke ontwikkelingen het vraagstuk van de persoonlijke levenssfeer – privacy – klemmend hadden gemaakt.[30] De Staatscommissie gaf aan te hebben overwogen of aan het voorgestelde artikel 84 Grondwet een bepaling zou moeten worden toegevoegd die een grondslag zou vormen voor een regeling van rechten tot inzage en verbetering van persoonlijke gegevens. De toenemende mate waarin dergelijke gegevens werden verzameld en de betekenis die deze gegevens konden hebben voor talrijke beslissingen omtrent personen, lieten volgens de Staatscommissie de noodzaak zien van bescherming tegen fouten. De Staatscommissie kwam echter in meerderheid tot de conclusie dat opneming van een grondwettelijke bepaling die uitgaat van een aanspraak van de burger op inzage van en verbetering van over hem verzamelde gegevens, nog niet opportuun was. Wel achtte zij het wenselijk dat voor bepaalde onderdelen van het probleem een wettelijke regeling zou plaatsvinden.[31]

Enkele leden[32] van de Staatscommissie – de minderheid – achtten dit standpunt te passief. [33] Deze leden wezen op het risico dat uitwisseling en aanwending van gegevens zou kunnen plaatsvinden voor andere doeleinden dan waarvoor de gegevens waren vergaard. Er diende volgens deze leden een aanspraak voor de betrokkenen op inzage en eventuele rectificatie te worden geschapen. Zij stelden voor de volgende bepaling toe te voegen aan de Grondwet: “De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op inzage van over hen verzamelde gegevens en de bevoegdheid om daarvan verbetering te vragen.”[34]

Dit minderheidsstandpunt van de Staatscommissie kreeg ruime aandacht in een in 1974 uitgebrachte Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid van de regering Den Uyl. [35] Daarin gaf de regering aan oog te hebben voor de bezwaren die voortvloeiden uit de omstandigheid dat in toenemende mate persoonlijke gegevens werden verzameld en verwerkt. De regering achtte de totstandkoming van een wettelijke regeling gewenst. Daarnaast was de regering van mening dat in de Grondwet een opdracht aan de wetgever om regels te stellen over het recht op inzage en op verbetering van verzamelde gegevens niet mocht ontbreken.[36] Zij concludeerde: “De Grondwet dient een bepaling te bevatten inzake het recht op inzage van persoonlijke gegevens.”[37]
 
De derde fase in de voorgeschiedenis van artikel 10 Grondwet betrof de indiening en behandeling, in het kader van een algehele grondwetsherziening, van een wetsvoorstel voor een nieuw grondwetsartikel inzake eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op 2 april 1976 diende de regering een wetsontwerp in houdende Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten.[38] Artikel 1.10 van dit wetsontwerp luidde:[39]

1. leder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen van persoonsgegevens.
3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

In de memorie van toelichting bij dit voorstel stelde de regering: “Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt in onze samenleving thans terecht beschouwd als een essentiële voorwaarde voor een menswaardig bestaan en als een van de grondslagen van onze rechtsorde. Wij zijn dan ook met de staatscommissie van mening, dat aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een plaats onder de grondrechten moet worden toegekend.[40] Vervolgens overwoog de regering: “Reeds deze fundamentele betekenis van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer houdt een rechtvaardiging in om, anders dan de staatscommissie heeft aanbevolen, niet te volstaan met dit recht louter als een opdracht aan de wetgever bij de sociale grondrechten in te delen maar als een direct werkend recht in het onderhavige wetsontwerp op te nemen.”[41]
 
Tijdens de parlementaire behandeling in eerste lezing is op 23 september 1976 bij nota van wijziging in het tweede lid na het woord ‘vastleggen’ ingevoegd: ‘en verstrekken’. [42] De leden van de Kamerfracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. hadden bepleit de regelingsopdracht uit te breiden met ‘het verwerken en verstrekken van persoonsgegevens’. De regering heeft in de memorie van antwoord[43] opgemerkt, dat dit inhoudelijk aan de bedoeling beantwoordde en dat een aanvulling van het voorgestelde artikel in deze geest ook naar de mening van de regering een verbetering zou zijn. Dit gold echter vooral voor het verstrekken. Een uitdrukkelijke toevoeging van het verwerken lag naar de mening van de regering minder voor de hand.[44]
 
Het belangrijkste discussiepunt in de parlementaire behandeling van het voorgestelde artikel 1.10 Grondwet betrof de vraag of in de Grondwet ook een bepaling moest worden opgenomen over het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[45] In december 1976 dienden Kappeyne van de Coppello (VVD) c.s. een amendement in, waarbij werd voorgesteld na het eerste lid van artikel 1.10 Gw. een nieuw lid in te voegen, luidende: “leder heeft, behoudens bij de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.”[46] De regering had opneming in de Grondwet in de vorm van een apart grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam eerder ontraden, met het argument dat de lichamelijke integriteit reeds werd beschermd door het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.[47] De Tweede Kamer verwierp op 22 december 1976 het amendement Kappeyne van de Coppello c.s., waarbij de regering op verzoek van de Kamer wel toezegde een studie te zullen uitvoeren naar de problematiek van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[48] Die studie resulteerde in januari 1979 in de ‘Nota over de vraag of een bepaling over het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam in de Grondwet zou moeten worden opgenomen’.[49] Ook in deze nota werd afgeraden om het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam op te nemen in de Grondwet. Dat dit recht uiteindelijk toch in een afzonderlijk grondwetsartikel is opgenomen, is te danken aan de vasthoudendheid van een vrijwel unanieme Tweede Kamer.[50] Een motie Kappeyne van de Coppello c.s., die ertoe strekte “dat het beginsel van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam zo belangrijk is, dat het als grondrecht afzonderlijk in de Grondwet behoort te worden vermeld”[51] werd in juni 1979 met algemene stemmen aangenomen.[52] Op 5 maart 1980 diende de regering een wetsontwerp in houdende Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling betreffende het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[53] Dat leidde, na behandeling in beide Kamers, in 1983 tot opneming van het grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam in de Grondwet (artikel 11).
 
Het voorgestelde grondwetsartikel inzake eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, Artikel 1.10, bleef na de voornoemde Nota van Wijzigingen van 23 september 1978 verder ongewijzigd.[54] Dit grondwetsartikel werd, als onderdeel van de grondwetsherziening (klassieke grondrechten), na behandeling en aanvaarding in beide Kamers in eerste lezing en tweede lezing[55], in 1983 in de Grondwet opgenomen (artikel 10). Het grondwetsvoorstel is verheven tot wet en op 17 februari 1983 in het Staatsblad bekendgemaakt.[56]  Het eerste lid trad (ingevolge additioneel Artikel VI) op 17 februari 1988 in werking; het tweede en derde lid werden op 17 februari 1983 van kracht.

2. Betekenis van artikel 10 Grondwet

Betekenis van artikel 10, eerste lid, Gw.
De regering stelde in de memorie van toelichting (MvT) bij artikel 10 Gw voorop dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer naar zijn inhoud in de eerste plaats op de vrijheidssfeer van de burger betrekking heeft en als een direct werkend recht moet worden geredigeerd.[57] Dit vindt bevestiging in het directe verband met het huisrecht en het briefgeheim, die al eerder als klassieke grondrechten zijn beschouwd. Op de vraag wat onder de onder de persoonlijke levenssfeer en de eerbiediging daarvan moet worden verstaan, is de regering bij de grondwetsherziening van 1983 slechts in algemene zin ingegaan.[58] De regering stelde dat in elk geval tot de persoonlijke levenssfeer moeten worden gerekend: de woning, bepaalde vormen van communicatie (zoals het telefoongesprek, de briefwisseling en het buiten een woning gevoerde vertrouwelijke gesprek), sommige gewoonten, gedragingen, contacten, abonnementen, lidmaatschappen en bepaalde aspecten van het gezinsleven. De regering merkte op dat privacy derhalve niet iets is dat alleen ruimtelijk te begrenzen valt. [59] Ook de lichamelijke en geestelijke integriteit behoren volgens de regering tot de persoonlijke levenssfeer.[60] Ten slotte kunnen ook het vastleggen en gebruiken van persoonsgegevens een inperking vormen op artikel 10, eerste lid, Gw. In de MvT merkte de regering hierover op dat “door allerlei gegevens omtrent personen te registreren, deze in verband met elkaar te brengen en vervolgens bij het nemen van voor de persoon belangrijke beslissingen van die gegevens gebruik te maken, de privacy [kan] worden aangetast.”[61]
 
Artikel 10, eerste lid, eist, met de bewoordingen ‘behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen’, voor elke beperking een specifieke[62] formeelwettelijke grondslag.[63] Delegatie van de beperkingsbevoegdheid is daarbij toegelaten. De regering gaf in de MvT aan dat in deze grondwetsbepaling voor een “vrij ruim opgezette beperkingsbevoegdheid” is gekozen in verband met de omstandigheid dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op uiteenlopende gebieden aan de orde kan komen. Ook woog mee dat ten tijde van de totstandkoming van deze grondwetsbepaling niet volledig was te voorzien welke beperkingen noodzakelijk zouden zijn.[64]
 
Het vereiste, in artikel 10, eerste lid Gw, van een formeel-wettelijke grondslag is in de jurisprudentie nader ingekleurd:[65]

In het Zwolsman-arrest van 19 december 1995[66] betreffende de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer formuleerde de Hoge Raad de volgende hoofdregel (r.o. 6.4.2.): “In geval de Grondwet het stellen van beperkingen aan enig fundamenteel recht toelaatbaar acht, wordt zulks slechts gelegitimeerd door of krachtens een wet in formele zin.” De Hoge Raad maakte in dit arrest een uitzondering voor ‘beperkte’ inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, waarvoor de globale taakstelling van artikel 2 Politiewet 1993 een toereikende wettelijke grondslag bood.[67]

Het vereiste van een formeel-wettelijke grondslag brengt een beperking mee van de regelgevende bevoegdheid van lagere wetgevers. Illustratief in dit verband is een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 1995 (Drugspand Venlo)[68]  inzake de bevoegdheid tot sluiting van drugspanden op grond van de APV-Venlo. In deze zaak hadden burgemeester en wethouders van Venlo, met toepassing van artikel 35b, eerste lid, van de APV gemeente Venlo 1984, een woning met onmiddellijke ingang gesloten verklaard wegens overlast door drugshandel. De rechtbank Roermond oordeelde dat het besluit van burgemeester en wethouders van Venlo in strijd was met het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In hoger beroep stelde de Afdeling voorop dat een woning die als zodanig in gebruik is naar haar aard behoort tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewoners. De Afdeling overwoog dat een geslotenverklaring van een woning als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de APV-Venlo een beperking vormde van het recht, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. De Afdeling stelde vast dat een dergelijke beperking slechts is toegestaan op basis van een wet in formele zin. De Afdeling oordeelde dat in casu zulk een grondslag ontbrak en concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het bestreden besluit van burgemeester en wethouders in strijd was met artikel 10 van de Grondwet.
Inmiddels is in dit ‘beperkingsdeficit’ voorzien door de opneming van een algemene sluitingsbevoegdheid van de burgemeester wegens verstoring van de openbare orde in artikel 174a Gemeentewet[69] en wijziging van de Opiumwet, artikel 13b.[70] [71]
 
Met betrekking tot de eis van een formeel-wettelijke grondslag bij inperking van een grondrecht zijn in het bijzonder drie arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 van belang.[72] In deze zaken staat de vraag centraal of de Belastingdienst voor de controle van rittenregistraties in het kader van privégebruik van een auto van de zaak gebruik mag maken van beelden vastgelegd met ANPR-camera’s (snelweg-camera’s voorzien van ‘Automatic Number Plate Recognition’ (ANPR)). De Hoge Raad oordeelt dat het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt door de manier van het verzamelen en gebruiken van de met ANPR-camera’s verkregen gegevens. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland.[73] De Hoge Raad toetst aan zowel artikel 10, eerste lid, Grondwet als artikel 8 EVRM. Ten aanzien van artikel 10, eerste lid, Grondwet overweegt de Hoge Raaddat de woorden “behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen” in artikel 10 van de Grondwet meebrengen dat beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer slechts kunnen worden gerechtvaardigd door of krachtens een wet in formele zin.[74] De Hoge Raad oordeelt dat in de onderhavige gevallen geen sprake was van een voldoende precieze wettelijke grondslag. Daarbij overweegt de Hoge Raad[75] dat de door het Gerechtshof in de bestreden uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2015:3207) genoemde ‘algemene taakstelling van de Belastingdienst’, waarmee het Gerechtshof kennelijk het oog had op artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, niet voldoet aan dit vereiste. Dat artikel bepaalt slechts in algemene zin dat de Belastingdienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen. Artikel 20 AWR, op grond waarvan de inspecteur te weinig geheven belasting kan naheffen, biedt naar het oordeel van de Hoge Raad evenmin een voldoende precieze wettelijke grondslag voor de gevolgde handelwijze. Hetzelfde geldt voor de regeling over belastingheffing wegens privégebruik van auto’s in artikel 13bis Wet LB 1964. De Hoge Raad concludeert dat de bestreden uitspraak van het Gerechtshof niet in stand kan blijven en verklaart het beroep in cassatie gegrond.[76]

Ten slotte is in dit kader een arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2018[77]  van belang. In deze zaak is ten aanzien van de betrokkene, kentekenhouder, bij een traject-controle een snelheidsovertreding geconstateerd. De betrokkene heeft betoogd dat de foto's van de trajectcontrole niet als bewijsmiddel zouden kunnen worden gebruikt, omdat het opsporingsmiddel trajectcontrole in strijd zou zijn met het recht op privacy (artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet). Het Gerechtshof stelt in zijn arrest voorop dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schending van de privacy van belang is, dat de sanctie is opgelegd met toepassing van artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), derhalve aan de kentekenhouder. Daarbij is het voor het opleggen van de sanctie niet van belang wie de feitelijke bestuurder is geweest. Het hof overweegt dat wie de auto ten tijde van de vermeende snelheidsoverschrijding heeft bestuurd in deze zaak niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld door middel van de bij de trajectcontrole vastgelegde gegevens. Aan het hof is ambtshalve bekend dat bij foto's van trajectcontroles slechts de achterzijde van het voertuig op de foto wordt vastgelegd. Er is volgens het hof geen aanwijzing dat de bij een trajectcontrole vastgelegde gegevens direct herleidbaar zijn tot de bestuurder. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof bij de trajectcontrole geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM of van schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Grondwet.
 
Horizontale werking
 
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer leent zich ook als grondrecht voor horizontale werking: werking van grondrechten tussen burgers onderling.[78] De horizontale werking is in de rechtspraak uitdrukkelijk erkend (HR 9 januari 1987 (Bespiede bijstandsmoeder).[79]
In de praktijk gaat horizontale werking van grondrechten dikwijls samen met botsing van grondrechten.[80] Een recent voorbeeld is een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2019[81]. De zaak betrof uitlatingen in een boek over de moord op Marianne Vaatstra. Na een DNA-onderzoek is in november 2012 Jasper S. aangehouden als verdachte voor deze moord. Hij is door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar en heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld. Appellant in de onderhavige zaak is ervan overtuigd dat Jasper S. niet de moordenaar van Marianne Vaatstra is en dat deze moord is gepleegd door een asielzoeker. In een door appellant geschreven boek wordt gesuggereerd dat de moord op Marianne Vaatstra zou hebben plaatsgevonden in de caravan van geïntimeerde en wordt geïntimeerde neergezet als een leugenachtige handelaar van gestolen spul, waaronder wapens. Het Hof geeft aan dat het in casu gaat om botsing van enerzijds het recht van geïntimeerde op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer tegen lichtvaardige verdachtmakingen in de pers (artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM) en anderzijds het recht van appellant om zich vrij te kunnen uiten over mogelijke maatschappelijke mistanden (artikel 7 Gw en artikel 10 van het EVRM). Het Gerechtshof overweegt dat de onvoldoende gefundeerde zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van geïntimeerde een ernstige aantasting vormen van zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en oordeelt dat het recht van geïntimeerde om van een dergelijke inbreuk gevrijwaard te blijven in casu zwaarder weegt dan het recht van appellant op vrijheid van meningsuiting.
 
Betekenis van artikel 10 leden 2 en 3 Gw – regelingsopdrachten
 
Het tweede en derde lid van artikel 10 bevatten opdrachten aan de wetgever om regels te stellen op het terrein van de informationele privacy. Het tweede lid geeft de wetgever opdracht regels te stellen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Het derde lid is een verbijzondering van het tweede lid en geeft de wetgever de meer specifieke opdracht om regels te stellen betreffende de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van de vastgelegde gegevens. De regering heeft in 1976 in de memorie van toelichting aangegeven dat het tweede lid en derde lid niet slechts betrekking hebben op door de overheid vastgelegde persoonsgegevens. De in deze leden geformuleerde opdrachten aan de wetgever strekken zich ook uit tot ‘particuliere registraties’.[82]
 
Aan de regelingsopdracht in artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet is in de periode 1984-1994 uitvoering gegeven met de totstandkoming en inwerkingtreding van drie wetten: de Wet persoonsregistraties,[83] de Wet politieregisters[84] en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens[85].[86] Elk van deze wetten is sindsdien vervangen door latere wetgeving. De Wet persoonsregistraties is, ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG,[87] per 1 september 2001 vervangen door de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet politieregisters is per 1 januari 2008 vervangen door de Wet politiegegevens[88] en de Wet gemeentelijke basisadministraties ten slotte is per 6 januari 2014 vervangen door de Wet basisregistratie personen.[89]

Verder is aan de regelopdracht van artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet uitvoering gegeven door de inwerkingtreding per 1 september 2002 van de Wet op inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002[90], die op 1 september 2017 is vervangen door de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017[91], alsmede door de inwerkingtreding van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.[92]

Op 25 mei 2018 werd in de EU-lidstaten en dus ook in Nederland de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van kracht.[93] Deze EU-verordening, die een uitgebreide regeling betreffende bescherming van persoonsgegevens bevat,[94] verving Richtlijn 95/46/EG, waarop in Nederland de tot 25 mei 2018 geldende Wet bescherming persoonsgegevens was gebaseerd. De AVG is, samen met de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging,[95] de weerslag van een integrale herziening van het EU-gegevensbeschermingsrecht.[96] In Nederland trad op 25 mei 2018 ook de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) in werking.[97] Deze wet geeft uitvoering aan de AVG voor zover de AVG bepaalt dat de regels die zij bevat door lidstatelijk recht kunnen worden gespecificeerd of beperkt.

Over de verhouding tussen artikel 10, tweede en derde lid, Grondwet enerzijds en de AVG anderzijds heeft de regering in de memorie van toelichting bij de UAVG opgemerkt:[98] “Voor zover artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet ertoe strekt om regels vast te stellen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens en regels vast te stellen inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens, die overlappen met de bepalingen uit de verordening die rechtstreeks gelden, dient deze opdracht aan de nationale wetgever buiten toepassing te blijven. Het is immers niet toegestaan om deze materie te regelen in een nationale formele wet, wanneer hier door een verordening in is voorzien. De verordening voorziet materieel grotendeels in de regelgeving waartoe artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet opdraagt.”

Het voorgaande geldt slechts voor het toepassingsbereik van de AVG, en voor zover deze rechtstreeks werkende bepalingen bevat die geen ruimte laten aan een nationale invulling in lidstatelijk recht.[99] Voor zover het gaat om regels betreffende bescherming van de persoonlijke levenssfeer buiten de reikwijdte van de AVG (op het terrein van nationale veiligheid en op het terrein van verwerking van persoonsgegevens in het kader van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging[100]), wordt nog wel invulling gegeven aan de wetgevingsopdracht in artikel 10, tweede en derde lid, Grondwet. Dit geldt ook voor de bepalingen van de AVG waarin ruimte wordt gelaten aan lidstatelijk recht.[101] Bij de invulling van dit lidstatelijk recht dat opgesteld wordt onder de AVG is de wetgever dus nog onverkort gebonden aan de vereisten van artikel 10 van de Grondwet.

3. Europees- en internationaalrechtelijk kader

 
Het recht op eerbiediging van het privéleven is als fundamenteel recht verankerd in artikel 12 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 17 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 8 van het EVRM. Daarnaast is het recht op eerbiediging van het privéleven vastgelegd in artikel7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Grondrechtenhandvest) en zijn bepaalde aspecten van het privéleven in afzonderlijke bepalingen van het EU-Grondrechtenhandvest opgenomen (artt. 3, 8, 9).
 
Artikel 8 EVRM
 
Artikel 8 vanhet Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)[102] luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:[103]

Artikel 8. Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven.
  1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
  2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
   
Deze verdragsbepaling eist dat als een inperking (interference) [104] van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer plaatsvindt, deze 1) bij wet voorzien is (in accordance with the law), 2) een geoorloofd doel dient (legitimate aim) en 3) noodzakelijk in de democratische samenleving is (necesssary in a democratic society). Deze eisen gelden cumulatief.
 
Onder de term ‘wet’ in ‘bij de wet voorzien’ in het EVRM valt ten eerste alle wetgeving in materiele zin.[105] Ten tweede kan er ook ongeschreven recht onder vallen, bv. Engelse common law normen.[106] Ten derde valt onder de term ook een bevoegd gegeven bevel, zoals een door de burgemeester gegeven bevel zich in een aangewezen deel van de stad op te houden.[107] Het EHRM stelt aan de term ‘wet’ de eisen dat deze toegankelijk (accessible) en voorzienbaar (forseeable) moet zijn.[108] De eis van toegankelijkheid ziet op de kenbaarheid van de wet voor de burger (de wijze van bekendmaking). De eis van voorzienbaarheid houdt in dat de burger met enige zekerheid moet kunnen voorspellen wanneer er inbreuken op zijn recht kunnen worden gemaakt en zijn gedrag daarop moet kunnen afstemmen. Ten aanzien van bepaalde inbreuken op het recht op eerbiediging van het privéleven, waaronder telefoontaps en surveillance, schroeft het EHRM de eisen die voortvloeien uit ‘voorzienbaar bij wet’ in artikel 8 EVRM verder op.[109] Het EHRM stelt dan striktere eisen aan de kwaliteit van de wetgeving, bijvoorbeeld regels inzake de maximale duur van een telefoontap, de doelen waarvoor de getapte gesprekken of data worden gebruikt, de bewaartermijn voor de data en het toezicht op de telefoontap.[110]{NOO}

Een inperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet voorts een legitiem doel (legitimate aim) dienen, dat wil zeggen een of meer van de doeleinden dienen die zijn opgesomd in het tweede lid van artikel 8 EVRM.

De derde eis, dat de inperking noodzakelijk in de democratische samenleving (necessary in a democratic society) moet zijn, vormt in veel uitspraken van het EHRM de belangrijkste toets.#!111!# Een maatregel is noodzakelijk als sprake is van een ‘pressing social need’.[112] Daarbij dient de maatregel proportioneel te zijn: de inperking van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene mag niet onevenredig zijn in verhouding met het doel dat met de inperking wordt verwezenlijkt.Het proportionaliteitsbeginsel vergt ook dat er steeds een belangenafweging plaatsvindt, waarbij wordt gekeken naar de omstandigheden van het geval, het algemeen belang en de belangen die voor de betrokkene op het spel staan.[113] Hierbij komt aan de verdragsstaten van het EVRM een margin of appreciation toe.
 
Het EHRM heeft in zijn jurisprudentie aangegeven dat het begrip ‘privéleven’ zich niet leent voor het geven van een uitputtende definitie.[114] De jurisprudentie van het EHRM inzake artikel 8 EVRM is omvangrijk en bestrijkt de bescherming van privacy[115], lichamelijke en geestelijke integriteit, gegevensbescherming, correspondentie, de woning en het familie- en gezinsleven.[116]

Hoewel artikel 8 EVRM in essentie beoogt om de betrokkene te beschermen tegen willekeurige overheidsbemoeienis, betekent dit niet alleen dat de overheid zich van deze bemoeienis moet onthouden; uit artikel 8 EVRM kunnen ook positieve verplichtingen voortvloeien.[117] Via de band van de positieve verplichtingen kan artikel 8 EVRM ook doorwerken in horizontale rechtsverhoudingen.[118] In zijn jurisprudentie over artikel 8 EVRM heeft het EHRM o.m. een groot aantal situaties beoordeeld waarin het vraagstuk van gegevensbescherming naar voren kwam, in het bijzonder met betrekking tot het onderscheppen van communicatie,[119] surveillance[120] en bescherming tegen de opslag van persoonsgegevens door overheidsautoriteiten[121].[122]
 
Ten aanzien van Nederland heeft het EHRM in een tiental zaken een schending van artikel 8 EVRM vastgesteld.[123] De eerste richtinggevende EHRM-uitspraak in dit verband, X en Y t. Nederland dateert van 26 maart 1985.[124] In het jaar waarin de feiten van deze zaak plaatsvonden  - 1977 - was art. 10 Grondwet nog niet in werking getreden.[125] Artikel 8 EVRM daarentegen was wel in werking.[126] Y., de geestelijk gehandicapte dochter van X., woonde sinds 1970 in een particulier tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen. In de nacht van 14 op 15 december 1977 werd Y., die net 16 jaar was geworden, door B., de inwonende schoonzoon van de directrice, gedwongen geslachtsgemeenschap met hem te hebben. X. diende op 16 december bij de politie een klacht in voor zijn dochter, waarbij hij aangaf dat zijn dochter wegens haar geestelijke handicap niet in staat was zelf een klacht in te dienen. Nadat X had vernomen dat geen vervolging tegen B zou worden ingesteld, stelde hij beklag wegens niet-vervolging in (art 12 Sv). Het Gerechtshof Arnhem wees dit beklag op 12 juli 1979 af.[127] Daarop diende X namens Y een klacht in bij het EHRM. Op 26 maart 1985 oordeelde het EHRM dat Nederland artikel 8 EVRM had geschonden. Het EHRM stelde een leemte vast in het ten tijde van deze zaak geldende Nederlandse strafrecht. Artikel 248ter Sr (het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen) was een klachtdelict. In casu was Y juist zestien jaar geworden en daarom gerechtigd tot het indienen van een klacht. Wegens gebrekkige geestvermogens was zij daartoe echter niet in staat. Bovendien belette haar leeftijd dat zij onder curatele werd gesteld. Het voorgaande maakte dat de door haar vader – tevens haar wettelijk vertegenwoordiger – ingediende klacht niet rechtsgeldig werd geacht en niet tot vervolging kon leiden. Het EHRM oordeelde dat het ontbreken van een adequate wettelijke bescherming voor personen die in een positie zoals Y verkeerden een schending van artikel 8 EVRM opleverde.[128]
 
Recent, sinds 2012, zijn in het bijzonder drie EHRM-uitspraken over Nederland met het oordeel ‘schending van artikel 8 EVRM’ van belang. In elk van deze zaken stelt het Hof vast dat Nederland artikel 8 EVRM heeft geschonden wegens het niet voldoen aan de eis van ‘noodzakelijkheid in de democratische samenleving’ en/of ‘voorzienbaarheid bij wet’. Deze drie uitspraken illustreren dat op grond van artikel 8 EVRM indringend op rechtmatigheid wordt getoetst. Hierbij moet worden opgemerkt dat artikel 10 Grondwet, anders dan art. 8 EVRM, niet de eis stelt dat een inperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ‘noodzakelijk in de democratische samenleving’ is[129]:

De eerste uitspraak, Romet t. Nederland[130] van 14 februari 2012, betrof frauduleus gebruik van een gestolen rijbewijs. Appellant in deze zaak, B. Romet, heeft op 3 november 1995 bij de politie gemeld dat zijn rijbewijs in september van dat jaar was gestolen. Op 14 maart 1997 ontving hij een nieuw rijbewijs. In de periode tussen 3 november 1995 en 14 maart 1997 heeft de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) 1.737 voertuigen op Romets naam geregistreerd in het Kentekenregister, zonder zijn instemming. Als gevolg hiervan ontving Romet grote aantallen aanslagen motorrijtuigenbelasting. Ook is hij vele malen aansprakelijk gesteld op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en zijn hem vele boetes opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, wegens overtredingen die met de op zijn naam geregistreerde auto’s werden begaan. Hij is in gijzeling genomen wegens het niet betalen van deze boetes. Romets uitkering op grond van de Algemene bijstandswet werd beëindigd, omdat zijn vermogen geacht werd voldoende te zijn gelet op het hoge aantal op zijn naam geregistreerde voertuigen. Romet heeft zich vanaf 1996 tevergeefs gewend tot verscheidene autoriteiten met het verzoek om de situatie te rectificeren. De RDW weigerde de registraties van de motorvoertuigen op zijn naam met terugwerkende kracht te annuleren. In beroep bij de Rechtbank Rotterdam en in hoger beroep bij de ABRvS werden Romets grieven ongegrond verklaard. Ook zijn verzoek aan het gerechtshof Amsterdam om degenen te vervolgen die verantwoordelijk waren voor de overtredingen werd afgewezen. Vervolgens diende Romet een klacht op grond van artikel 8 EVRM in bij het EHRM. Op 14 februari 2012 oordeelde het EHRM dat het falen van de Nederlandse autoriteiten om Romets rijbewijs ongeldig te verklaren op het moment van de melding van vermissing van het rijbewijs, hetgeen misbruik van Romets identiteit door anderen mogelijk maakte, een inperking vormde van zijn recht op respect voor het privéleven. Over de vraag of deze inperking noodzakelijk in de democratische samenleving’ was overwoog het EHRM dat prompte administratieve actie door de autoriteiten, gericht op het onbruikbaar maken van het rijbewijs als identiteitsmiddel, mogelijk was geweest. Gelet hierop concludeerde het EHRM dat artikel 8 EVRM was geschonden.

In de tweede uitspraak, Telegraaf Media Nederland Landelijke Media B.V. e.a. t. Nederland van 22 november 2012[131], stond bronbescherming van journalisten centraal. In januari 2006 publiceerde De Telegraaf artikelen, geschreven door de journalisten De Haas en Mos, over onderzoek door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). In de artikelen werd gesuggereerd dat De Telegraaf geheime documenten onder zich had die beschikbaar waren gekomen in het criminele circuit van Amsterdam. De publicaties leidden tot drie procedures.[132] Ten eerste vorderde de Rijksrecherche afgifte van de documenten en eventuele kopieën, hetgeen De Telegraaf weigerde met een beroep op het recht op bronbescherming.[133] Ten tweede startten De Haas en Mos in juni 2006 een civielrechtelijke procedure tegen de Staat, omdat AIVD-medewerkers observatiemethoden en telefoontaps jegens hen zouden inzetten. Ten derde werden De Haas en Mos in november 2006 opgeroepen om te getuigen in een strafzaak tegen het vermoedelijke lek binnen de AIVD, waarbij zij enkele dagen werden gegijzeld. Op 29 september 2006 dienden De Telegraaf, De Haas en Mos een verzoekschrift in bij het EHRM. Zij klaagden met een beroep op de artikelen 8 en 10 EVRM over de inzet van bijzondere bevoegdheden door de AIVD en over inbeslagneming van de documenten. Met betrekking tot de inzet van bijzondere bevoegdheden door de AIVD overwoog het Hof - in het kader van de toets of deze inperking van de door de artikelen 8 en 10 EVRM beschermde rechten voldeed aan de eis van ‘voorzienbaar bij wet’ - dat het nationale recht waarborgen moet bieden tegen ‘arbitrary interference by public authorities with the rights safeguarded by Article 8 § 1 and Article 10 § 1’ (r.o. 90). Het Hof gaf aan dat het in deze zaak ging om surveillance van journalisten met het doel te achterhalen van wie zij hun informatie hadden verkregen. Het Hof overwoog, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie,[134] dat bij de inzet van bijzondere bevoegdheden door de AIVD een toetsing vooraf door een onafhankelijke autoriteit is vereist. Het Hof stelde vast dat in casu niet aan de eis van toetsing door een onafhankelijke autoriteit werd voldaan. Artikel 19 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) voorzag in controle vooraf door of namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maar deze autoriteit was niet onafhankelijk. Het Hof overwoog dat het gebrek niet kon worden gerepareerd door de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, een vaste commissie van de Tweede Kamer of de Nationale ombudsman, omdat deze alleen achteraf toezicht houden. Het Hof concludeerde dat artikel 8 en 10 EVRM waren geschonden. Het Hof oordeelde ook (in r.o. 103-132) over de inbeslagneming van de documenten door het OM. Op dat punt concludeerde het Hof dat artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting) was geschonden: de inperking van de persvrijheid was naar het oordeel van het Hof niet noodzakelijk in de democratische samenleving.

De derde uitspraak, een Grote Kamer-uitspraak in de zaak Jeunesse t. Nederland[135] van 3 oktober 2014, betrof de weigering van de Nederlandse autoriteiten om een verblijfsvergunning toe te kennen aan een Surinaamse moeder van drie in Nederland geboren kinderen. Klaagster, in deze zaak, Mw. Jeunesse, heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 12 maart 1997 is zij met een toeristenvisum naar Nederland gereisd. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van het toeristenvisum is zij in Nederland gebleven. Zij is in 1999 in het huwelijk getreden met een Nederlander en heeft drie kinderen gekregen die allen de Nederlandse nationaliteit hebben. Mw. Jeunesse heeft vijf verzoeken ter verkrijging van een verblijfsvergunning ingediend. Al deze verzoeken zijn afgewezen. Deze afwijzingen hebben standgehouden in bezwaar en beroep. Vervolgens diende Mw. Jeunesse een verzoekschrift in bij het EHRM. Het Hof stelde in zijn uitspraak voorop dat, met uitzondering van Mw. Jeunesse, alle leden van haar gezin de Nederlandse autoriteit hadden en gerechtigd waren om met elkaar een familieleven in Nederland te hebben. Ten aanzien van de vraag of in deze zaak een goed evenwicht is gevonden tussen de betrokken belangen (r.o. 113-123) overwoog het Hof dat Mw. Jeunesse al ruim zestien jaar in Nederland woonde, dat zij geen strafblad had en dat het gezinsleven van het hele gezin zou lijden onder uitzetting van Mw. Jeunesse. Het Hof overwoog voorts dat de Nederlandse autoriteiten onvoldoende aandacht hebben besteed aan de impact van hun weigering om een verblijfsvergunning aan Mw. Jeunesse toe te kennen op haar kinderen. Het Hof oordeelde dat geen goed evenwicht is gevonden tussen enerzijds het belang van Mw. Jeunesse en haar gezin op het hebben van een gezinsleven in Nederland en anderzijds de publieke belangen van de Nederlandse autoriteiten om immigratie te beheersen. Het Hof concludeerde dat artikel 8 EVRM was geschonden.
 
Verdrag van Straatsburg
 
Op 1 december 1993 trad in Nederland het Verdrag van Straatsburg (ook bekend als Verdrag nr. 108)[136] in werking. Dit verdrag bevat regels ter uitwerking van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM.[137] Het verdrag, dat oorspronkelijk tot stand kwam binnen de Raad van Europa, heeft een wereldwijde reikwijdte: ook staten die geen lid zijn van de Raad van Europa kunnen toetreden tot het Verdrag van Straatsburg. Per 1 september 2019 hebben 55 staten het Verdrag van Straatsburg geratificeerd.[138]
Sinds 2012 vinden onderhandelingen plaats over een modernisering van het Verdrag van Straatsburg.[139] Deze onderhandelingen zijn gericht op het blijven bieden van een minimumbeschermingsniveau inzake gegevensbescherming in de bij het verdrag aangesloten staten. Ook zijn de onderhandelingen erop gericht tegenstrijdigheden tussen het EU-recht en het Verdrag van Straatsburg weg te nemen.[140]
 
Bepalingen inzake het recht op privéleven in het EU-Grondrechtenhandvest
 
In het EU-recht wordt het recht op eerbiediging van het privéleven beschermd door artikel 7 van het, op 1 december 2009 in werking getreden, Handvest van de grondrechten van de EU (EU-Grondrechtenhandvest).!#141!#
Artikel 7 van het EU-Grondrechtenhandvest luidt als volgt:
‘Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.’
 
Daarnaast zijn aspecten van het recht op eerbiediging van het privéleven neergelegd in afzonderlijke bepalingen van het EU-Grondrechtenhandvest:
artikel 3: het recht op menselijke integriteit;
artikel 8: de bescherming van persoonsgegevens, en
artikel 9: het recht te huwen en het recht een gezin te stichten.
 
Artikel 52 van het EU-Grondrechtenhandvest bepaalt de reikwijdte van de in dit handvest vastgelegde rechten. Het eerste lid van deze bepaling luidt:
“Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
Voor inperkingen van de in de artikelen 7, 3, 8 en 9 van het EU-grondrechtenhandvest vastgelegde rechten geldt derhalve hetzelfde systeem van clausulering als bij artikel 8 EVRM, waarbij de inperking dient te voldoen aan drie vereisten: ‘voorzien bij wet’, ‘legitiem doel’ en de noodzakelijkheidseis/vereiste van evenredigheid.[142]
 
Het Hof van Justitie van de EU (hierna: het HvJ) heeft sinds de inwerkingtreding van het EU-Grondrechtenhandvest een aantal arresten gewezen met betrekking tot de in de artikel 7, 3, 8 en 9 van het handvest verankerde rechten.[143] Een voor de rechtsprakrijk richtinggevend arrest over artikel 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest is het Google Spain-arrest van 13 mei 2014,[144]  waarin het HvJ het recht om te worden vergeten (‘right to be forgotten’) erkende. Het arrest betrof de verplichtingen van aanbieders van zoekmachines op het internet met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in zoekresultaten. Uit dit arrest volgt dat een persoon op basis van zijn door de artikelen 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde grondrechten kan verlangen dat op hem betrekking hebbende informatie niet meer door opneming in een resultatenlijst van een zoekmachine ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek. Een uitzondering geldt indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om toegang tot de informatie te krijgen.

Op 24 september 2019 bepaalde het HvJ in de zaak Google LLC / CNIL[145] dat een zoekmachine het ‘recht om te worden vergeten’ niet wereldwijd hoeft toe te passen. De exploitant van een zoekmachine is naar het oordeel van het Hof niet verplicht om links te verwijderen voor alle versies van zijn zoekmachine. Hij is daartoe wel verplicht voor alle lidstaat-specifieke versies.
 
In Nederland werd op 24 februari 2017 een arrest van de Hoge Raad over dit ‘right to be forgotten’ en artikel 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest gepubliceerd.#146!# De zaak betrof een op 27 mei 2012 door SBS6 uitgezonden aflevering van het televisieprogramma Misdaadverslaggever van Peter R. De Vries. In deze televisie-uitzending werden camerabeelden getoond waarin eiser, Van M., met een (vermeende) huurmoordenaar, A., besprak hoe deze een concurrent van eiser in de escortbranche het beste kon (laten) liquideren. De beeldopnamen waren door A. in het geheim gemaakt met een verborgen camera. Eiser werd in de televisie-uitzending veelvuldig herkenbaar in beeld gebracht. Hij werd daarin niet met zijn volledige naam aangeduid, maar met zijn voornaam en het tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam. Eiser is op 15 augustus 2012 in eerste aanleg veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens poging tot uitlokking van huurmoord. Deze veroordeling was mede gebaseerd op de door A. gemaakte beeldopnamen. Verscheidene media hebben bericht over de veroordeling van eiser en de daaraan voorafgaande televisie-uitzending. In de onderhavige zaak heeft eiser een ‘right to be forgotten’-verzoek ingediend bij Google, waarbij hij Google heeft verzocht in zijn zoekmachine bepaalde webpagina’s te verwijderen bij de zoekresultaten op de naam van eiser. Google heeft dit geweigerd. Op 18 september 2014 wees de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam de vordering van eiser tegen Google af. Op 31 maart 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de Voorzieningenrechter bekrachtigd. In zijn arrest van 24 februari 2017 in deze zaak overwoog de Hoge Raad, onder verwijzing naar het Google Spain-arrest van het HvJ-EU, dat “de grondrechten van een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest (het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens) in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang willen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten.” (r.o. 3.5.5). De Hoge Raad gaf aan dat het Gerechtshof in de onderhavige zaak ter beoordeling van de vordering van eiser diende na te gaan of het publiek er belang bij had dat, indien op de volledige naam van eiser werd gezocht, de desbetreffende berichten over hem verschenen. De Hoge Raad overwoog dat het Gerechtshof dit belang vervolgens diende af te wegen tegen het belang van eiser. De Hoge Raad oordeelde dat uit het arrest van het Gerechtshof niet duidelijk was of dit hof was nagegaan of het publiek voornoemd belang had en of het hof deze afweging had verricht. Gelet op het voorgaande vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2015 en verwees het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

4. Voorstellen en discussie over de wenselijkheid van modernisering van artikel 10 Grondwet

 
Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk 2000
 
Reeds eind jaren negentig kwam in de Eerste Kamer de vraag aan de orde of de artikelen 7, 10 en 13 Grondwet aanpassing behoefden in verband met nieuwe technologische ontwikkelingen. Aanleiding hiervoor was de behandeling, in 1998/1999, van het grondwetsvoorstel strekkende tot wijziging van artikel 13 Grondwet (brief-, telefoon- en telegraafgeheim).[147] In de Eerste Kamer werd tegen dit voorstel het bezwaar ingebracht dat er geen gelegenheid was geweest voor publiek debat over het voorstel en er niet een staatscommissie was ingesteld die (mede) dit wetsvoorstel had kunnen voorbereiden.[148] Met het oog op deze bezwaren heeft het kabinet in 1999 de Commissie ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’ (Commissie-Franken) ingesteld.[149]
Het op 24 mei 2000 gepubliceerde eindrapport[150] van de Commissie bevatte adviezen aan de regering tot wijziging van de artikelen 7 (vrijheid van meningsuiting), 10 (recht op privacy) en 13 (brief-, telefoon- en telegraafgeheim) van de Grondwet, een voorstel om artikel 5 Grondwet om te vormen tot een techniek-onafhankelijk petitierecht, alsmede een voorstel tot aanvulling van de Grondwet met een nieuw artikel inzake toegang tot, en toegankelijkheid van, bij de overheid berustende informatie. De Commissie stelde in haar rapport voorop dat de ontwikkelingen in de samenleving als gevolg van de toegenomen mogelijkheden van ICT niet hadden geleid tot een abrupte breuk met het verleden.[151] Veeleer was sprake van een vloeiende, maar wel steeds sneller lopende ontwikkeling in de richting van een digitaal tijdperk, waarbij een viertal samenhangende verschijnselen centraal stond: digitalisering, miniaturisering, mobilisering en convergentie van technieken en diensten.[152] Uit deze verschijnselen was volgens de Commissie een zestal kenmerken van het digitale tijdperk af te leiden die met name voor het recht van belang zijn: 1) dematerialisering, 2), internationalisering, 3) technologische turbulentie, 4), horizontalisering, 5) transparantie en 6) digitale kwetsbaarheid.[153]

De Commissie heeft in haar rapport twee criteria geformuleerd voor het wijzigen van grondrechten in de Grondwet.[154] Het eerste criterium is dat alleen die rechten als grondrecht in de Grondwet behoren te worden opgenomen die een waarlijk essentiële functie voor het persoonlijk en maatschappelijk functioneren van de burger hebben. Het tweede criterium is dat voorstellen tot invoering van nieuwe grondrechten, gelet op het codificerende karakter van de Grondwet, voldoende constitutionele rijpheid dienen te vertonen.
 
Met betrekking tot artikel 10 Grondwet stelde de Commissie dat de door haar gesignaleerde ontwikkelingen in het digitale tijdperk geen aanleiding gaven het eerste lid van artikel 10 te veranderen.[155] Juist de techniek-onafhankelijk redactie van dit artikellid bracht volgens de Commissie mee dat deze bepaling nog langere tijd mee kon. De Commissie zag in het licht van de voornoemde ontwikkelingen wel aanleiding het tweede en derde lid van artikel 10 Gw. aan te passen.[156] Deze ontwikkelingen waren voor de Europese wetgever aanleiding geweest Richtlijn 95/46/EG)[157] vast te stellen. Die Richtlijn had niet alleen betrekking op het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens, maar bestreek het gehele proces van verwerking van persoonsgegevens. Ter uitvoering daarvan werd in de periode 1998-2000 de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) tot stand gebracht.[158] Ook in die wet stond de verwerking van persoonsgegevens centraal. De Commissie meende dat deze ontwikkeling ook zou moeten worden vertaald in het tweede lid van artikel 10 Gw. Voorts meende de Commissie dat de aanspraken in het derde lid van artikel 10 Gw. uitbreiding verdienden.
Gelet op het vorenstaande stelde de Commissie de volgende tekst voor een nieuw artikel 10 Grondwet voor:[159]
  1. Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van de over hen verwerkte gegevens, van de herkomst van die gegevens, van de doeleinden waarvoor zodanige gegevens worden verwerkt, alsmede inzake de aanspraken op verbetering en verwijdering van zodanige gegevens en het verzet tegen de verwerking van die gegevens.
   
Debat in de literatuur over het rapport van de Commissie GDT
 
De publicatie van het rapport van de Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk leidde tot een reeks reacties in de literatuur. [160] De reacties op de door de Commissie voorgestelde tekst voor een nieuw artikel 10 Grondwet waren veelal kritisch van aard.
 
Nouwt e.a. stelden in hun bespreking van het Commissie-voorstel voorop het met de Commissie eens te zijn dat de huidige formulering van het eerste lid van artikel 10 Gw. voldoende ruim en daardoor technologie- onafhankelijk is.[161] Over de door de Commissie voorgestelde tekst voor het tweede lid van artikel 10 Gw. stelden zij vast dat de Commissie met de woorden ‘verwerken van persoonsgegevens’ aansloot bij de reikwijdte van de Richtlijn 95/46/EG en de (in 2000 nog in voorbereiding zijnde) Wbp.

Over het door de Commissie voorgestelde tekst voor een derde lid van artikel 10 Gw. waren Nouwt e.a. kritisch. De Commissie had voorgesteld aan het derde lid toe te voegen dat men aanspraken heeft op kennisneming van de herkomst van de persoonsgegevens, op kennisgeving van de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt (doelbindingsbeginsel), op verwijdering van persoonsgegevens en op verzet tegen de verwerking van de persoonsgegevens. Deze nieuwe aanspraken waren in de ogen van de Commissie zeker zo belangrijk als het (reeds in artikel 10, derde lid Gw. verankerde) recht op kennisgeving van het gebruik dat van de gegevens wordt gemaakt. In het bijzonder het doelbindingsbeginsel behoorde in de visie van de Commissie tot de fundamenten van het privacyrecht en moest daarom grondwettelijk worden verankerd. Naar de mening van Nouwt e.a. bestonden deze fundamenten van het privacyrecht bij de grondwetsherziening in 1983 echter ook al.[162] Zij merkten op dat de Commissie helaas niet had toegelicht waarom nu juist dit doelbindingsbeginsel in het digitale tijdperk een grondwettelijke verankering behoeft en die andere fundamenten niet. Ook over andere aanspraken bleef de Commissie naar de mening van Nouwt e.a. vaag.[163]
 
Het commentaar van Dommering op het voorstel van de Commissie voor een nieuw artikel 10 Gw spitste zich toe op de relatie tussen de voorgestelde artikelen 10 en 13 Grondwet.[164] Dommering merkte op dat het voorstel van de Commissie voor artikel 13 Gw tot gevolg had dat de communicatie die in de persoonlijke levenssfeer plaatsvindt uit het recht op de persoonlijke levenssfeer wordt gelicht en tezamen met het telefoongeheim als een afzonderlijk grondrecht wordt behandeld. Deze “ongebruikelijke manoeuvre” leidde volgens Dommering tot allerlei complicaties bij de afbakening van artikel 10 en artikel 13. “Wanneer”, stelde hij, “is iets een vertrouwelijke communicatie? Waarom zou bij computerbestandonderzoek op afstand, het volgen van het inloggedrag op internet, het filmen van gedrag in de privésfeer een ander beperkingsregime moeten gelden dan bij het afluisteren van gesprekken in de woning?” Dommering gaf aan in het rapport van de Commissie een visie te missen op de onderlinge samenhang tussen de artikelen 10 en 13 Gw.[165]
 
Het commentaar van De Meij op het voorstel van de Commissie voor een nieuw artikel 10 Gw. spitste zich toe op het door de Commissie voorgestelde tweede en derde lid.[166] Over het voorgestelde tweede lid stelde hij vast dat in plaats van de woorden ‘het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens’ het ruimere begrip ‘verwerken’ was voorgesteld, dat was ontleend aan Richtlijn 95/46/EG en de uitvoeringswet (Wbp). Met betrekking tot het door de Commissie voorgestelde derde lid van artikel 10 Gw. merkte De Meij op dat ook hier een aantal rechten werden toegevoegd die in Richtlijn 95/46/EG en de Wbp waren opgenomen. Daarbij stelde De Meij de vraag: “ [I]s er niet meer nodig?”[167] Hij wees erop dat door diverse scribenten was gesuggereerd om in artikel 10 Grondwet een recht op informationele zelfbeschikking vast te leggen, d.w.z. het recht op zeggenschap van de betrokkene over de gegevens die hem betreffen.[168] Hij merkte op dat in het Commissierapport over de Duitse discussie betreffende het recht op informationele zelfbeschikking “slechts enkele onduidelijke zinnen zijn opgenomen.”[169] Het Commissierapport en het daarbij gepubliceerde rechtsvergelijkend onderzoeksrapport[170] waren in de visie van De Meij onvoldoende aan elkaar gekoppeld.

Over de beperkingssystematiek merkte De Meij op dat voor de Commissie uitgangspunt was geweest dat de door haar ontworpen artikelen zouden passen in de bestaande structuur van de grondrechtsbepalingen.[171] De Commissie voelde er niet voor criteria uit het EVRM, zoals de eis van ‘noodzakelijkheid in een democratische samenleving’ in de grondwetsbepalingen (waaronder artikel 10 Gw.) op te nemen. Het introduceren van nieuwe elementen in de beperkingssystematiek zou volgens de Commissie onbedoelde repercussies kunnen hebben voor de uitleg van grondrechten die ongewijzigd blijven.[172] Een dergelijk uitgangspunt betekende volgens de Meij echter “een domper op elke vernieuwingsmogelijkheid”.[173]
 
Wetsvoorstel strekkende tot wijziging van artikel 10 Gw, Advies Raad van State, intrekking
 
Vijf maanden na publicatie van het rapport van de Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk verscheen de Kabinetsreactie.[174] Het kabinet gaf aan zich grotendeels in de voorstellen van de Commissie te kunnen vinden en deze dan ook hoofdzakelijk over te nemen. In september 2001 heeft de regering een wetsvoorstel strekkende tot wijziging van artikel 10 Gw. voor advies aan de Raad van State gestuurd, tezamen met wetsvoorstellen strekkend tot wijziging van de artikelen 10 en 13 Gw.[175]Het wetsvoorstel strekkend tot wijziging van artikel 10 Gw. was gelijkluidend aan het voorstel daartoe van de Commissie.[176]
 
In januari 2002 adviseerde de Raad van State (hierna: de Raad) negatief over het wetsvoorstel inzake artikel 10 Gw.[177] De Raad meende dat in de toelichting bij het wetsvoorstel de noodzaak om de grondwettelijke regelingsopdrachten met betrekking tot persoonsgegevens uit te breiden, overtuigender zou moeten worden. Ook moest volgens de Raad de vraag worden gesteld of de nauwe binding tussen het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de regelingsopdrachten inzake de verwerking van persoonsgegevens nog adequaat was. Daaraan kleefden naar het oordeel van de Raad twee bezwaren. Ten eerste deelden andere aspecten van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer - bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van verborgen camera’s - niet in de bescherming die uitgaat van de ook op derdenwerking gerichte regelingsopdrachten in het tweede en het derde lid. Ten tweede werd de techniek van het geautomatiseerd verwerken van persoonsgegevens alleen gerelateerd aan een mogelijk bedreigd fundamenteel belang (nl. dat van de persoonlijke levenssfeer), terwijl bij diezelfde techniek ook andere fundamentele rechten en belangen in positieve zin betrokken zijn. Bij de vaststelling van wettelijke regels kwam het er volgens de Raad op aan, evenwicht te vinden tussen de diverse fundamentele rechten en belangen. Er waren dan ook in de ogen van de Raad argumenten om de opzet van artikel 10 Grondwet opnieuw te bezien. De Raad adviseerde de regering “het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.”[178]
 
In november 2004 maakte de regering bekend het wetsvoorstel strekkende tot wijziging van artikel 10 Gw. in te trekken. De regering gaf aan de bezwaren van de Raad van State bij het wetsvoorstel overtuigend te vinden en kondigde aan een nieuw wetsvoorstel inzake artikel 10 Grondwet te zullen voorbereiden.[179]
 
Staatscommissie Grondwet 2010
 
Het duurde tot 2009 voor de regering zich opnieuw boog over de vraag of het noodzakelijk was artikel 10 Grondwet te moderniseren. In juli 2009 werd de Staatscommissie Grondwet (Staatscommissie-Thomassen)geïnstalleerd.[180] Deze commissie kreeg de opdracht de regering te adviseren over de noodzaak tot wijziging van de Grondwet, met name over: 1. de toegankelijkheid en de betekenis van de Grondwet voor burgers; 2. de opneming van een preambule, 3. de verhouding tussen de opgenomen grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende rechten, zoals het recht op een eerlijke procesgang en het recht op leven; en 4. de grondrechten in het digitale tijdperk.[181]
In haar op 11 november 2010 gepubliceerde eindrapport[182] behandelde de Staatscommissie onder meer de vraag de vraag of het wenselijk was grondrechten aan te passen in het licht van de digitalisering van de samenleving. De Staatscommissie stelde vast dat digitalisering vragen opriep over de grondwettelijke bescherming van onder meer de vrije ontvangst van informatie en het gebruik van elektronische middelen zoals internet, nieuwe mediavormen en -diensten, de vertrouwelijkheid van communicatie en de bescherming van persoonsgegevens. In dit verband heeft de Staatscommissie in het bijzonder de artikelen 7, 10 en 13 van de Grondwet in ogenschouw genomen.[183]
 
Met betrekking tot artikel 10 Grondwet stelde de Staatscommissie vast dat deze grondwetsbepaling de regels met betrekking tot de registratie van persoonsgegevens (leden 2 en 3) koppelt aan die met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (lid 1).[184] De Staatscommissie was van mening dat beide onderwerpen beter tot hun recht zouden komen wanneer de grondwetsbepaling zou worden gesplitst. De commissie overwoog dat, enerzijds, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer veel meer terreinen van het privéleven van personen beheerst dan alleen bescherming tegen onrechtmatige registratie van persoonsgegevens. Anderzijds betreft bescherming van persoonsgegevens niet alleen de persoonlijke levenssfeer; gegevensbescherming kan ook te maken hebben met andere grondrechten zoals het discriminatieverbod. Gelet hierop stelde de Staatscommissie unaniem voor de huidige leden 2 en 3 van artikel 10 Grondwet om te vormen tot een zelfstandig grondrecht op bescherming van persoonsgegevens.
[185]

Over de vormgeving van het nieuw te formuleren grondwetsartikel bestond binnen de Staatscommissie verschil van inzicht. De meerderheid van de Staatscommissie stelde de volgende tekst voor:[186]

1. Ieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
2. Persoonsgegevens worden alleen verwerkt voor welbepaalde doeleinden,
a. hetzij met toestemming van de betrokkene,
b. hetzij op grond van bij de wet te stellen regels.
3. Ieder heeft recht op inzage in de over hem verzamelde gegevens, op kennisneming van de verwerking van die gegevens, en op de verbetering van die gegevens, behoudens bij de wet gestelde beperkingen.

Deze meerderheid van de Staatscommissie adviseerde met dit voorstel om een extra waarborg in de Grondwet op te nemen: de in het tweede lid opgenomen eis dat gegevens enkel kunnen worden verwerkt voor welbepaalde doeleinden. Dit betekent blijkens de toelichting dat een precies doel moet worden aangegeven voor de verwerking van gegevens en dat degene die gegevens opslaat, zich moet houden aan het doel waarvoor hij de gegevens heeft opgeslagen.[187] Hoewel doelbinding in de praktijk volgens sommigen aan uitholling onderhevig lijkt te zijn, koos de meerderheid van de Staatscommissie ervoor om de eis van doelbinding grondwettelijk te verankeren.[188] Ter onderbouwing van deze keuze voerde de Staatscommissie aan, ten eerste, dat de eis van doelbinding internationaal en algemeen aanvaard is en ten tweede, dat feitelijke uitholling van dit vereiste niet automatisch tot vermindering van het belang ervan zou leiden.
 
Daarnaast zou een door de Staatscommissie voorgestelde algemene aanvullende beperkingsclausule een waarborg vormen ter bescherming van het recht op bescherming van persoonsgegevens. De voorgestelde clausule, die volgens het voorstel zou gelden naast de specifieke eisen die nu al in een aantal grondwetsbepalingen zijn opgenomen, luidde[189]:
1. Beperkingen van grondrechten gaan niet verder dan het doel van de beperking vereist.
2. De kern van grondrechten wordt niet aangetast.
 
Eén lid van de Staatscommissie[190] stelde voor een nieuw artikel betreffende de bescherming van persoonsgegevens (artikel 10) een andere tekst voor, luidende:[191]
1. Ieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
2. Persoonsgegevens worden verwerkt ingevolge bij de wet te stellen regels.
3. Ieder heeft recht op inzage in en verbetering van de over hem vastgelegde gegevens en op kennisneming van de verwerking van die gegevens, behoudens bij de wet gestelde beperkingen.
In de toelichting[192] gaf dit lid aan anders dan de meerderheid van de Staatscommissie van mening te zijn dat afzonderlijke opneming in dit grondrecht van het doelbindingsbeginsel geen aanbeveling verdiende, nu dit beginsel reeds in het eerste lid van het nieuwe grondrecht is begrepen.
 
Debat in de literatuur over het voorstel van de Staatscommissie Grondwet
 
De reacties in de literatuur op het voorstel van de Staatscommissie Grondwet betreffende artikel 10 Grondwet waren wisselend, variërend van positief tot zeer kritisch.
 
Verhey betoogde in zijn commentaar[193] dat het voorstel van de Staatscommissie inzake artikel 10 Grondwet, evenals de voorstellen inzake de artikelen 7 en 13 Gw., serieuze overweging verdiende. In zijn visie zou in de besluitvorming over wijziging van de artikelen 7, 10 en 13 Grondwet een belangrijke rol moeten spelen dat de Grondwet inmiddels mijlenver achterloopt op de technologische ontwikkelingen. Niets doen was volgens Verhey redelijkerwijs geen optie meer.[194]
Verhey was positief over het voorstel van de Staatscommissie om de huidige bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens los te koppelen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en om te vormen tot een zelfstandig grondrecht. De Staatscommissie had in zijn rapport betoogd dat de bescherming van persoonsgegevens – evenals de specifieke privacyrechten van de artikelen 11, 12 en 13 Gw. –een deelaspect is van het generieke recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.[195] Het ligt volgens Verhey vanuit dat perspectief voor de hand om dat deelaspect, net als geschied is met het recht op lichamelijke integriteit, het huisrecht en het brief-, telefoon- en telegraafgeheim, onder te brengen in een afzonderlijke bepaling. Ook het argument van de Staatscommissie dat met een aparte bepaling het belang van de bescherming van persoonsgegevens sterker tot uiting komt, snijdt volgens Verhey hout. Gelet hierop verdient de voorgestelde loskoppeling van beide rechten steun, aldus Verhey.[196]

Wat betreft de wijze waarop het recht op bescherming van persoonsgegevens moet worden vormgegeven, merkte Verhey op dat het voorstel van de Staatscommissie lijkt te zijn geïnspireerd door artikel 8 EU-Handvest.[197] Het is volgens hem begrijpelijk en op zichzelf zinvol dat de Staatscommissie heeft willen aansluiten bij de formulering van artikel 8 EU-Handvest. De wenselijkheid om aan te sluiten bij de Europese rechtsontwikkeling kan echter in zijn visie geen doorslaggevend argument zijn om het grondrecht in de Grondwet op eenzelfde wijze te regelen. De grondwettelijke context is specifieker en anders van aard dan die van het EU-Handvest. Daarom moet volgens Verhey los van het EU-Handvest worden beoordeeld of de inhoud van de door de Staatscommissie voorgestelde grondwetsbepaling adequaat is. In dat kader moet de vraag worden gesteld welke aanspraken een individu precies kan ontlenen aan ‘het recht op bescherming van persoonsgegevens’, aldus Verhey. Het doelbindingsprincipe en het inzage- en correctierecht zoals door de Staatscommissie voorgesteld in respectievelijk het tweede en het derde lid dienen te worden gezien als belangrijke uitwerkingen van dat recht. Maar het recht op bescherming van persoonsgegevens omvat meer. Volgens Verhey zou in het grondwetsvoorstel nader toegelicht moeten worden tot hoever het in het eerste lid voorgestelde recht zich precies uitstrekt.[198] Verhey merkte voorts op dat het wel in artikel 8 EU-Handvest opgenomen beginsel van eerlijke gegevensverwerking (‘fair processing’) in het voorgestelde tweede lid ontbreekt. Vastlegging daarvan in het grondwetsvoorstel had in zijn visie voor de hand gelegen omdat dat beginsel geldt als een van de grondslagen van het gegevensbeschermingsrecht.[199]
 
Koops noemde het in zijn commentaar[200] op het voorstel van de Staatscommissie Grondwet inzake artikel 10 Grondwet “winst” dat de Staatscommissie unaniem voorstelde de bescherming van persoonsgegevens af te splitsen van het grondrecht op privacy. Koops wees op de dissertatie Het recht op privacy van Peter Blok (2002)[201], waarin in de visie van Koops overtuigend is beargumenteerd dat privacy en gegevensbescherming weliswaar verwant maar ook principieel verschillend zijn. Koops merkte op dat met het Handvest van de Grondrechten van de EU inmiddels ook een internationaalrechtelijke basis voor deze splitsing voorhanden is.
Vervolgens was Koops zeer kritisch over zowel het voorstel van de meerderheid van de Staatscommissie als het voorstel van het lid Overkleeft-Verburg (minderheidsstandpunt) voor een grondwetsbepaling voor de bescherming van persoonsgegevens.[202] Naar de mening van Koops legt het (meerderheids)voorstel van de Staatscommissie door de afwezige onderbouwing en toelichting een mijnenveld neer voor wetgevers, rechters of rechtsgeleerden die op zoek gaan naar de kern van het grondrecht.[203] Tot hoever het afweerrecht reikt, ook in horizontale verhoudingen, en wat het precies beoogt te beschermen, vergt volgens Koops nog substantiële nadere reflectie vooraleer het rijp is voor opneming in de grondrechtencatalogus. Koops vroeg in zijn commentaar ook aandacht voor de verwijzing naar specifieke beginselen naast een algemene bepaling. Zijns inziens past of een algemene verwijzing naar de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking of een expliciete aanduiding van álle beginselen uit het dataprotectie-acquis.[204]
 
Nehmelman ten slotte deelde in zijn commentaar[205] op de voorstellen van de Staatscommissie Grondwet, wat betreft artikel 10 Grondwet, de opvatting van de Staatscommissie dat het eerste lid van artikel 10 Grondwet niet hoeft te worden gewijzigd. Nehmelman wees erop dat destijds door de regering is voorgesteld, en in het parlement niet is betwist, dat dit recht een potentieel veelomvattend recht is, dat als het ware als een ‘moedergrondrecht’ kan worden gezien voor de artikelen 11-13 Gw.[206] Beziet men de EHRM- jurisprudentie over artikel 8 EVRM, dan moet men volgens Nehmelman concluderen dat ook deze bepaling een veelomvattend recht op privé- en gezinsleven is, waaronder tevens de bescherming van persoonsgegevens kan worden verstaan.[207]

Vervolgens gaf Nehmelman aan de door de Staatscommissie aangevoerde reden om tot een afzonderlijke grondwetsbepaling ten aanzien van persoonsgegevens te komen niet overtuigend te vinden.[208] Gelet op de gedachte dat de grondwetgever van destijds de invulling van het begrip ‘eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer’ onder andere aan de rechter heeft willen overlaten, en gelet ook op de ruime interpretatie van artikel 8 EVRM door het EHRM, kan men zich volgens Nehmelman afvragen of een gedetailleerde grondwettelijke bepaling omtrent de bescherming van persoonsgegevens noodzakelijk is. De Staatscommissie stelde – volgens Nehmelman terecht - dat in het Europese recht (zowel binnen de Raad van Europa als binnen de EU) een zelfstandig recht op bescherming van persoonsgegevens tot ontwikkeling is gekomen. Daarmee toonde de Staatscommissie in de visie van Nehmelman ook aan dat de toegevoegde waarde van een nationale (grondwets)bepaling over de bescherming van persoonsgegevens er (vooralsnog) niet was. Nehmelman kwam gelet hierop tot de conclusie dat het voorstel van de Staatscommissie voor een nieuwe afzonderlijke grondwetsbepaling inzake bescherming van persoonsgegevens geen navolging verdiende.[209]
 
Kabinetsstandpunt rapport Staatscommissie: geen nieuw wetsvoorstel inzake art 10 Gw.
 
In oktober 2011 maakte het kabinet bekend de adviezen van de Staatscommissie betreffende artikel 10 en artikel 7 Grondwet niet op te volgen.[210] Het kabinet gaf aan weinig meerwaarde te zien in de door de Staatscommissie voorgestelde wijzigingen van de artikelen 7 en 10 van de Grondwet ten opzichte van de huidige formulering van de grondwetsbepalingen en de verdragsrechten, respectievelijk de artikelen 10 en 8 van het EVRM.Het kabinet stelde dat deze beide EVRM-bepalingen “open begrippen kennen waarmee zowel de wetgever als de rechter afdoende uit de voeten kunnen om de vrijheid van meningsuiting en de persoonlijke levenssfeer, inclusief de verwerking van persoonsgegevens, te beschermen.”[211] Het kabinet wees ook op internationale ontwikkelingen, in het bijzonder wijziging van Richtlijn 95/46/EG en van het Dataprotectieverdrag nr. 108 van de Raad van Europa, en gaf aan het gelet op deze ontwikkelingen niet het juiste moment te vinden om de Grondwet op het punt van gegevensbescherming te wijzigen.

Ten aanzien van artikel 13 Grondwet zag het kabinet in 2011 wél voldoende aanleiding het advies van de Staatscommissie over te nemen.[212] De techniekafhankelijke en limitatieve formulering van de beschermde communicatiemiddelen stond naar het oordeel van het kabinet de normatieve betekenis van die grondwetsbepaling voor wetgever en rechter in de weg. Het kabinet kondigde in het Kabinetsstandpunt aan een voorstel voor te bereiden tot herziening van artikel 13 Grondwet.[213]
 
Op 21 juli 2014 heeft de regering een wetsvoorstel inzake verandering van art 13 Grondwet ingediend bij de Tweede Kamer.[214] Op 18 april 2017 heeft de Tweede Kamer dit wetsvoorstel in eerste lezing aangenomen. [215] Op 11 juli 2017 werd het ook in de Eerste Kamer in eerste lezing aanvaard.[216] Na de volgende Tweede Kamerverkiezingen kan een wetsvoorstel inzake verandering van artikel 13 Grondwet in tweede lezing worden gebracht.
 

5. Afsluiting
 

In de periode 2012 tot en met 2019 is geen wetsvoorstel tot herziening van artikel 10 Grondwet meer ingediend. Het vraagstuk van de wenselijkheid van herziening van dit grondwetsartikel is naar mijn opvatting echter onverminderd actueel. Daarbij wijs ik, afsluitend, op de volgende ontwikkelingen:
Uit een recent rechtsvergelijkend onderzoek[217] dat werd aangevraagd door leden van de Tweede Kamer[218], blijkt dat in er Nederland in de media en in de politiek sprake is van een actief debat over privacy en de bescherming van persoonsgegevens.Zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer komen deze onderwerpen regelmatig aan bod. [219]
Tegelijkertijd kan worden betoogd dat, wat betreft de jurisprudentie en het politieke en maatschappelijke debat over de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens, de rol van artikel 10 Grondwet relatief beperkt is, in vergelijking met de rol van artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest. Voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden vooral deze bepalingen in de Europese mensenrechtenverdragen ingeroepen. Dit heeft deels te maken met het toetsingsverbod (artikel 120 Grondwet) en de open houding jegens het internationale recht (artikel 93 en 94 Grondwet), maar vindt ook zijn oorzaak in het ontbreken van duidelijke materiëlenormen in de Grondwet die aansluiten bij recente ontwikkelingen[220], in het bijzonder ook ontwikkelingen op het gebied van digitalisering.[221]

Het voorstel van de Staatscommissie Grondwet (2010) om in de Grondwet de bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens los te koppelen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en om te vormen tot een zelfstandig grondrecht[222] , is in de literatuur overwegend positief ontvangen (zie par. 4 van dit Commentaar). Over de wijze waarop het recht op bescherming van persoonsgegevens in de Grondwet zou moeten worden vormgegeven waren de meningen in de literatuur verdeeld; het voorstel van de Staatscommissie werd op dit punt kritisch ontvangen.[223]

De regering heeft in 2012, zoals hiervoor aangegeven, besloten het advies van de Staatscommissie Grondwet betreffende herziening van artikel 10 Grondwet niet op te volgen.[224] De regering gaf daarbij o.m. aan weinig meerwaarde te zien in de door de Staatscommissie voorgestelde wijzigingen van artikel 10 Grondwet ten opzichte van de huidige formulering van deze grondwetsbepaling en artikel 8 EVRM. Daar tegenover kan naar mijn opvatting worden aangevoerd dat het onwenselijk is als de rechtspositie van burgers op het gebied van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens in toenemende mate afhankelijk wordt van het EVRM en het EU-Grondrechtenhandvest.[225]

Koops heeft in 2014 betoogd dat het noodzakelijk is om de systematiek van de privacygrondrechten in de Grondwet (artt. 10-13) over de hele linie opnieuw te doordenken, om effectief tegenwicht te bieden aan alle nieuwe vormen waarin de overheid zicht kan krijgen op de persoonlijke levenssfeer van burgers.[226]

Gelet op het voorgaande pleit ook ik ervoor het voorstel van de Staatscommissie Grondwet betreffende herziening van artikel 10 Grondwet opnieuw in overweging te nemen, in het kader van een algehele herziening van de privacygrondrechten in de Grondwet.
 

6. Literatuur

 
  • L. Asscher, ‘Trojaans hobbelpaard. Een analyse van het rapport van de commissie Grondrechten in het digitale tijdperk’, Mediaforum 2000, nr. 7/8, p. 228-233.
  • L. Asscher, Communicatiegrondrechten. Een onderzoek naar de constitutionele bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en het communicatiegeheim in de informatiesamenleving, diss. Amsterdam (UvA), Amsterdam: Otto Cramwinckel 2002.
  • W. van Beek en A.M. Klingenberg, ‘Gegevensbescherming anno 2019’, SEW 2019, nr. 2, p. 66-75.
  • B.C. van Beers, Commentaar op artikel 11 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • P.H. Blok, Het recht op privacy: een onderzoek naar de betekenis van het begrip 'privacy' in het Nederlandse en Amerikaanse recht(diss. Tilburg), Den Haag:Boom Juridische uitgevers 2002.
  • P.J.W. de Brauw en Th.W. van Veen, Behoort de wetgever regelen te treffen ter bescherming van de individu tegen het doen, het gebruiken, en het openbaar maken van waarnemingen, diens persoonlijke sfeer betreffende? Preadviezen NJV, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1965.
  • D.E. Bunschoten, ‘Commentaar op artikel 10. Persoonlijke levenssfeer’, in: P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, D.E. Bunschoten, J.W.A. Fleuren, H.G. Hoogers, Tekst en Commentaar Grondwet en Statuut, Wolters Kluwer: Deventer 2018, digitale editie p. 1-4.
  • M.C. Burkens, ‘Grondrechten in een nieuwe grondwet’, NJB 1976, afl. 21, p. 701-716.
  • J.M.L.Th. Cals, A.M. Donner, Tweede rapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1969.
  • J.M.L.Th. Cals, A.M. Donner, Eindrapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij1971.
  • Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk, Rapport ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, Den Haag 2000.
  • C.K.M.C. Cuijpers, P. Van Eecke, E. Kindt, H.H. de Vries, ‘Een eerste verkenning van het Voorstel Verordening bescherming Persoonsgegevens, Computerrecht 2012, nr. 3, p. 185-199.
  • B. Custers, F. Dechesne, I. Georgieva, S. van der Hof, De bescherming van persoonsgegevens. Acht Europese landen vergeleken. Den Haag: Sdu Uitgevers 2017.
  • E.J. Dommering, ‘De nieuwe Nederlandse Constitutie en de informatietechnologie’, Computerrecht 2000, nr. 4, p. 177-185.
  • P. van Dijk, F. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Intersentia: Cambridge – Antwerp – Portland 2018.
  • R. van Est, J.B.A. Gerritsen, with the assistance of L. Kool, Human rights in the robot age: Challenges arising from the use of robotics, artificial intelligence, and virtual and augmented reality – Expert report written for the Committee on Culture, Science, Education and Media of the Parliamentary Assembly of the Council of Europe (PACE), The Hague: Rathenau Instituut 2017.
  • C. Forder, M.A.K. Klaassen, Commentaar op Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Art. 8, serie SDU Commentaar EVRM Den Haag Sdu Uitgevers 2019, digitale editie 2019.
  • J. Gerards, R. Nehmelman, M. Vetzo, Algoritmes en Grondrechten, Den Haag: Boom juridisch 2018.
  • J.H. Gerards, ‘The Irrelevance of the Netherlands Constitution, and the Impossibility of Changing It’, Revue interdisciplinaire d'études juridiques 2016, no. 2, p. 207-233.
  • H. Hijmans, ‘De AVG en de UAVG. Het grondrecht op gegevensbescherming wordt door de EU beschermd. De werking van dit recht in de Nederlandse rechtsorde roept vragen op’, NJB 2018, afl. 7, p. 472-478.
  • J. Holvast, De volkstelling van 1971. Verslag van de eerste brede maatschappelijke discussie over aantasting van privacy, Zutphen: Uitgeverij Paris 2013.
  • F. van der Jagt, Het recht op bescherming van persoonsgegevens, in: J.H. Gerards en B. Barentsen, Grondrechten: de nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 163-183.
  • M.M. Julicher, ‘De wijziging van het communicatierecht in de Grondwet, een gemiste kans?’, NTM 2019, nr. 2, p. 129-158.
  • A.K. Koekkoek, P.J.J. Zoontjens, F.M.C. Vlemminx, G. Leenknegt, J. Nouwt, E.J. Koops, H. van Schooten, R. Bos, Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk: een rechtsvergelijkend onderzoek naar informatie- en communicatievrijheid en privacy in Zweden, Duitsland, Frankrijk, België, de Verenigde Staten en Canada, Tilburg University 1999.
  • E.J. Koops, ‘Digitale grondrechten en de Staatscommissie: op zoek naar de kern’, TvCR 2011, nr. 2, p. 168-185.
  • E.J. Koops, Commentaar op artikel 13 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • B.J Koops en J. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers2014.
  • B.J. Koops, ‘Privacyconcepten voor de 21e eeuw’, Ars Aequi juli/augustus 2019, p. 532-544.
  • H.R. Kranenborg, Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie: over de openbaarheid van persoonsgegevens (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2007.
  • F. Kuitenbrouwer, ‘Hoe sterk zijn de digitale grondrechten?’ Computerrecht 2000, nr. 4, p. 172-176.
  • J.M. de Meij, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, NJCM-Bulletin 2001, nr. 3, p. 274-294.
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken, ‘Proeve van een nieuwe grondwet’, ’s- Gravenhage: Staatsuitgeverij 1966.
  • R. Nehmelman, Het algemeen persoonlijkheidsrecht: een rechtsvergelijkende studie naar het algemeen persoonlijkheidsrecht in Duitsland en Nederland, Deventer: Kluwer 2002.
  • R. Nehmelman, ‘Een algemene periodieke keuring van de nationale grondrechten. Korte analyse van de grondrechtenparagraaf van de Staatscommissie Grondwet 2009/2010’, Regelmaat 2011 nr. 2, p. 84-98.
  • R. Nehmelman en C.W. Noorlander, Horizontale werking van grondrechten. Over een leerstuk in ontwikkeling, Kluwer: Deventer 2013.
  • A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer en A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017.
  • S. Nouwt, P. Blok, B-J. Koops, M. Schellekens, E. Schreuders en M. de Vries, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk. Een reactie op het rapport’, NJB 2000, afl. 27, p. 1321-1327.
  • G. Overkleeft-Verburg, ‘Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 1.10)’, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt en F.C.L.M. Crijns (red.), Grondrechten, Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene grondwet, Nijmegen 1982, p. 221- 248.
  • G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie, (diss. KUB), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995.
  • G. Overkleeft-Verburg, ‘Artikel 10’, in: A.K. Koekkoek e.a. (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 155-179.
  • G. Overkleeft-Verburg, Commentaar op artikel 10 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2014.
  • J. Pelle, In de staatsrechtgeleerde wereld. De politieke geschiedenis van hoofdstuk 1 van de Grondwet 1983 (diss. Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 1998.
  • Raad van Europa en Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, Handboek Europese gegevensbeschermingwetgeving 2014.
  • C. Roorda, ‘ICT in de Grondwet. Een concreet voorstel’, Mediaforum 2017, nr. 7/8, p. 218-224.
  • W.A. Schabas, European Convention on Human Rights: a Commentary, Oxford: Oxford University Press 2015.
  • Staatscommissie Grondwet, ‘Rapport Staatscommissie Grondwet’, Den Haag 2010.
  • L.F.M. Verhey, Horizontale werking van grondrechten, in het bijzonder van het recht op privacy, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992.
  • L.F.M. Verhey, ‘Horizontale werking van grondrechten: de stille Straatsburgse revolutie’, in: T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.P. Loof (red.), Geschakeld recht; verdere studies over Europese grondrechten ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van prof. mr. E.A. Alkema, Deventer: Kluwer 2009, p. 517-535.
  • L.F.M. Verhey, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk: driemaal is scheepsrecht?’, TvCR 2011, nr. 2, p. 152-167.
  • M. Vetzo en J.H. Gerards, ‘Algoritme-gedreven technologieën en grondrechten’, Computerrecht 2019, afl. 1, p. 10-19.
  • D. Vincent, Privacy: a Short History, Cambridge: Polity Press 2016.
  • H.H. de Vries, ‘Google vergeet me (niet)!?’, Tijdschrift voor Internetrecht 2014, nr. 4, p. 124-129.
  • H.H. de Vries en M. Goudsmit, ‘Voorsorteren op de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Twee stappen vooruit, één stap terug, NJB 2016’, afl. 22, p. 1553-1560.
  • K. de Vries, ‘Het recht op privéleven en aanverwante rechten’, in: J.H. Gerards en B. Barentsen, Grondrechten: de nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 129-161.
  • S.D. Warren & L.D. Brandeis, ‘The right to privacy. The implicit made explicit’, Harvard Law Review 1890, p. 193-220.
  • F. J. Zuiderveen Borgesius en W. Steenbruggen, ‘The Right to Communications. Confidentiality in Europe: Protecting Privacy, Freedom of Expression, and Trust’, Theoretical Inquiries in Law, nr. 1, 2019, p. 291-322.
  • G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht vijf jaar later’, Ars Aequi juli/augustus 2019, p. 604-613.
 

7. Jurisprudentie

 
EHRM 6 september 1978, Klass e.a. t. Duitsland, appl. no. 5029/71,
ECLI:CE:ECHR:1978:0906JUD000502971, Ars Aequi 1979, nr. 6, p. 327-334, m.nt. E.A. Alkema.
EHRM 26 april 1979, Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 6538/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0426JUD000653874, NJ1980/146 m.nt. E.A. Alkema.
EHRM 2 augustus 1984, Malone t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 8691/79, ECLI:CE:ECHR:1984:0802JUD000869179.
EHRM 26 maart 1985, X en Y t. Nederland, appl. no. 8978/80, ECLI:CE:ECHR:1985:0326JUD000897880, NJ1985/525, m.nt. E.A. Alkema, NJCM-Bulletin1985, nr. 5, p. 410-419  m.nt. J. Schokkenbroek.
EHRM 24 november 1986, Gillow t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 9063/80.
EHRM 26 maart 1987, Leander t. Zweden, appl. no. 9248/81, 26 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, NJCM-bulletin 1988, nr. 2, p. 148-165 m.nt. Th.L. Bellekom.
EHRM 24 april 1990, Huvig t. Frankrijk, appl. no. 11105/84, ECLI:CE:ECHR:1990:0424JUD001110584.
EHRM 24 april 1990, Kruslin t. Frankrijk, appl. no. 11801/85,
ECLI:CE:ECHR:1990:0424JUD001180185, NJ 1991/523 m.n. E.J. Dommering.
EHRM 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, appl. no. 13710/88, ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001371088, NJ 1993/400, m.nt. Dommering.
EHRM 6 februari 2001, Bensaid t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 44599/98, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998, EHRC 2001/25m.nt. J. van der Velde.
EHRM 4 juni 2002, Oliveira t. Nederland, appl. no. 33129/96, ECLI:CE:ECHR:2002:0604JUD003312996, AB 2002/407m.nt. I. Sewandono.
EHRM 24 juli 2003, Smirnova t. Rusland, appl. nos. 46133/99 and 48183/99, ECLI:CE:ECHR:2003:0724JUD004613399, EHRC 2003/84 m.nt. E. Brems, NJ 2005/550 m.nt. T.M. Schalken.
EHRM 29 juni 2006, Weber en Saravia t. Duitsland, appl. no. 54934/00,
ECLI:CE:ECHR:2006:0629DEC005493400, EHRC 2007/13 m.nt. J.P. Loof.
EHRM 3 april 2007, Copland t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 62617/00, ECLI:CE:ECHR:2007:0403JUD006261700, EHRC2007/71 m.nt. P. De Hert en A. Hoefmans, NJ 2007/617 m.nt. Dommering, NJCM-Bulletin 2007, nr. 7, p. 1012-1020 m.nt. M.M. Groothuis.
EHRM 1 juli 2008, Liberty e.a. t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 58243/00, ECLI:CE:ECHR:2008:0701JUD005824300, NJ2010/324 m.nt. E.J. Dommering, NJCM-Bulletin 2009, nr. 1, p. 42-55 m.nt. M.M. Groothuis.
EHRM 4 december 2008, S. enMarper t. Verenigd Koninkrijk, appl. nos. 30562/04 en 30566/04, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, EHRC 2009/13 m.nt. E.J. Koops, NJ 2009, 410 m.nt. E.A. Alkema, NJCM-Bulletin 2009, p. 391-406 m.nt. M. van der Staak.
EHRM 2 december 2008, K.U. t. Finland, , appl. no. 2872/02, ECLI:CE:ECHR:2008:1202JUD000287202, NJ 2009/470 m.nt. E.A. Alkema, EHRC 2009/24, m.nt. E. Brems, NJCM-Bulletin 2009, nr. 3, p. 281-289, m.nt. M.M. Groothuis.
EHRM 2 september 2010, Uzun t. Duitsland, appl. no. 35623/05, ECLI:CE:ECHR:2010:0902JUD003562305, EHRC 2010/123, m.nt. P. de Hert en J. van Caeneghem.
EHRM 14 september 2010, Sanoma Uitgevers B.V. t. Nederland, appl. no. 38224/03, ECLI:CE:ECHR:2010:0914JUD003822403, EHRC 2010/136 m.nt. W.F. Korthals Altes, NJ 2011/230 m.nt. E.J. Dommering enT.M. Schalken.
EHRM 14 februari 2012, Romet t. Nederland, appl. no. 7094/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD000709406, AB 2012/275 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, JB2012/78 m.nt. G. Overkleeft-Verburg, EHRC 2012/87 m.nt. M.M. Groothuis, NJ 2013/484 m.nt. E.J. Dommering.
EHRM 22 november 2012, Telegraaf Media Nederland Landelijke Media B.V. e.a. t. Nederland van, appl. no. 39315/06, ECLI:CE:ECHR:2012:1122JUD003931506, Mediaforum 2013. nr. 1, p. 25-30 m.nt. A.W. Hins, EHRC2013/36 m.nt. S.P. Poppelaars.
EHRM 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland,appl. no. 12738/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, NJ2015/130 m.nt. B.E.P. Myjer, AB 2014/433 m.nt. A. Woltjer.
EHRM 4 december 2015, Roman Zakharov t. Rusland, appl. no. 47143/06, ECLI:CE:ECHR:2015:1204JUD004714306, NJ 2017/185 m.nt. E.J. Dommering, EHRC 2016/87 m.nt. Hagens, Computerrecht 2016/86 m.nt. S.J. Eskens.
EHRM 9 januari 2018, López Ribalda e.a.tegen Spanje, appl. no. 1874/13, ECLI:CE:ECHR:2018:0109JUD000187413, JAR 2018/56 m.nt. I.J. de Laat.
EHRM 19 juni 2018, Centrum för Rättvisa t. Zweden, appl. no. 35252/08, ECLI:EU:C:2014:317EHRC2018/ 2018/196 m.nt. M. Hagens.
EHRM 13 september 2018, Big Brother Watch e.a. t. Verenigd Koninkrijk, appl. nos. 58170/13, 62322/14en 24960/15, ECLI:EU:C:2014:317Computerrecht 2018/252 m.nt. J.J. Oerlemans, EHRC 2018/208 m.nt. M. Hagens.
 
HvJEU 24 september 2019, zaak C-507/17, Google LLC, rechtsopvolger van Google Inc. / Commission nationale de l’informatique et des libertés (CNIL), ECLI:EU:C:2019:772.
HvJ-EU 13 mei 2014, zaak C-131/12, Google Spain SL, Google Inc. / Agencia Española de Protección de Datos, Mario Costeja González, ECLI:EU:C:2014:317, EHRC 2014/186 m.nt. J.V.J. van Hoboken, SEW 2014/177 m.nt. H.R. Kranenborg; NJ 2014/385m.nt. M.R. Mok, Computerrecht 2014/115 m.nt. P. van Eecke en A. Cornette.
 
HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928, m.nt. E.A. Alkema, AB 1987/231 m.nt. F.H. van der Burg.
HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249, m.nt. T.M. Schalken.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, Computerrecht2017/102 m.nt. S. Kulk en dr. F.J. Zuiderveen Borgesius, JIN 2017/57 m.nt. E.J. Peerboom-Gerrits.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, ECLI:NL:HR:2017:287; HR:2017:288, V-N 2017/12.3 m.nt. Redactie, FED 2017/68 m.nt. C. Maas, BNB 2017/79 m.nt. F.J.P.M. Haas, AB 2018/27 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, NTFRB 2017/36 m.nt. A.J.H. van Suilen, NTFR 2017/562 m.nt. M.J.A. Castelijn.
 
ABRvS 28 augustus 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AH6164, AB 1996/204 m.nt. L.J.J. Rogier, NJCM-Bulletin 1995, nr. 4, p. 431–438 m.nt. J.M.E. Derks, Gmst. 1995,7019, 5, m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens, JB 1995/331 m.nt. A.W. Heringa.
 
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4961, JBP 2018/65, JWR 2018/43, Prg. 2018/309, Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1255, VR 2019/124. 
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6342.
Rb. Rotterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6229.
 

Noten

  1. B. Custers, F. Dechesne, I. Georgieva, S. van der Hof, De bescherming van persoonsgegevens. Acht Europese landen vergeleken. Den Haag: Sdu Uitgevers 2017 , p. 34-37 en p. 206-209
  2. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, ECLI:NL:HR:2017:287, ECLI:NL:HR:2017:288.
  3. Persbericht Hoge Raad 24 februari 2017, https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Hoge-Raad-der-Nederlanden/Nieuws/Paginas/Belastingdienst-mag-fotos-snelwegcameras-niet-gebruiken.aspx .
  4. HvJEU 24 september 2019, zaak C-507/17, Google LLC, rechtsopvolger van Google Inc. / Commission nationale de l’informatique et des libertés (CNIL), ECLI:EU:C:2019:772.
  5. Persbericht HvJEU 24 september 2019, https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2019-09/cp190112nl.pdf
  6. S.D. Warren & L.D. Brandeis, ‘The right to privacy. The implicit made explicit’, Harvard Law Review 1890, p. 193-220. Zie over de historische ontwikkeling van privacyconcepten: B.J. Koops, ‘Privacyconcepten voor de 21e eeuw’, Ars Aequi 2019, p. 532-544; D. Vincent, Privacy: a Short History, Cambridge: Polity Press 2016.
  7. P.J.W. de Brauw & Th.W. van Veen, Behoort de wetgever regelen te treffen ter bescherming van de individu tegen het doen, het gebruiken, en het openbaar maken van waarnemingen, diens persoonlijke sfeer betreffende? Preadviezen NJV, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1965.
  8. De Brauw en Van Veen 1965, p. 9-11.
  9. Artikel 10, eerste lid, Gw. trad ingevolge add. Art. VI pas in werking op 17 februari 1988. Het tweede en derde lid werden in 1983 van kracht. Hierover: G. Overkleeft-Verburg, ‘Artikel 10’, in: A.K. Koekkoek e.a. (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar’, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 155.
  10. G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties. Norm, toepassing en evaluatie, (diss. KUB), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 21-33 en p. 41-59; G. Overkleeft-Verburg, Commentaar op artikel 10 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2014, p. 1-4.
  11. Overkleeft-Verburg 2014, p. 2.
  12. De Brauw 1965, p. 22-37.
  13. Overkleeft-Verburg webeditie 2014, p. 2; Overkleeft-Verburg 1995, p. 39-44.
  14. Overkleeft-Verburg 1995, p. 44; J. Holvast, De volkstelling van 1971. Verslag van de eerste brede maatschappelijke discussie over aantasting van privacy, Zutphen: Uitgeverij Paris 2013.
  15. Kamerstukken II 1968/69, 10 091, nr. 1-3.
  16. Overkleeft-Verburg 1995, p. 45; Holvast 2013, p. 91-168 en 197-258.
  17. Kamerstukken II 1968/69, 10 091, nr. 4 en 7; Handelingen II, 17 maart 1970, 1969/70, 2775-2788; Handelingen II 1969/70, 19 maart 1970, 2832-2839; Handelingen II 1970/71, 10 februari 1971, 2709-2738; Handelingen II 1970-1971, 12 maart 1971, 2761-2771. Hierover: Holvast 2013 p. 71-80, 184-186 en 275-283.
  18. Kamerstukken II 1968/69, 10 091, nr. 4, p. 2.
  19. Handelingen II 1970/71, 10 februari 1971, 2710.
  20. Motie 10 500, hoofdstuk VII, nr. 13; Handelingen II 1971/72, 21 oktober 1971, 517.
  21. Handelingen II 1971/72, 26 oktober 1971, 535. Het lid Goudsmit had de motie reeds eerder ingediend, maar de motie was toen niet in behandeling genomen omdat deze naar de mening van de Kamervoorzitter buiten de orde was: Handelingen II 1970-1971, 17 maart 1970, 2784-2785 en Handelingen II 1970/71, 19 maart 1970, 2832.
  22. Overkleeft-Verburg webeditie 2014, p. 6-10; Overkleeft-Verburg 1995, p. 50-51; G. Overkleeft-Verburg, Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 1.10) in A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt en F.C.L.M. Crijns (red.), Grondrechten, Commentaar op hoofdstuk 1 van de herziene grondwet, Nijmegen 1982, p. 221- 248.
  23. Ministerie van Binnenlandse Zaken, Proeve van een nieuwe grondwet, ’s- Gravenhage: Staatsuitgeverij 1966.
  24. Proeve van een nieuwe grondwet 1966, p. 51; Overkleeft-Verburg 1982, p. 225.
  25. Proeve van een nieuwe grondwet 1966, p. 68-69.
  26. J.M.L.Th. Cals, A.M. Donner, Eerste rapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1968; J.M.L.Th. Cals, A.M. Donner; Tweede rapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, 's-Gravenhage : Staatsuitgeverij 1969; J.M.L.Th. Cals, A.M. Donner; Eindrapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1971.
  27. Koninklijk Besluit van 26 augustus 1967, nr. 1.
  28. Tweede Commissie Cals-Donner 1969, p. 82-84. De redactie van het door de Staatscommissie voorgestelde artikel kwam in hoofdzaak overeen met de redactie in de Proeve. Een verschil was dat de Staatscommissie voorstelde naast het briefgeheim en het telefoongeheim ook het telegraafgeheim op te nemen.
  29. Eindrapport Commissie Cals-Donner 1971, p. 236-239.
  30. Eindrapport Commissie Cals-Donner 1971, p. 236.
  31. Eindrapport Commissie Cals-Donner 1971, p. 237-238.
  32. De leden Cramer, Daudt, Gruijters en Meuwissen.
  33. Eindrapport Commissie Cals-Donner 1971, p. 239.
  34. Eindrapport Commissie Cals-Donner 1971, p. 239.
  35. Kamerstukken II 1973/74, 12 944, nr. 2. Zie hierover ook: Overkleeft-Verburg 1982, p. 226-227.
  36. Kamerstukken II 1973/74, 12 944, nr. 2, p. 14.
  37. Kamerstukken II 1973/74, 12 944, nr. 2, p. 17.
  38. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nrs. 1-5.
  39. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 2, p. 3.
  40. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 39.
  41. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 39-40.
  42. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 8, p. 1-2.
  43. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 7, p. 35-36, Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 8, p. 2.
  44. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 8, p. 2. 24 jaar later zou de Commissie ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’ de regering adviseren een voorstel tot wijziging van artikel 10 Gw. in te dienen, strekkende tot (o.m.) het uitbreiden van de regelopdracht in artikel 10, tweede lid Grondwet met ‘het verwerken van persoonsgegevens’: Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk, Rapport ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, Kamerstukken II 1999/00, 27 460, nr. 1, bijlage 1, p. 132-133 .
  45. B.C. van Beers, Commentaar op artikel 11 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl); J.J. Pelle, In de staatsrechtgeleerde wereld. De politieke geschiedenis van hoofdstuk 1 van de Grondwet 1983 (diss. Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 347- 355.
  46. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 17.
  47. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 11, p. 1-2.
  48. Handelingen II 1975/76 22 december 1976, p. 2426-2427.
  49. Kamerstukken II 1978/79, 15 463, nr. 1-2.
  50. Van Beers webeditie 2019, p. 3.
  51. Kamerstukken II 1978/79, 15 463, nr. 5.
  52. Handelingen II 1979/ 80, 25 juni 1979, p. 5678.
  53. Kamerstukken II 1989/79, 16 086, nrs. 1-3.
  54. Gewijzigd ontwerp van wet 4 januari 1977, Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten, Kamerstukken I 1976/77, 13 872, nr. 42.
  55. Op 22 december 1976 werd wetsontwerp 13 872, met daarin opgenomen art. 1.10, door de Tweede Kamer in eerste lezing zonder stemming aangenomen: Handelingen II 1975/76 22 december 1976, p. 2427. Op 26 juni 1979 werd dit wetsontwerp met 62 tegen 6 stemmen in de Eerste Kamer in eerste lezing aangenomen: Handelingen I 1978/79, 26 juni 1979, p. 1205. Deze wet werd afgekondigd in Stb. 1979, 387. In tweede lezing volgde het aannemen van dit wetsontwerp (16 905) door de Tweede Kamer op 12 november 1981 (zonder stemming): Handelingen II 1980/81, 12 november 1981, p. 319. Op 11 mei 1982 ten slotte werd het wetsontwerp met 66 tegen 4 stemmen in de Eerste Kamer in tweede lezing aangenomen, Handelingen I 1981/82, 11 mei 1981, p. 443. Hierover: Pelle 1998, p. 261-286, p. 335-343 en p. 355-370.
  56. Stb. 1983, 70.
  57. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 40.
  58. Verhey 1992 p. 198-199. Verhey wijst erop dat tijdens de parlementaire behandeling van het ontwerp voor artikel 10 Gw door de PvdA-fractie kritisch is gereageerd op de vaagheid van de beschouwingen van de regering over wat onder de persoonlijke levenssfeer moet worden verstaan: Voorlopig Verslag, Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 6, p. 40. Ook in de literatuur is kritiek geuit op de vaagheid van de beschouwingen van de regering over de reikwijdte van art. 10, eerste lid Gw., o.m. in M.C. Burkens, ‘Grondrechten in een nieuwe grondwet’, NJB 1976, afl. 21, p. 711.
  59. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 40.
  60. Verhey 1992, p. 199. Dit werd in 1980 bevestigd in de MvT bij het wetsvoorstel voor een grondrecht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, Kamerstukken II 1979/80, 16 086, nr. 3, p. 4-5.
  61. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 41.
  62. Bij de grondwetsherziening van 1983 is de leer van de algemene beperkingen afgewezen (Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 20-22). De afwijzing van die leer brengt met zich mee dat in beginsel iedere grondrechtenbeperking herleidbaar moet zijn tot de in de grondwettelijke bepaling opgenomen clausulering.
  63. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 41.
  64. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 41.
  65. Hierover: D.E. Bunschoten, ‘Commentaar op artikel 10. Persoonlijke levenssfeer’, in: P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, D.E. Bunschoten, J.W.A. Fleuren, H.G. Hoogers, Tekst en Commentaar Grondwet en Statuut, Wolters Kluwer: Deventer digitale editie 2018, p. 1-2; Overkleeft-Verburg 2000, p. 178.
  66. ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249, m.nt. T.M. Schalken.
  67. R.o. 6.4.5. Zie over deze uitzondering ook de annotatie van T.M. Schalken bij dit arrest (NJ 1996/249). Hij merkte in punt 4 van zijn annotatie op “dat de Hoge Raad aan zich houdt te bepalen hoe, naar gelang de omvang van de privacy-schending, de verhouding ten opzichte van de wetgever op dit punt in elkaar steekt, terwijl zich dat nu juist aan de rechterlijke discretie onttrekt.”
  68. ECLI:NL:RVS:1995:AH6164, AB 1996/204 m.nt. L.J.J. Rogier; NJCM-Bulletin 1995, nr. 4, p. 431–438 m.nt. J.M.E. Derks; Gmst. 1995,7019, 5, m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens; JB 1995/331 m.nt. A.W. Heringa.
  69. Stb. 1997, 132.
  70. Wet van 27 september 2007 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het creëren van de mogelijkheid voor de burgemeester om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in woningen en lokalen of bij woningen of lokalen behorende erven, Stb. 2007, 355. Bovend’Eert e.a. 2018, p. 2.
  71. Zie ook Vz. Rb. Rotterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6229, over de vraag of de burgemeester de bevoegdheid om een woning te sluiten en een persoon een gebiedsontzegging te geven kan ontlenen aan art. 172, derde lid, Gemeentewet. De voorzieningenrechter oordeelde dat die wettelijke bepaling niet als grondslag kan worden gebruikt indien toepassing daarvan tot een inbreuk op een grondwettelijk beschermd recht leidt.
  72. ECLI:NL:HR:2017:286, V-N 2017/12.3 m.nt. Redactie, FED 2017/68 m.nt. C. Maas, BNB 2017/79 m.nt. F.J.P.M. Haas, AB 2018/27 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, NTFRB 2017/36 m.nt. A.J.H. van Suilen, NTFR 2017/562 m.nt. M.J.A. Castelijn; ECLI:NL:HR:2017:287; ECLI:NL:HR:2017:288.
  73. De Hoge Raad verwijst naar EHRM 2 september 2010, Uzun t. Duitsland, nr. 35623/05, par. 44 e.v.
  74. Ten aanzien van art. 8 EVRM overweegt de Hoge Raad dat uit de eis dat een inmenging in de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven moet zijn voorzien bij wet (“in accordance with the law”) voortvloeit dat die inmenging moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift waaruit de burger met voldoende precisie kan opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt.
  75. in de zaak ECLI:NL:HR:2017:288.
  76. Ook in de, eveneens op 24 februari 2017 gepubliceerde, arresten in de zaken ECLI:NL:HR:2017:287 en ECLI:NL:HR:2017:286 verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond.
  77. ECLI:NL:GHARL:2018:4961, JBP 2018/65, JWR 2018/43, Prg. 2018/309, Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1255, VR 2019/124.
  78. Zie uitgebreid over de horizontale werking van het recht op privéleven: R. Nehmelman en C.W. Noorlander, Horizontale werking van grondrechten. Over een leerstuk in ontwikkeling, Kluwer: Deventer 2013, p. 281-299
  79. HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928, m.nt. E.A. Alkema, AB 1987/231 m.nt. F.H. van der Burg. De Hoge Raad erkende in dit arrest de horizontale werking van het recht op bescherming van het privéleven en wel, nu art. 10 (eerste lid) Gw. in 1987 nog niet in werking was getreden, voor art. 8 EVRM (annotatie Alkema, punt 3).
  80. Hierover: A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer & A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, p. 178-184.
  81. ECLI:NL:GHARL:2019:6342.
  82. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 42.
  83. Stb. 1988, 665.
  84. Stb. 1990, 414.
  85. Stb. 1994, 494.
  86. Overkleeft-Verburg 1995 p. 21 en p. 26-31; Overkleeft-Verburg 2014, p. 13.
  87. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281).
  88. Stb. 2007, 300.
  89. Stb. 2013, 315.
  90. Stb. 2002, 148.
  91. Stb. 2017, 317 en Stb. 2017, 318.
  92. Stb. 2002, 552, Stb. 2004, 315 en Stb. 2004, 390.
  93. (EU) 2016/679, PbEU 2016, L 119.
  94. Zie over de doelstellingen en kernbepalingen van de AVG: H. Hijmans, ‘De AVG en de UAVG. Het grondrecht op gegevensbescherming wordt door de EU beschermd. De werking van dit recht in de Nederlandse rechtsorde roept vragen op’, NJB 2018, afl. 7, p. 472-478; W. van Beek en A.M. Klingenberg, ‘Gegevensbescherming anno 2019’, SEW 2019, nr. 2, p. 66-75; H.H. de Vries en M. Goudsmit, Voorsorteren op de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Twee stappen vooruit, één stap terug’, NJB 2016, afl. 22, p. 1553-1560.
  95. Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 119). Deze Richtlijn is in Nederland per 1 januari 2019 geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Stb. 2018, 401; Stb. 2018, 495).
  96. Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 4, p. 3. Zie hierover de Voorlichting Verwerking en bescherming persoonsgegevens van de Afdeling Advisering van de Raad van State, Kamerstukken II 2011/12, 32 761, nr. 32. Hierover ook: C.K.M.C. Cuijpers, P. Van Eecke, E. Kindt, H.H. de Vries, ‘Een eerste verkenning van het Voorstel Verordening bescherming Persoonsgegevens’, Computerrecht 2012, nr. 3, p. 185-199.
  97. Stb. 2018, 144; Stb. 2018, 145.
  98. Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 8.
  99. Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 8-9.
  100. PbEU 2016, L 119.
  101. Bv. art. 87 AVG inzake de verwerking van een nationaal identificatienummer.
  102. Trb. 1954, 151.
  103. https://wetten.overheid.nl/BWBV0001000/2010-06-10#Verdrag_2_Verdragtekst_TiteldeelI_Artikel8
  104. In vertalingen ook aangeduid als ‘inmenging’ of ‘inbreuk’.
  105. ‘Wet’ in artikel 8 EVRM betekent dus geenszins alleen wet in formele zin: Nieuwenhuis, M. Den Heijer en Hins 2017, p. 112.
  106. EHRM 26 april 1979, Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 6538/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0426JUD000653874, NJ 1980/146 m.nt. E.A. Alkema.
  107. EHRM 4 juni 2002, Oliveira t. Nederland, appl. no. 33129/96, ECLI:CE:ECHR:2002:0604JUD003312996, AB 2002/407 m.nt. I. Sewandono.
  108. EHRM 26 april 1979, Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 6538/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0426JUD000653874, NJ 1980/146 m.nt. E.A. Alkema. Nieuwenhuis, Den Heijer en Hins 2017, p. 112-113.
  109. Nieuwenhuis, Den Heijer en Hins 2017, p. 113-114. O.m. EHRM 24 april 1990, Huvig t. Frankrijk, appl. no. 11105/84, ECLI:CE:ECHR:1990:0424JUD001110584; EHRM 24 april 1990, Kruslin t. Frankrijk, appl. no. 11801/85, ECLI:CE:ECHR:1990:0424JUD001180185, NJ 1991/523 m.n. E.J. Dommering.
  110. Zie voor analyses van deze jurisprudentie: P. van Dijk, F. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Intersentia: Cambridge – Antwerp –Portland 2018, p. 671-672; F. van der Jagt, ‘Het recht op bescherming van persoonsgegevens’, in: J.H. Gerards en B. Barentsen, Grondrechten: de nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 165.
  111. Nieuwenhuis, Den Heijer en Hins 2017, p. 115. Zie over deze eis: Van der Jagt 2013, p. 165-167; Nieuwenhuis, Den Heijer en Hins 2017, p. 115-121; Van Dijk en Van Hoof 2018, p. 315-321.
  112. EHRM 24 november 1986, Gillow t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 9063/80; EHRM 26 maart 1987, Leander t. Zweden, appl. no. 9248/81, ECLI:CE:ECHR:1986:1124JUD000906380, NJCM-bulletin 1988, nr. 2, p. 148-165 m.nt. Th.L. Bellekom.
  113. Van der Jagt 2013, p. 165-166. Bv. EHRM 9 januari 2018, López Ribalda e.a. t. Spanje, appl. no. 1874/13, ECLI:CE:ECHR:2018:0109JUD000187413, JAR 2018/56 m.nt. I.J. de Laat.
  114. EHRM 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, appl. no. 13710/88, ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001371088, NJ 1993/400, m.nt. Dommering; EHRM 6 februari 2001, Bensaid t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 44599/98, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998, EHRC 2001/25 m.nt. J. van der Velde. K. de Vries, ‘Het recht op privéleven en aanverwante rechten’, in J.H. Gerards en B. Barentsen, Grondrechten: de nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 130.
  115. Het belang van een persoon om niet te worden blootgesteld aan ongewenste aandacht van de overheid of derden. Bv. EHRM 24 juli 2003, Smirnova t. Rusland, appl. nos. 46133/99 and 48183/99, ECLI:CE:ECHR:2003:0724JUD004613399, EHRC 2003/84 m.nt. E. Brems, NJ 2005/550 m.nt. T.M. Schalken. De Vries 2013, p. 130.
  116. Zie voor analyses van deze jurisprudentie: C. Forder, M.A.K. Klaassen, Commentaar op Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Art. 8, Den Haag Sdu Uitgevers 2019, serie SDU Commentaar EVRM, digitale editie 2019, p. 1-290; Van Dijk en Van Hoof 2018, p. 670-733; W.A. Schabas, European Convention on Human Rights: a Commentary, Oxford: Oxford University Press 2015, p. 358-411.
  117. Van der Jagt 2013, p. 164. Zie ook: Schabas 2015, p. 367-369; Van Dijk en Van Hoof 2018, p. 321-326.
  118. Hierover: Nehmelman en Noorlander 2013, p. 51-68. Bv. EHRM 2 december 2008, K.U. t. Finland, appl. no. 2872/02, ECLI:CE:ECHR:2008:1202JUD000287202, NJ 2009/470 m.nt. E.A. Alkema, EHRC 2009/24, m.nt. E. Brems, NJCM-Bulletin 2009, nr. 3, p. 281-289, m.nt. M.M. Groothuis.
  119. EHRM 2 augustus 1984, Malone t. Verenigd Koninkrijk, appl. no 8691/79, ECLI:CE:ECHR:1984:0802JUD000869179; EHRM 3 april 2007, Copland t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 62617/00, ECLI:CE:ECHR:2007:0403JUD006261700, EHRC 2007/71 m.nt. P. De Hert en A. Hoefmans, NJ 2007/617 m.nt. Dommering, NJCM-Bulletin 2007, nr. 7, p. 1012-1020 m.nt. M.M. Groothuis.
  120. EHRM 6 september 1978, Klass e.a. t. Duitsland, appl. no. 5029/71, ECLI:CE:ECHR:1978:0906JUD000502971, Ars Aequi 1979, nr. 6, p. 327-334, m.nt. E.A. Alkema; EHRM 2 september 2010, Uzun t. Duitsland, appl. no. 35623/05, ECLI:CE:ECHR:2010:0902JUD003562305, EHRC 2010, 123, m.nt. P. de Hert en J. van Caeneghem; EHRM 1 juli 2008, Liberty e.a. t. Verenigd Koninkrijk, appl. no. 58243/00, ECLI:CE:ECHR:2008:0701JUD005824300, NJ 2010/324 m.nt. E.J. Dommering, NJCM-Bulletin 2009, nr. 1, p. 42-55 m.nt. M.M. Groothuis; EHRM 4 december 2015, Roman Zakharov t. Rusland , appl. no. 47143/06, ECLI:CE:ECHR:2015:1204JUD004714306, NJ 2017/185 m.nt. E.J. Dommering, EHRC 2016/87 m.nt. Hagens, Computerrecht 2016/86 m.nt. S.J. Eskens; EHRC 19 juni 2018, Centrum för Rättvisa t. Zweden, appl. no. 35252/08, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD003525208, EHRC 2018/ 2018/196 m.nt. M. Hagens; EHRM 13 september 2018, Big Brother Watch e.a. t. Verenigd Koninkrijk, appl. nos. 58170/13, 62322/14 en 24960/15, ECLI:CE:ECHR:2018:0913
  121. EHRM 26 maart 1987, Leander t. Zweden, appl. no. 9248/81, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, NJCM-bulletin 1988, nr. 2, p. 148-165 m.nt. Th.L. Bellekom; EHRM 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, appl. nos. 30562/04 en 30566/04, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, EHRC 2009, 13 m.nt. E.J. Koops, NJ 2009, 410 m.nt. E.A. Alkema, NJCM-Bulletin 2009, p. 391-406 m.nt. M. van der Staak..
  122. Raad van Europa en Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, Handboek Europese gegevensbeschermingwetgeving 2014, p 17-18; F. J. Zuiderveen Borgesius en W. Steenbruggen, ‘The Right to Communications. Confidentiality in Europe: Protecting Privacy, Freedom of Expression, and Trust’, Theoretical Inquiries in Law 2019, nr. 1, 2019, p. 291-322.
  123. Deze uitspraken zijn te vinden in de HUDOC-database van het EHRM, https://www.echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=caselaw/HUDOC&c=. Per 1 september 2019 waren hier 19 uitspraken (uit de periode 1985-2019) gepubliceerd waarin het EHRM een schending van art. 8 EVRM door Nederland vaststelde.
  124. Appl. no. 8978/80, ECLI:CE:ECHR:1985:0326JUD000897880, NJ 1985, 525, m.nt. E.A. Alkema, NJCM-Bulletin 1985, nr. 5, p. 410-419 m.nt. J. Schokkenbroek.
  125. Het eerste lid van artikel 10 Grondwet trad op 17 februari 1988 in werking; het tweede en derde lid werden op 17 februari 1983 van kracht. Zie over de totstandskomingsgeschiedenis en inwerkingtreding van artikel 10 Grondwet paragraaf 1 van dit Commentaar.
  126. Trb. 1951, 154; Chart of signatures and ratifications of Treaty 005Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms, https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/005/signatures
  127. NJ 1980, 175.
  128. Bij wet van 27 febr. 1985 (Stb. 1985, 115) is art. 65 Sr. aangevuld. De wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken is sindsdien bevoegd om een klacht in te dienen, indien de minderjarige “aan zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht”. Zie hierover de voornoemde annotaties van Alkema en Schokkenbroek bij de EHRM-uitspraak.
  129. Zie uitgebreid over de meerwaarde van de grondrechten in het EVRM ten opzichte van de grondrechten in de Grondwet: C.A.J.M. Kortmann, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann, B.P. Vermeulen, Constitutioneel recht, Wolters Kluwer: Deventer 2016, p. 404-405; Overkleeft-Verburg 2000, p. 167-168.
  130. Appl. no. 7094/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD000709406, AB 2012/275 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, JB 2012/78 m.nt. G. Overkleeft-Verburg, EHRC 2012/87 m.nt. M.M. Groothuis, NJ 2013/484 m.nt. E.J. Dommering.
  131. Appl. no. 39315/06, ECLI:CE:ECHR:2012:1122JUD003931506, Mediaforum 2013 nr. 1, p. 25-30 m.nt. A.W. Hins, EHRC 2013/36 m.nt. S.P. Poppelaars.
  132. Annotatie De Mos bij EHRC 2013/36.
  133. Met het OM werd overeengekomen dat de documenten bij een notaris in een verzegelde container werden gedeponeerd, die niet zou worden geopend voordat de rechtbank op het beklag tegen de inbeslagneming zou hebben beslist.
  134. EHRM 6 september 1978, Klass e.a. t. Duitsland, appl. no. 5029/71, ECLI:CE:ECHR:1978:0906JUD000502971, Ars Aequi 1979, nr. 6, p. 327-334, m.nt. E.A. Alkema; EHRM 29 juni 2006, Weber en Saravia t. Duitsland, appl. no. 54934/00, ECLI:CE:ECHR:2006:0629DEC005493400, EHRC 2007/13 m.nt. J.P. Loof; EHRM 14 september 2010, Sanoma Uitgevers B.V. t. Nederland, appl. no. 38224/03, ECLI:CE:ECHR:2010:0914JUD003822403, EHRC 2010/136 m.nt. W.F. Korthals Altes, NJ 2011/230 m.nt. E.J. Dommering en T.M. Schalken.
  135. Appl. no. 12738/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, NJ 2015/130 m.nt. B.E.P. Myjer, AB 2014/433 m.nt. A. Woltjer.
  136. Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, Raad van Europa, 28 januari 1981, Trb. 1988, 7; Raad van Europa, Chart of signatures and ratifications of Treaty 108, https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/108/signatures?p_auth=kfm0xIx6 .
  137. Zie over de doelstellingen en kernbepalingen van het Verdrag van Straatsburg: H.R. Kranenborg, Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie: over de openbaarheid van persoonsgegevens (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2007, p. 66-80.
  138. https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/108/signatures?p_auth=k7sEir13 .
  139. Persbericht RvE 28 januari 2019, Modernisation of the Data Protection “Convention 108”; Persbericht RvE 10 januari 2012, Update on the Council of Europe Convention 108.
  140. Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 8-9.
  141. PbEU 26.10.1212, C 326/391.
  142. Hierover: Nieuwenhuis, Den Heijer en Hins 2017, p. 111; Handboek Europese gegevensbeschermingwetgeving 2014, p. 23-26. Zie over de verhouding tot het EVRM ook art. 52, derde lid EU-Grondrechtenhandvest.
  143. Zie voor een overzicht: De Vries 2013, p. 147-149.
  144. HvJ-EU, zaak C-131/12, Google Spain SL, Google Inc. / Agencia Española de Protección de Datos, Mario Costeja González, EHRC 2014/186 m.nt. J.V.J. van Hoboken, SEW 2014/177 m.nt. H.R. Kranenborg; NJ 2014/385 m.nt. M.R. Mok, Computerrecht 2014/115 m.nt. P. van Eecke en A. Cornette. Zie ook: H.H. de Vries, ‘Google vergeet me (niet)!?’, Tijdschrift voor Internetrecht 2014, nr. 4, p. 124-129, G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht vijf jaar later’, Ars Aequi juli/augustus 2019, p. 604-613.
  145. HvJEU 24 september 2019, zaak C-507/17, Google LLC, rechtsopvolger van Google Inc. / Commission nationale de l’informatique et des libertés (CNIL), ECLI:EU:C:2019:772.
  146. ECLI:NL:HR:2017:316, Computerrecht 2017/102 m.nt. S. Kulk en dr. F.J. Zuiderveen Borgesius, JIN 2017/57 m.nt. E.J. Peerboom-Gerrits.
  147. Wetsvoorstel houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de onschendbaarheid van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim, Kamerstukken I 1998/99, 25 443, nr. 40a.
  148. Kamerstukken I 1998/99, 25 443, nr. 40, p. 1-2.
  149. Stb. 1999, 101.
  150. Commissie Grondrechten in het digitale tijdperk, Rapport ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’ (hierna: Commissie GDT), Den Haag: 2000, Kamerstukken II 1999/00, 27 460, nr. 1, bijlage 1.
  151. Commissie GDT 2000, p. 23-25.
  152. Commissie GDT 2000, p. 24-25.
  153. Commissie GDT 2000, p. 25-29.
  154. Commissie GDT 2000, p. 47-48.
  155. Commissie GDT 2000, p. 124-125.
  156. Commissie GDT 2000, p. 129-132.
  157. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PbEG L 281 /31.
  158. Wet bescherming persoonsgegevens; Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 1999/00, 25 892, nr. 92.
  159. Commissie GDT 2000, p. 132.
  160. E.J. Dommering, ‘De nieuwe Nederlandse Constitutie en de informatietechnologie’, Computerrecht 2000, nr. 4, p. 177-185; S. Nouwt, P. Blok, B-J. Koops, M. Schellekens, E. Schreuders en M. de Vries, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk. Een reactie op het rapport’, NJB 2000, afl. 27, p. 1321-1327; L. Asscher, ‘Trojaans hobbelpaard. Een analyse van het rapport van de commissie Grondrechten in het digitale tijdperk’, Mediaforum 2000, nr. 7/8, p. 228-233; F. Kuitenbrouwer, Hoe sterk zijn de digitale grondrechten? Computerrecht 2000, nr. 4, p. 172-176; J.M. de Meij, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, NJCM-Bulletin 2001, nr. 3, p. 274-294; L. Asscher, Communicatiegrondrechten. Een onderzoek naar de constitutionele bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en het communicatiegeheim in de informatiesamenleving, diss. Amsterdam (UvA), Amsterdam: Otto Cramwinckel 2002.
  161. Nouwt e.a. 2000, p. 1324-1325.
  162. Nouwt e.a. verwezen naar de OECD Privacy Guidelines uit 1981, die reeds een achttal algemene privacybeginselen bevatten (http://www.oecd.org/sti/ieconomy/oecdguidelinesontheprotectionofprivacyandtransborderflowsofpersonaldata.htm).
  163. Nouwt e.a. 2000, p. 1324.
  164. Dommering 2000, p. 181-184. Hierover ook: Asscher 2000, p. 232.
  165. Dommering 2000, p. 181.
  166. De Meij 2001, p. 290.
  167. De Meij 2001, p. 291.
  168. O.m. Kuitenbrouwer 2000, p. 173-174.
  169. O.m. Kuitenbrouwer 2000, p. 173-174.
  170. A.K. Koekkoek, P.J.J. Zoontjens, F.M.C. Vlemminx, G. Leenknegt, J. Nouwt, E.J. Koops, H. van Schooten, R. Bos, Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk: een rechtsvergelijkend onderzoek naar informatie- en communicatievrijheid en privacy in Zweden, Duitsland, Frankrijk, België, de Verenigde Staten en Canada, Tilburg University 1999.
  171. De Meij 2001, p. 278.
  172. Commissie GDT 2000, p. 55.
  173. De Meij 2001, p. 278.
  174. Kabinetsstandpunt over het rapport van de Commissie ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, 16 oktober 2000, Kamerstukken II 1999/00, 27 460, nr. 1.
  175. Kabinetsmissive van 4 september 2001, no. 01.004126.
  176. Het wetsvoorstel werd openbaar bij de publicatie van het nader rapport: Bijvoegsel Stcrt. 9 november 2004, nr. 216.
  177. Advies W01.01.0463/01, 24 januari 2002, Bijvoegsel Stcrt. 9 november 2004, nr. 216. Ook over de gelijktijdig ingediende wetsvoorstellen strekkende tot wijziging van art. 7 en art. 13 Gw. adviseerde de Raad van State negatief: adviezen W01.01.0465/01 en W01.01.0467/01, 24 januari 2002, Bijvoegsel Stcrt. 9 november 2004, nr. 216.
  178. Advies W01.01.0463/01, p. 3.
  179. Nader rapport van 29 oktober 2004, Bijvoegsel Stcrt. 9 november 2004, nr. 216. Op dezelfde datum werden ook de wetsvoorstellen strekkende tot wijziging van artikel 7 en artikel 13 Grondwet door de regering ingetrokken.
  180. Besluit van 8 juli 2009 houdende instelling van een staatscommissie voor de herziening van de Grondwet (Instellingsbesluit staatscommissie Grondwet), Stcrt. 2009, nr. 10354.
  181. Instellingsbesluit Staatscommissie Grondwet, p. 1.
  182. Staatscommissie Grondwet, ‘Rapport Staatscommissie Grondwet’, november 2010, Kamerstukken II 2010/11, 31 570. nr. 17, bijlage 1.
  183. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 68-69. De Staatscommissie gaf aan in het rapport van de Commissie GDT 2000, de kabinetsreactie daarop en het advies van de Raad van State over voorgenomen wetsvoorstellen een belangrijke basis te hebben gevonden voor haar discussies.
  184. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 80.
  185. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 82.
  186. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 82
  187. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 83.
  188. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 84.
  189. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 55.
  190. Het lid Overkleeft-Verburg.
  191. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 148.
  192. Minderheidsstandpunt van het lid Overkleeft-Verburg m.b.t. een nieuw grondrecht op bescherming van persoonsgegevens, Staatscommissie Grondwet 2010 (Bijlage 1b), p. 144-148.
  193. L.F.M. Verhey, ‘Grondrechten in het digitale tijdperk: driemaal is scheepsrecht?’, TvCR 2011, nr. 2, p. 152-167.
  194. Verhey 2011, p. 167.
  195. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 80.
  196. Verhey 2011, p. 160-161.
  197. Verhey 2011, p. 161.
  198. Verhey 2011, p. 162.
  199. Verhey 2011, p. 163.
  200. E.J. Koops, ‘Digitale grondrechten en de Staatscommissie: op zoek naar de kern’, TvCR 2011, nr. 2, p. 168-185.
  201. P.H. Blok, Het recht op privacy: een onderzoek naar de betekenis van het begrip 'privacy' in het Nederlandse en Amerikaanse recht (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2002.
  202. Koops 2011, p. 170-174.
  203. Koops 2011, p. 174.
  204. Koops 2011, p. 172-174.
  205. R. Nehmelman, ‘Een algemene periodieke keuring van de nationale grondrechten. Korte analyse van de grondrechtenparagraaf van de Staatscommissie Grondwet 2009/2010’, Regelmaat 2011 nr. 2, p. 84-98.
  206. M.b.t. de onbepaalde reikwijdte van het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer verwees Nehmelman naar: L.F.M. Verhey, Horizontale werking van grondrechten, in het bijzonder van het recht op privacy, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 198-199; R. Nehmelman, Het algemeen persoonlijkheidsrecht: een rechtsvergelijkende studie naar het algemeen persoonlijkheidsrecht in Duitsland en Nederland, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2002, p. 219 e.v.
  207. Nehmelman verwees hier naar: L.F.M. Verhey, ‘Horizontale werking van grondrechten: de stille Straatsburgse revolutie’, in: T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik & J.P. Loof (red.), Geschakeld recht; verdere studies over Europese grondrechten ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van prof. mr. E.A. Alkema, Deventer: Kluwer 2009, p. 517-535.
  208. Nehlmelman 2011, p. 96.
  209. Nehmelman 2011, p 97-98.
  210. Kabinetsstandpunt Staatscommissie Grondwet, Kamerstukken II 2011/12, 31 570 nr. 20.
  211. Kamerstukken II 2011/12, 31 570 nr. 20, p. 8. Het Kabinet wees hierbij op R. Nehmelman, ‘Een algemene periodieke keuring van de nationale grondrechten. Korte analyse van de grondrechtenparagraaf van de Staatscommissie Grondwet 2009/2010’, Regelmaat 2011 nr. 2, p. 93–96.
  212. Kamerstukken II 2011/12, 31570 nr. 20, p. 7-8.
  213. Kamerstukken II 2011/12, 31570 nr. 20, p. 8.
  214. Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de onschendbaarheid van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim, Voorstel van Wet. Kamerstukken II 2013/14, 33 989, nr. 2. Hierover: E.J. Koops, Commentaar op artikel 13 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019; M.M. Julicher, ‘De wijziging van het communicatiegeheim in de Grondwet: een gemiste kans?’, NTM 2019 nr. 2, p. 129-158.
  215. Handelingen II 2013/14, 33 989, nr. 69, item 11.
  216. Handelingen I 2016/17, 33989, nr. 35, item 4.
  217. B. Custers, F.Dechesne, I. Georgieva, S. van der Hof, De bescherming van persoonsgegevens. Acht Europese landen vergeleken. Den Haag: Sdu Uitgevers 2017.
  218. Motie van de Leden Schouw en Oosenbrug, Kamerstukken II 2014-2015, 34 000 VI, nr. 50, waarin de regering wordt verzocht een onderzoek te laten doen naar de positie van Nederland met betrekking tot bescherming van de privacy van burgers. Deze motie is op 27 november 2014 aangenomen: Handelingen II 2014/15, 27 november 2014, nr. 30, item 17.
  219. Custers e.a. 2017, p. 34-37 en p. 206-209.
  220. Julicher 2019, p. 130; J.H. Gerards, ‘The Irrelevance of the Netherlands Constitution, and the Impossibility of Changing It’, Revue interdisciplinaire d'études juridiques 2016, no. 2, p. 207-233; Staatscommissie Grondwet 2010, p. 23-25; R. van Est, J.B.A. Gerritsen, with the assistance of L. Kool, Human rights in the robot age: Challenges arising from the use of robotics, artificial intelligence, and virtual and augmented reality – Expert report written for the Committee on Culture, Science, Education and Media of the Parliamentary Assembly of the Council of Europe (PACE), The Hague: Rathenau Instituut 2017.
  221. Hierover recent: M. Vetzo en J.H. Gerards, ‘Algoritme-gedreven technologieën en grondrechten’, Computerrecht 2019, afl. 1, p. 10-19; J. Gerards, R. Nehmelman, M. Vetzo, Algoritmes en Grondrechten, Den Haag: Boom juridisch 2018; B.J. Koops en J. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014.
  222. Staatscommissie Grondwet 2010, p. 80-84.
  223. Verhey 2011, p. 160-163; Koops 1011, p. 170-174; Nehmelman 2011, p. p. 95-98.
  224. Kamerstukken II 2011/12, 31 570 nr. 20.
  225. Hierover ook: Julicher 2019, p. 130-131.
  226. Koops webeditie 2019, p. 25-28; vgl. ook de voorstellen tot wijziging van de artikelen 7, 10 en 13 Grondwet in C. Roorda, ‘ICT in de Grondwet. Een concreet voorstel’, Mediaforum 2017, nr. 7/8, p. 218-224.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    M.M. Groothuis, Commentaar op artikel 10 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

De artikelen 11, 12 en 13 van de Grondwet bieden bescherming bij enkele specifieke vraagstukken in verband met de persoonlijke levenssfeer. Artikel 10 is een algemeen privacygrondrecht, dat alle privacyvraagstukken omvat die niet onder een van de genoemde bijzondere bepalingen vallen. Daarbij geeft dit artikel de wetgever de opdracht regels te stellen over de verwerking en bescherming van persoonsgegevens.
 
Privacyvraagstukken vormen de kern van actuele rechtsstatelijke dilemma’s. De strijd tegen het internationale terrorisme en de bescherming van de veiligheid van mensen gaan steeds vaker gepaard met vergaande inbreuken op de privacy. Daarbij kan worden gedacht aan cameratoezicht of het afluisteren van communicatie, maar ook aan de verzameling en verwerking van gegevens over de dagelijkse bezigheden, het verkeersgedrag, de financiële situatie, het internetgebruik en de gezondheid van mensen. Door dergelijke gegevens aan elkaar te koppelen, te vergelijken en daaruit nieuwe informatie af te leiden, kunnen mogelijke bedreigingen voor de veiligheid in kaart worden gebracht. Daarmee wordt wel het privéleven van grote aantallen mensen blootgelegd en het gevaar bestaat dat kwaadwillenden die gegevens gebruiken voor oneigenlijke doeleinden.
 
Ook vanuit commercieel oogpunt zijn persoonsgegevens interessant: bedrijven leiden eruit af waar potentiële klandizie woont en werkt, waar zij hun boodschappen doen en welke voorkeuren zij op allerlei vlakken hebben. Het recht op privacy lijkt tegenwoordig in vele opzichten het meest bedreigde en meest geschonden fundamentele recht te zijn. Artikel 10 werpt een dam op tegen dergelijke bedreigingen van onze privacy, door de wetgever op te dragen regels vast te stellen over het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens.
Achtergronden

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Prof.mr. G. Overkleeft-Verburg over artikel 10 GW in A.K. Koekoek (red.) De Grondwet, Een systematisch en artikelsgewijs commentaar. (Zie noot 1 bij het wetenschappelijk commentaar hiernaast).

Ejure over drones en privacy.

Ius mentis over privacy en ICT.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Bespiede bijstandsmoeder

HR 9 januari 1987
De Hoge Raad bepaalt dat privacy horizontale werking heeft (dus ook geldt tussen burgers onderling), maar dat dit recht beperkt kan worden indien het gaat om het doorgeven van inlichtingen in het algemeen belang.

Ferdi E.

HR 21 januari 1994
De Hoge Raad beschrijft hoe het belang van privacy en resocialisatie van een veroordeelde moeten worden afgewogen tegen het van een blad bij de vrijheid van meningsuiting.

Gaskin

EHRM 7 juli 1989
Het ontbreken van een voldoende procedure ter inzage van persoonlijke gegevens wordt door het EHRM aangemerkt als een schending van bescherming van het privé-leven.

Von Hannover

24 juni 2004
Het EHRM bepaalt dat iedereen, ook publieke personen, een 'legitimate expectation' moet kunnen hebben van de bescherming van de privésfeer. De bijdrage aan het publieke debat van de publicatie is beslissend bij het bepalen van de grenzen van die bescherming.

Recente rechtspraak

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Google Spain SL en Google Inc tegen AEPD en Mario Costeja González

HvJ EU 13 mei 2014
De heer González wilde dat Google de koppeling tussen zijn naam en voor hem schadelijke informatie over zijn verleden verwijderde.
Het Hof oordeelde dat het recht op bescherming van privacy en persoonsgegevens in deze zaak voorrang heeft boven het recht op informatie van internetgebruikers en het economische belang van Google. Zodoende kan de heer González, op grond van het recht op privacybescherming, eisen dat Google persoonsgevoelige gegevens uit de zoekresultaten verwijdert - ook al zijn die gegevens wel juist. Het Europese Hof voegt hier aan toe dat dit niet geldt niet als het grote publiek belang heeft bij informatie over een publiek persoon. Dan is volgens het Hof het recht op informatie belangijker en hoeft Google informatie niet te verwijderen. Zie ook bespreking van dit arrest op mensenrechten.nl
Politiek

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Privacybarometer.nl geeft een overzicht van actuele politieke zaken op het gebied van privacy
Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  • Korte documentaire over privacy
  • Bescherming tegen
  • Panopticon
  • Rechter Scalia over privacy
Korte documentaire over privacy
Blogs

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Blog op ons forum over internet en privacy

Blog over de privacy van ambtenaren en de Wet Openbaarheid van Bestuur.

Theprivacyblog.com (een Engelstalige blogwebsite over privacy.)
In de wereld

Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

Europa-nu.nl over bescherming van persoonsgegevens in Europa.