NieuwsConstitutioneel Hof Sint Maarten vernietigt Landsverordening Integriteitskamer

Op 7 juli heeft het Constitutioneel Hof van Sint Maarten de Landsverordening Integriteitskamer vernietigd op verzoek van de Ombudsman. De Ombudsman had als meest verstrekkende klacht voorgedragen dat de Raad van Advies ten onrechte niet is geraadpleegd over de ingrijpende Nota van Wijziging die door de regering tijdens de parlementaire behandeling was ingediend. 
Het Hof acht deze klacht gegrond. Ingevolge de Staatsregeling kan het Constitutioneel Hof een wettelijke regeling vanwege onverenigbaarheid met de Staatsregeling, ook op grond van gebreken in de wijze van totstandkoming, vernietigen. Het Hof is daartoe dus niet verplicht. Desalniettemin is het Hof tot vernietiging overgegaan, mede in aanmerking gekomen dat er inhoudelijk aan de landsverordening vanuit constitutioneel perspectief wezenlijke gebreken en grote onduidelijkheden kleven. 
Daarmee volstaat het Hof niet. Het Hof beoogt met zijn uitspraak randvoorwaarden te formuleren, onduidelijkheden in de landsverordening te signaleren en suggesties te doen, zodanig dat de wetgever daarmee bij het tot stand brengen van een nieuwe regeling een zeker houvast gegeven wordt met betrekking tot de in het licht van de Staatsregeling in acht te nemen condities.
Naar het oordeel van het Hof kleven aan de Landsverordening in het licht van artikel 5 (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en artikel 26 (een eerlijk proces) van de Staatsregeling en vanuit overwegingen van effectiviteit wezenlijke gebreken en substantiële onduidelijkheden die in een nieuwe verordening vermeden zouden moeten worden. Het horen door de Integriteitskamer onder ede of onder pressie van een last onder dwangsom vanaf het moment dat sprake is van een 'criminal charge' zou uitgesloten moeten worden. Overigens zouden aldus verkregen verklaringen niet in het strafproces gebruikt mogen worden, omdat dat in strijd zou zijn met het nemo tenetur-beginsel (d.i. het beginsel dat niemand bewijs tegen zichzelf behoeft te leveren). 
Duidelijkheid zal geboden moeten worden welke door de Integriteitskamer in haar onderzoek vergaarde gegevens bij het doen van aangifte van mogelijke strafbare feiten aan het OM beschikbaar gesteld mogen/moeten worden en in hoeverre de Integriteitskamer vervolgens, wanneer sprake is van een criminal charge, haar eigen onderzoek nog mag voortzetten. Daarbij zal verhelderd moeten worden in hoeverre in het kader van de strafvervolging gebruik gemaakt kan worden van door de Integriteitskamer in het met minder waarborgen omklede bestuursrechtelijk onderzoek verkregen gegevens, opdat voorkomen wordt dat - in strijd met de eisen van een eerlijk proces - strafvorderlijke waarborgen ontdoken worden. Een coördinatieregeling tussen Integriteitskamer en OM lijkt aangewezen.
Op de binnentredings- en onderzoeksbevoegdheden van de Integriteitskamer dient toezicht gehouden te worden door een instantie waarvoor voldoende waarborgen ter zake van onafhankelijkheid en kwaliteit gelden. Aangevuld met een beklagprocedure vergelijkbaar met artikel 150 Sv kan daarmee voldaan worden aan artikel 5 van de Staatsregeling (eerbiediging persoonlijk levenssfeer). De huidige Commissie van Toezicht kan daartoe echter niet dienen, nu deze niet aan genoemde eisen voldoet en niet over de daartoe noodzakelijke bevoegdheden beschikt. Ook overigens dient de toezichthoudende instantie over voldoende bevoegdheden ten opzichte van de Integriteitskamer te beschikken.
Vind de uitspraak hier.