BLOG

Rechtsstatelijke reacties op het regeerakkoord #2: Nederlanderschap als verdienste?


‘Het Nederlanderschap is iets om trots op te zijn en wat je moet verdienen’.

Deze zin uit het nieuwe regeerakkoord wekt vooral verbazing omdat het overgrote deel van de Nederlanders het Nederlanderschap niet heeft verkregen door iets te doen of na te laten, maar doordat tenminste een van hun ouders ten tijde van hun geboorte Nederlander was (art 3 Rijkswet op het Nederlanderschap).

De zin symptomatiseert de fundamentele ambivalentie van wat in onze geglobaliseerde wereld nog altijd de belangrijkste eenheid van politieke organisatie is, namelijk de natiestaat. Aan de ene kant zijn natiestaten de constitutionalisering van het gezamelijke politieke handelen van mensen die elkaar als burgers gelijke rechten toekennen. Maar aan de andere kant zijn natiestaten de staten van naties, en wie deel uitmaakt van een natie wordt over het algemeen bepaald door biologische afkomst—het woord natie stamt af van het Latijnse nasci, geboren worden—of door vermeende gedeelde culturele afkomst, niet door (politieke) verdienste. ‘Naturalisatie’ van nieuwkomers is de uitzondering die de regel bevestigt, namelijk dat naties allereerst worden voorgesteld als ‘natuurlijke’ gemeenschappen, niet als de voortdurend zelf-constituerende subjecten van politieke communicatie en politiek handelen: het volk in politieke zin, de demos van democratie.

Er is altijd tenminste een potentiële spanning tussen deze twee aspecten van natiestaten: tussen de demos en de natie. Aan de ene kant bieden natiestaten ruimte voor democratische politiek, waarbij alles draait om wat mensen doen, om mensen als vrij sprekende en vrij handelende burgers. Aan de andere kant zijn natiestaten mechanismen voor wat denkers als Hannah Arendt, Michel Foucault en Roberto Esposito hebben bekritiseerd als ‘biopolitiek bestuur’, wat uitsluitend draait om wat mensen zijn, om het managen van mensen als ‘levende lichamen’ (of als dode lichamen, zoals denkers als Achille Mbembe en Giorgio Agamben hebben beargumenteerd, die in dit verband van ‘necropolitiek’ of ‘thanatopolitiek’ spreken. De talloze op reis verongelukte of soms vermoordde vluchtelingen en migranten kunnen hier als voorbeeld dienen, voor zover hun dood het gevolg is van uitsluiting uit, en van hindernissen opgeworpen door natiestaten). Of natiestaten vooral ruimte bieden voor democratische politiek, of dat ze gereduceerd worden tot mechanismen voor ‘biopolitieke’ of ‘necropolitieke’ bevolkingsmanagement, is altijd een open vraag, en is vaak zelf de inzet van politieke strijd, zoals denkers als Étienne Balibar en Jacques Rancière hebben betoogd.

Door het Nederlanderschap als verdienste voor te stellen, lijkt de bovenstaande zin uit het regeerakkoord op het eerste gezicht de demos boven de natie te stellen, democratie boven biopolitiek, de mens als vrije politieke actor en rechtssubject boven de mens als biologisch lichaam en object van bestuurlijke processen. De Nederlandse rechtsstaat, zo zou je deze zin op het eerste gezicht kunnen interpreteren, is de verdienste van de politieke inspanningen van het Nederlandse volk, en de rechten die zij biedt zijn een verdienste van en voor handelende burgers, geen privileges voor bepaalde lichamen op grond van hun afkomst. Nieuwkomers kunnen toetreden tot het Nederlandse sociale contract door ‘in te burgeren’, wat in het regeerakkoord primair in juridische en politieke termen wordt gedefiniëerd:

Inburgeren is een plicht en een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. De voorwaarden voor inburgering in Nederland betreffen taalkennis, kennis van de wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende vrijheden en gelijkheden, grondwettelijke rechten en plichten, aantoonbaar participeren, voldoen aan de sollicitatieplicht en tegenprestatie die gelden voor uitkeringsgerechtigden.

Het probleem bij deze interpretatie is echter dat inburgeren voor verreweg de meeste nieuwkomers noch een plicht, noch een vereiste is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, omdat zij, zoals ik aan het begin van deze blogpost al vermeldde, automatisch Nederlander worden bij hun geboorte. En de Nederlanders die nooit hebben hoeven in te burgeren worden de laatste tijd vaak niet aangesproken als burgers, maar als ‘normale’ leden van een als homogeen voorgestelde natie. Denk bijvoorbeeld aan de paginagrote brief die de minister-president twee maanden voor de verkiezingen publiceerde in de landelijke dagbladen, waarin een fundamenteel onderscheid werd gemaakt tussen een ‘stille meerderheid’ van ‘gewone Nederlanders’ en immigranten ‘die zich niet willen aanpassen, afgeven op onze gewoontes en onze waarden afwijzen’, doordat ze bijvoorbeeld ‘gewone Nederlanders uitmaken voor racisten'.[1] Het woord ‘normaal’ komt maar liefst elf keer voor in deze korte brief, terwijl de woorden ‘democratie’ en ‘recht’ ontbreken. Een voor de hand liggende interpretatie van het uiterst merkwaardige voorbeeld van de beschuldiging van racisme is overigens dat dit een ‘verloochening’ is—om een term uit de psychoanalyse te gebruiken—van een feit dat niet verborgen (‘onderdrukt’) kan worden maar gewoon voor iedereen zichtbaar is, namelijk dat de brief zelf racistisch is in de manier waarop deze een tegenstelling creëert tussen de vermeende ‘gewone Nederlander’ en immigranten, of moslims, zoals veel lezers de gecodeerde toespelingen zullen herkennen.

Cynisme over het idee van Nederlanderschap als verdienste is daarom een begrijpelijke reactie: het is immers duidelijk dat de regering Nederlanderschap in eerste instantie als natuurlijk privilege van ‘gewone Nederlanders’ ziet. Ik zou echter de vraag willen opwerpen wat het zou betekenen om het idee van Nederlanderschap als verdienste serieus te nemen.

Het idee van Nederlanderschap als verdienste serieus nemen zou kunnen betekenen om Nederlanderschap niet te definiëren in termen van wat de vermeende ‘stille meerderheid’ die het Nederlanderschap nooit heeft hoeven verdienen ‘normaal’ vindt, en Nederlanderschap verdienen niet te definiëren in termen van ‘aanpassen’. In plaats daarvan zou Nederlanderschap kunnen worden gedefinieerd in termen van een complex van rechten en plichten dat gerealiseerd wordt in een praktijk van samen leven, samen spreken, samen handelen, samen werken, samen leren, en samen zorgen. Nederlanderschap zou dan geen privilege zijn dat primair gekoppeld is aan afkomst, maar een verdienste die door iedereen gerealiseerd wordt door deel te nemen aan de Nederlandse samenleving.

Dit zou betekenen dat er voor iedereen momenten van inburgering zouden moeten zijn, dus ook voor de grote groep mensen die de minister-president tot de ‘stille meerderheid’ van ‘gewone Nederlanders’ rekent. Maar het zou ook betekenen dat iedereen kan inburgeren, en dat er dus geen principiële reden is om nieuwkomers op basis van afkomst toe te laten of uit te sluiten van de mogelijkheid om Nederlanderschap te verdienen. Het zou betekenen dat immigranten primair zouden worden bejegend als potentiële deelnemers aan het Nederlanderschap, niet als lichamen die zoveel mogelijk buiten het nationale territorium dienen te worden gehouden.

Ik beschreef hierboven de fundamentele ambivalentie van natiestaten. Aan de ene kant bieden natiestaten ruimte voor recht en democratie, aan de andere kant zijn het structuren voor het efficiënt managen van zowel de ‘lichamen’ die tot de natie worden gerekend als van de lichamen die van deelname aan het ‘nationale lichaam’ worden uitgesloten. Het regeerakkoord bevat verschillende passages over de migranten die de afgelopen jaren zijn gestorven op weg naar Europa, bijvoorbeeld: ‘De wegen die zij zoeken naar met name Europa hebben talloze menselijke drama’s tot gevolg en mensensmokkelaars maken misbruik van de situatie’. De genoemde menselijke drama’s zijn echter niet zozeer het gevolg van de ‘wegen die zij zoeken’, als van het afsluiten van wegen. De volgende zin is daarom absurd: ‘Om drama’s op zee en de bloei van de mensensmokkel een halt toe te roepen is in aanvulling op bovenstaande nodig dat we onze EU-buitengrenzen stevig bewaken’. De ‘stevige’ bewaking van de EU-buitengrenzen is immers de hoofdoorzaak van de genoemde ‘drama’s’. Het eveneens in het regeerakkoord bepleitte ‘outsourcen’ van Europese grensbewaking aan derde landen, en het creëren van ‘virtuele maritieme grenzen’ in de zuidelijke Middelandse Zee, draagt nog verder bij aan de extreme onveiligheid van migranten.

De vraag waarmee ik deze blogpost zou willen beëindigen is daarom: kan het idee van Nederlanderschap als verdienste, wanneer het serieus genomen wordt, een democratisch tegengif zijn tegen een ‘biopolitieke’ behandeling van de ‘gewone Nederlander’ als onderdeel van een homogeen nationaal lichaam, en tegen een ‘necropolitieke’ behandeling van mensen die door een beleid van uitsluiting, tegenwerking en ‘ontmoediging’ worden overgeleverd aan extreem geweld en aan de dood?

 


[1] https://www.vvd.nl/nieuws/lees-hier-de-brief-van-mark/

GRONDWET ARTIKELEN

OVER DE AUTEUR

Michiel Bot is werkzaam als universitair docent bij Tilburg University

Reacties

Reageer!

Vul uw reactie hier in

* Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar, er kan enige tijd overheengaan tot uw reactie zichtbaar is.