20.06.2013

Gert-Jan Leenknegt

1 reactie

TAGS
REAGEER!

BLOG

De orde van de troonopvolging na Willem-Alexander

Met het aantreden van Willem-Alexander als Koning der Nederlanden is er niet alleen een andere Oranje op de troon gekomen, maar zijn er ook verschuivingen opgetreden in de orde van de troonopvolging. Met zaken als erfopvolging is het altijd leuk wat gedachte-experimentjes te doen: wie komen er, in welke volgorde, nu in aanmerking voor het koningschap na Willem-Alexander? Is diens opvolging in alle denkbare omstandigheden wel voldoende verzekerd?
 
De hoofdregel met betrekking tot de erfelijke vervulling van het koningschap is neergelegd in artikel 25 Grondwet. Volgens die bepaling wordt de Koning opgevolgd door zijn wettige nakomelingen, waarmee nakomelingen uit een wettig huwelijk worden bedoeld. Het oudste kind heeft daarbij voorrang, ongeacht zijn of haar geslacht. Kinderen die het resultaat zijn van buitenechtelijke escapades van een Koning zijn van de opvolging uitgesloten, maar wettig geadopteerde kinderen kunnen wel in aanmerking komen voor het koningschap.
 
Bij gebrek aan nakomelingen van de Koning erven de nakomelingen van de ouder of grootouder van de laatste Koning het koningschap. Daaraan zijn echter twee beperkingen gesteld. Ten eerste mag de betreffende nakomeling niet verder van de laatste Koning af staan dan de derde graad van bloedverwantschap. De graad van bloedverwantschap tussen twee familieleden wordt volgens artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek bepaald door het aantal geboortes dat de verwantschap heeft doen ontstaan. Een kind is aan de beide ouders in de eerste graad bloedverwant, broers en zussen zijn bloedverwanten in de tweede graad, evenals grootouders en kleinkinderen, een oom of tante is een bloedverwant in de derde graad en een kind daarvan (neef of nicht) is een bloedverwant in de vierde graad. Ten tweede brengt artikel 28, tweede lid, van de Grondwet mee dat een mogelijke troonopvolger die een huwelijk aangaat zonder wettelijke toestemming daardoor het recht op de troon verliest. Op deze wijze kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat door een huwelijk van een troonopvolger ongewenste complicaties in de relatie met andere vorstenhuizen ontstaan. Een voorbeeld is het huwelijk van prinses Irene met Carlos Hugo de Bourbon-Parma, een omstreden pretendent voor de Spaanse troon, dat geen wettelijke toestemming verkreeg.
 
Deze regeling heeft tot gevolg dat er momenteel acht mogelijke troonopvolgers zijn. De drie dochters van Willem-Alexander zijn de eerste drie mogelijke troonopvolgers. Het huwelijk van prins Constantijn verkreeg wettelijke toestemming, waardoor hijzelf en zijn nakomelingen mogelijke troonopvolgers vier tot en met zeven zijn. Het huwelijk van Johan Friso verkreeg geen wettelijke toestemming, waarmee hijzelf en zijn nakomelingen het recht op de troon verloren.
 
Verder is ook voor het huwelijk van prinses Margriet, de zus van prinses Beatrix, bij wet toestemming verleend. Zij is nu nummer acht in de lijn van erfopvolging. Twee van haar zonen, de prinsen Maurits en Bernhard, verkregen eveneens wettelijke toestemming voor hun huwelijk, maar zij zijn aan de huidige Koning, hun neef Willem-Alexander, in de vierde graad bloedverwant en komen dus niet in aanmerking voor de troonopvolging.
 
Of toch wel?
 
Dit soort materie prikkelt op een lugubere manier de fantasie; uiteenlopende rampscenario’s zijn immers denkbaar. De meeste daarvan zijn hoogst onwaarschijnlijk, maar desondanks niet geheel onmogelijk en dat is precies de reden waarom de Grondwet een tamelijk uitgebreide regeling voor de troonopvolging kent. Het ambt van staatshoofd is bepaald niet ongevaarlijk, sterker nog, het is een beroepsgroep met een, zeker historisch gezien, zeer hoog risico op vroegtijdig overlijden. Fatsoenshalve sluit ik mij niettemin aan bij de bewoordingen die op de website van het Koninklijk Huis worden gebruikt bij de uitleg over de troonopvolging. Daar wordt heel neutraal en enigszins eufemistisch gesproken over het eventueel ‘niet beschikbaar zijn’ van mogelijke troonopvolgers.
 
Laten wij uitgaan van een hypothetische toekomstige situatie waarin de nakomelingen van Willem-Alexander én van Constantijn ‘niet beschikbaar’ zijn. In dat geval erft volgens artikel 25 Grondwet dus de oudste nakomeling van de ouder dan wel de grootouder van de laatste Koning het koningschap, hetgeen zou betekenen dat prinses Margriet de troon zou bestijgen. In dat, nogmaals, uiterst hypothetische geval zijn de prinsen Maurits en Bernhard en hun respectieve nakomelingen plotseling toch weer mogelijke troonopvolgers en is het voortbestaan van de Oranjedynastie voorlopig weer verzekerd.
 
Eén en ander moet zich dan wel voordoen voordat prinses Margriet ‘niet beschikbaar’ raakt, want zoals hierboven is aangegeven kan prins Maurits zelf Willem-Alexander niet rechtstreeks opvolgen. In dat geval zou er dus geen enkele troonopvolger meer zijn. Wie belang hecht aan de continuïteit van het huis van Oranje op de vaderlandse troon moet dan hopen dat Beatrix nog ‘beschikbaar’ is: zij is dan immers de oudste nakomeling van de grootouder van de laatste Koning. Probleem is echter dat zij reeds afstand van het koningschap heeft gedaan en hoewel de Grondwet dat nergens met zoveel woorden zegt, is de gedachte dat een vorst die troonsafstand doet, dat voor eens en voor altijd doet. Toch zou in dat, ik herhaal, uiterst hypothetische geval de oplossing kunnen liggen in het opnieuw aanvaarden van het koningschap door prinses Beatrix, al is het maar voor een dag. Staatsrechtelijk zou dat een novum zijn, maar nieuw staatsrecht wordt vaak juist gemaakt in gevallen waarin de nood het hoogst is. De Oranjedynastie is dan voorlopig weer gered, aangezien prins Maurits aan haar in de derde graad bloedverwant is en haar dus direct kan opvolgen.
 
Is er geen enkele nakomeling van de Koning, diens ouder of grootouder beschikbaar die aan de laatste Koning tot maximaal de derde graad bloedverwant is, dan bestaat, in de woorden van artikel 30 Grondwet, het vooruitzicht dat een opvolger zal ontbreken. In dat geval kan (‘kan’) bij wet een opvolger worden benoemd. Wanneer een Koning zonder mogelijke opvolgers komt te overlijden of afstand van het koningschap doet, worden volgens het tweede lid van die bepaling de beide kamers der Staten-Generaal ontbonden en beslissen de nieuw gekozen Staten-Generaal in verenigde vergadering omtrent (‘omtrent’) de benoeming van een Koning. In beide gevallen behoort een telg van de Oranjedynastie, zoals prins Maurits, tot de voor de hand liggende kandidaten, maar strikt genomen zijn wij dan allen benoembaar. De bepalingen laten uitdrukkelijk ook de ruimte geen troonopvolger of Koning meer te benoemen, waarmee een einde aan de monarchie zou komen.
 
Voorlopig is dat laatste natuurlijk niet aan de orde; de troonopvolging is vooralsnog ruimschoots verzekerd door de beschikbaarheid van een geruststellend aantal mogelijke erfopvolgers. In 2014 is Nederland 200 jaar onafgebroken een monarchie met een Oranje als Koning; het grondwettelijke stelsel van erfopvolging biedt voldoende waarborgen voor nog eens 200 jaar.

GRONDWET ARTIKELEN

OVER DE AUTEUR

Gert-Jan Leenknegt is universitair hoofddocent Staats- en bestuursrecht bij Tilburg University.

Reacties

1 reactie

20.06.2013 | TMK
Mooi (en humoristisch) overzicht!

Reageer!

Vul uw reactie hier in

* Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar, er kan enige tijd overheengaan tot uw reactie zichtbaar is.