07.03.2017

Maarten Stremler

TAGS
REAGEER!

BLOG

De participatieverklaring: onrechtsstatelijk moralisme?

Onlangs heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer ingestemd met een voorstel van minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om nieuwkomers verplicht de zogeheten ‘participatieverklaring’ te laten ondertekenen. Bij deze nieuwkomers gaat het onder meer om asielmigranten en om migranten die naar ons land komen in het kader van gezinshereniging. EU-migranten en Turkse migranten zijn uitgezonderd van de verplichting omdat Europese regelgeving dit in de weg staat. Wel kunnen zij de verklaring op vrijwillige basis ondertekenen.
 
De tekst van de participatieverklaring heet de ondertekenaar welkom in Nederland en geeft aan dat we hier vier waarden heel belangrijk vinden: vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. De waarden worden beknopt toegelicht. De verklaring sluit af met een slotformule: ‘Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving en dat ik deze respecteer. Ik verklaar dat ik actief een bijdrage wil leveren aan de Nederlandse samenleving en reken erop dat ik daarvoor ook de ruimte krijg van mijn medeburgers.’
 
Nieuwkomers die weigeren de verklaring te ondertekenen krijgen een boete van maximaal 340 euro. Zolang de verklaring niet is ondertekend, wordt deze boete elk jaar herhaald. Omdat het ondertekenen van de verklaring een verplicht onderdeel is van het inburgeringsexamen kan de nieuwkomer die weigert de verklaring te ondertekenen geen permanente verblijfsvergunning krijgen of genaturaliseerd worden.
 
De participatieverklaring roept veel vragen op. Om te beginnen: waar komen de vier waarden vandaan? Waarom zijn deze waarden gekozen, en niet ook andere waarden, zoals bijvoorbeeld tolerantie of eigen verantwoordelijkheid? Verder: wat betekenen de afzonderlijke waarden precies, en hoe verhouden ze zich tot elkaar? En zijn ze eigenlijk niet zo algemeen dat ze nietszeggend zijn?
 
Praktisch van groter belang is de vraag welke concrete verplichtingen volgen uit de participatieverklaring. Introduceert de verklaring voor nieuwkomers een solidariteitsplicht en een participatieplicht? Moeten ze vrijwilligerswerk gaan doen? En mogen nieuwkomers inderdaad nooit iemand beledigen, zoals de tekst van de verklaring suggereert? Met andere woorden, waar zetten nieuwkomers nu precies hun handtekening onder?
 
Veel hangt in dit verband af van de vraag wat we moeten verstaan onder het ‘respecteren’ uit de verklaring. We zouden dit woord heel beperkt kunnen uitleggen, zodat het betekent dat de nieuwkomer zich op de hoogte heeft gesteld van de Nederlandse waarden, en meer niet. Maar we zouden het woord ook ruim kunnen interpreteren: het respecteren van de Nederlandse waarden houdt in dat de nieuwkomer deze waarden verinnerlijkt en uitdraagt. Deze ruime uitleg lijkt steun te vinden in het feit dat de verklaring een aanvulling is op de onderdelen van het inburgeringsexamen waarin het juist alleen om kennis en vaardigheden gaat.
 
Indien het respecteren van de Nederlandse waarden inderdaad moet worden gelezen als verinnerlijken en uitdragen, dan is dat vanuit rechtsstatelijk oogpunt zeer problematisch. De rechtsstaat berust op een scheiding van recht en moraal. Het recht vereist overeenstemming van ons uiterlijke handelen met de wet; niet ook onze innerlijke instemming met achterliggende waarden. Indien de overheid mensen verplicht er bepaalde opvattingen op na te houden, dan is dat een inbreuk op hun vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en op hun vrijheid van meningsuiting.
 
Nieuwkomers en burgers moeten zich in hun gedrag aan de wet houden, meer vraagt de rechtsstaat niet. Dit komt goed tot uitdrukking in de ‘verklaring van verbondenheid’, de verklaring die bij de naturalisatieceremonie wordt afgelegd. In tegenstelling tot de participatieverklaring spreekt deze verklaring niet van waarden, maar van ‘de grondwettelijke orde van het Koningrijk der Nederlanden’. De nieuwe staatsburger verklaart zich te onderwerpen aan de wetten die in het Koninkrijk gelden.
 
De rechtsstaat kan dus geen bepaalde moraal afdwingen – iets anders is het, dat de rechtsstaat wel een minimale moraal vooronderstelt. Het recht bestaat niet op zichzelf, maar is voor haar functioneren afhankelijk van een basale consensus over hoe we met elkaar omgaan. De participatieverklaring is ingegeven door de vrees dat immigratie de vanzelfsprekendheid van deze consensus bedreigt. Dat is op zich geen rare gedachte: nieuwkomers komen immers veelal uit landen waar andere waarden gelden, die kunnen botsen met de Nederlandse waarden.
 
In een vrij land laat de overheid de ontwikkeling van de moraal echter over aan de samenleving. De overheid verplicht niemand bepaalde waarden te onderschrijven. Uiteraard kan de overheid burgerschapsonderwijs aanbieden, maar dat is vanwege de vrijblijvendheid ervan iets anders dan het opleggen van een bepaalde moraal.
 
De morele vrijheid die een rechtsstaat garandeert – ook voor nieuwkomers – is een groot goed. Ze bestaat echter niet zonder risico’s. Zoals de bekende Duitse jurist Böckenförde het formuleert: ‘De vrije geseculariseerde staat leeft van voorwaarden die zij zelf niet kan garanderen. Dat is het grote waagstuk dat de staat omwille van de vrijheid is aangegaan’. Immers, zodra de overheid deze voorwaarden door middel van het recht gaat afdwingen, is het gedaan met de vrijheid. Omgekeerd gedacht is een vrij land alleen mogelijk als haar burgers uit zichzelf de rechtsstaat ondersteunen.
 

GRONDWET ARTIKELEN

OVER DE AUTEUR

Maarten Stremler LLM is promovendus Europees constitutioneel recht aan Tilburg Law School

Reacties

Reageer!

Vul uw reactie hier in

* Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar, er kan enige tijd overheengaan tot uw reactie zichtbaar is.