26.08.2021

Maarten Neuteboom

TAGS
REAGEER!

BLOG

Klassiekers democratische rechtsstaat #19: DANTE EN DE RECHTSSTAAT: HEB de GERECHTIGHEID LIEF


Wie een willekeurige rechtenstudent vraagt naar de nucleus van de rechtsstaat, hoort dat een dergelijke staat door het recht wordt beheerst. Afhankelijk van het bestudeerde handboek staatsrecht vertelt de student dat sprake moet zijn van grondrechten die allereerst de eigen sfeer van individu en samenleving erkennen, van machtenscheiding – in het bijzonder van een onafhankelijke rechter –, eventueel de aanvaarding van algemene rechtsbeginselen en als men Kortmann heeft gelezen zelfs van democratie. Dit stelt ook Scholten, die schrijft dat ‘met de scheiding der machten de voorstelling gepaard gaat, dat het volk op eenige wijze aan de wetgeving deel moet hebben’. Niettemin worden ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ van elkaar onderscheiden. De democratisering van de rechtsstaat is immers jonger dan de rechtsstaat zelf en de democratie kan de rechtsstaat – als waarborg tegen willekeur – ernstig bedreigen.

Voortdurend dringt zich tegen de achtergrond van de rechtsstaat de vraag op naar de gerechtigheid die moet worden gediend en waarin zij is gefundeerd. Misschien is het woord ‘vraag’ hier niet helemaal op zijn plaats, maar kan beter worden gesproken van een ‘roep’. De geschiedenis toont ons talloze momenten waar mensen hun stem verheffen en zich vanuit de verdrukking vastklampen aan de gerechtigheidseis. Dit existentiële aspect van de vraag naar rechtvaardigheid zien we ook bij de Italiaanse dichter-filosoof Dante Alighieri. Het is dit jaar zeven eeuwen geleden dat hij stierf en in Italië is dat aanleiding Dante groots te herdenken. Laten wij dat in het kader van de Europese gedachte ook hier doen. Dante is als auteur een klassieker van de rechtsstaat. Deze middeleeuwer was één van de grootste zoekers naar rechtvaardigheid én kan ons verlichten omtrent enkele verlegenheden van het politiek liberalisme dat onze rechtscultuur stempelt. Namelijk: de verhouding van liefde tot rechtvaardigheid en dat wat we het sacrale van de gerechtigheidsidee zouden kunnen noemen.

We voelen wel aan – liefde en heiligheid – dat zijn begrippen die tegenwoordig in het recht moeilijk inpasbaar lijken. Zijn dat in dit verband geen woorden uit lang vervlogen tijdenwaarin onvoldoende onderscheid werd gemaakt tussen God en wereld, staat en kerk, moraal en recht? Voert dit niet terug naar heteronome tijden waarin de vooral door Kant opgedolven individuele autonomie nog onontgonnen terrein was? De moderne democratische rechtsstaat zoekt zijn fundering in het rationele en universele. Precies daarin voorziet de seculiere theorie van het sociaal contract, zoals die op uiteenlopende wijze door verlichtingsfilosofen is geformuleerd. De meest gezaghebbende verfijning van dit denken vinden we bij John Rawls, die ons vanachter de “veil of ignorance” wil leiden naar een rationele conceptie van rechtvaardigheid waarin de centrale waarden van vrijheid en gelijkheid met elkaar worden verzoend. Een met redelijke en processuele waarborgen omkleedde deliberatie begrenst de zoektocht naar een “reflective equilibrium” dat in onze pluralistische samenlevingen idealiter uitmondt in een “overlapping consensus” rondom de dragende politieke principes en publieke waarden. Burgers zouden zo vanuit hun uiteenlopende religieuze, metafysische en seculiere overtuigingen de constituerende morele waarden waarop de rechts- en staatsgemeenschap berust moeten kunnen onderschrijven.

Rawls’ systeem wordt gedomineerd door rationalisme als uitweg uit botsende belangen. Op dit rationalisme richt zich de nodige kritiek. Allereerst: de beginsituatie die Rawls schetst, overschat de universaliteit van de menselijke rede los van cultuurgeschiedenis. Rawls miskent daarmee ook de historische situering van rechtsbeginselen. Rawls’ principes zijn ten tweede schrale, abstracte blauwdrukken die in de praktijk onvoldoende slagen in het bewerken van een gedeelde fundering van de moraal, omdat zij (a) niet kunnen verhullen dat in de modern-westerse rechtvaardigheidsnotie oudere, meer traditionele waarden meespelen die voortvloeien uit de Griekse filosofie en ons joods-christelijke erfgoed, en (b) een min of meer gedeeld doel van het menselijk leven ontbreekt, omdat dit binnen de rechtsgemeenschap is geprivatiseerd, zodat iedere burger – vanuit Rawls’ individualistische mensbeeld – binnen de liberale spelregels zijn conceptie van het goede kan najagen. Tot derde is het binnen Rawls’ systeem moeilijk burgers vanuit een innerlijke bezieling te binden aan het recht, iets wat we terugzien in debatten over civiele religie en patriottisme.

In de zoektocht naar de wortels van de rechtsstaat moeten we de middeleeuwen niet al te stiefmoederlijk bedelen. Dit zijn de eeuwen van de grote, maar vruchtbare spanningen tussen recht en religie; twee fenomenen die altijd in een onderlinge – dialectische – verhouding staan en wier wisselwerking onze rechtstraditie diepgaand bepaalt. Welbeschouwd is het recht im Grunde verbonden met existentiële vragen naar zin, doel en betekenis van het leven; met de roep ook van de mens als nietige speelbal in het drama van de geschiedenis, van de bovenpersoonlijke krachten en lotgevallen die vertrappen, verdrukken en vernietigen kunnen.

Vanuit díe mens – niet Rawls’ fictieve, geatomiseerde individu –stelt Dante de vraag naar goed en kwaad, naar rechtvaardigheid en ongerechtigheid. In feite kent ook Dante een “original position” waarin onwetendheid de mens karakteriseert, maar het is niet de onbekendheid met de eigen bijzondere positie die men in de samenleving inneemt – de sluier der onwetendheid – van waarachter wij rijp en groen de vruchten kunnen plukken van de boom der kennis. Nee, het is de verduisterde blik van de mens die een vage notie heeft van het goede en het rechtvaardige, daar diep naar verlangt, maar uit zichzelf onmachtig is daartoe te geraken, omdat zijn verstand én wil tekortschieten. Wat is daarvan de reden? Ons verscheurde innerlijk waar de scheidslijn tussen goed en kwaad doorheen loopt. Dát doet Dante aan het begin van zijn grote werk – La Divina Commedia – vertwijfeld uitroepen ‘midden op de reisweg van ons leven; (her)vond ik mijzelf in een donker woud; daar ik de rechte weg uit het oog verloren was’.

Het is belangrijk te onderstrepen dat Dante dit schrijft als hij een berooide en terdoodveroordeelde banneling is, maar dat hij zich op dat moment als personage in de Commedia zo ongeveer op het hoogtepunt bevindt van zijn politieke leven. Zijn positie in het Florentijnse stadsbestuur brengt echter ook teweeg dat de geschiedenismachten vat op hem krijgen via de partijtwisten die Florence verscheuren; twisten die terugvoeren op de grote strijd tussen kerk en staat, paus en keizer, Welfen en Ghibellijnen, Overal waar Dante kijkt, ziet hij twist, tweespalt en tweedracht en hij roept het uit in het donkere woud: misere di me! Op dat ‘ontferm u mijner!’ komt een antwoord in de figuur van Vergilius en van Beatrice; van de oude dichter die de klassieke wijsheid vertegenwoordigt en van zijn jonggestorven jeugdliefde in wier edele en ingetogen schoonheid voor Dante genadig iets was opgelicht van een transcendente, sacrale, kosmische (rechts)orde, van het goede en het ware – van God. Die ervaring had het leven van Dante ondersteboven gekeerd en de herinnering aan Beatrice én wat hij dankzij haar had gezien, heeft hem nooit meer losgelaten. Wat was dat? Allereerst dat de liefde voor haar een eis met zich meebracht: de eerbiediging van haar wezen. We zouden ook kunnen zeggen: haar innerlijke goedheid hield Dante – en ook anderen in Florence – een maat voor die een bewustzijn van recht opriep. Dankzij de liefde voor Beatrice werd Dante geplaatst voor de vraag wat hij haar verschuldigd was.

Dit bleek evenwel niet eenvoudig: wie kan recht doen? Wie geeft de ander – als hij dat al weet – altijd wat hem of haar toekomt? Maar al te vaak stellen we onze eigen belangen voorop of menen we dat onze levensbestemming of -vervulling, ligt in – wat Dante noemt – de dingen die voorbijgaan; het vergankelijke, tijdelijke, eindige. Zo beginnen we ons eigen “ik” te verraden, ons diepste zelf dat verlangt naar een vrede en gerechtigheid die niet voorbijgaat, maar dat al zoekende en tastende daarnaar de weg kan kwijtraken in de verwikkelingen van het leven, zelfs tot aan het kwaad toe. De liefde tot de rechtvaardigheid betekent daarom ten tweede dat we niet primair gepreoccupeerd moeten zijn met waar we zoal recht op menen te hebben, maar ons altijd opofferingen zullen moeten getroosten, die ons evenwel dichter bij ons ware zelf brengen.
Tot slot de eeuwige vrede waar ook de moderne Kantiaanse mens naar zoekt. Het was Dantes stellige overtuiging dat hij in Beatrice iets van de eeuwige vrede had gezien, maar ook dat de mens het morele tekort in zichzelf en het drama van de geschiedenis niet zelf definitief – ook niet politiek – kan overwinnen. Het brengt Dante ertoe krachtig te betogen dat staat en kerk van elkaar moeten worden onderscheiden. “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”, had Christus gezegd. “Geef daarom aan de Keizer wat van de Keizer is en aan God wat van God is.” Hij heeft de mens een liefde geleerd die, terwijl ze uitgaat boven de rechtvaardigheid, haar erkent en vervult. Zijn wet is het dubbelgebod van de liefde en ze heeft de westerse (rechts)cultuur diepgaand gestempeld. Toch blijft dit liefdesgebod primair iets van het innerlijk. Het kan maar heel voorlopig en gebrekkig in de structuren van onze aardse werkelijkheid worden ingevoegd. Dante staat daarom op tegen de paus die in zijn tijd naar aardse macht grijpt. Maar hij weert zich ook tegen een staat die geen transcendente gerechtigheidsnorm erkent – voor wie zogezegd niets heilig is – en politici houdt hij voor: bemint de gerechtigheid, gij die de aarde regeert.

OVER DE AUTEUR

Maarten Neuteboom is als docent verbonden aan de afdelingen Rechtsfilosofie en Moot Court van de Universiteit Leiden

Reacties

Reageer!

Vul uw reactie hier in

* Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar, er kan enige tijd overheengaan tot uw reactie zichtbaar is.