Literatuur Democratie en politiek

De Catch-22 van de intrekking van de wet raadgevend referendum

Wim Voermans

Op 21 december 2017 diende de regering het wetsvoorstel tot intrekking van de Wet raadgevend referendum in en één ding wil het kabinet absoluut niet: een referendum over deze intrekkingswet. Om er zeker van te zijn dat dat niet gaat gebeuren, is er een soort dubbel slot op de deur van het voorstel van de intrekkingswet Wrr gezet, de artikelen V en VI. Deze bijzondere bezweringsformules strijden echter met de Grondwet, de Bekendmakingswet, de Aanwijzingen voor de regelgeving, regels van behoorlijk wetgeven, het rechtszekerheidsbeginsel, elementaire logica en – ook nog eens – met de Wrr zelf. Dat de voorlichting van de Raad van State van 20 februari jl. deze juridische complicaties van het intrekkingswetsvoorstel onder de mat probeert te schuiven, doet daar niets aan af.

Dit artikel verscheen in het NJB 2018/544.

De Wet raadgevend referendum afschaffen of verbeteren?

Suzanne Bloks

Bij het besluit om de Wet raadgevend referendum (Wrr) af te schaffen duiden de gebruikte argumenten eerder op noodzaak tot verbetering van de Wrr dan op noodzaak tot afschaffing. Het gebrek aan inhoudelijke overwegingen over het ontwerp van referenda volgt een trend die is ingezet bij het instellen van de Wrr. De introductie van de opkomstdrempel in de Wrr geeft dit beeldend weer. Dit artikel maakt inzichtelijk hoe aanpassing van de opkomstdrempel in de Wrr de werking van raadgevende referenda kan verbeteren. Dit laat zien dat er mogelijkheden zijn om het niet-bindende raadgevend referendum door middel van aanpassingen een beter democratisch instrument te laten zijn.

Dit artikel verscheen in het NJB 2018/60.

Intrekking van de Wet raadgevend referendum. Over de nasleep van het Oekraïnereferendum

Eva van Vugt

Het Oekraïnereferendum heeft een aantal politici genezen van de vurige wens om burgers via referenda bij het wetgevingsproces te betrekken. Zo is het voorstel tot wijziging van de Grondwet strekkende tot de invoering van een bindend referendum in tweede lezing gesneuveld en wordt de Wet raadgevend referendum waarschijnlijk ingetrokken waarbij een referendum over die intrekkingswet onmogelijk is. Dit artikel beschrijft wat voor een hersenkraker het voor de regering moet zijn geweest om het wetsvoorstel voor de intrekking van de Wet raadgevend referendum zo op te stellen dat een referendum over die intrekkingswet onmogelijk werd.

Dit artikel verscheen in NJB 2018/59.

Weerbare democratie en het probleem van timing: De zaak tegen de NPD

Afshin Ellian, Gelijn Molier en Bastiaan Rijpkema

Op 17 januari 2017 besloot het Bundesverfassungsgericht (BVerfG) dat de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) niet verboden wordt. Het BVerfG oordeelde dat de NPD weliswaar is gericht op omverwerping van de liberaal-democratische basisorde, doordat ze streeft naar een ‘op een etnische ‘volksgemeenschap’ georiënteerde autoritaire ‘nationaalstaat’, een staatsmodel dat de, voor allen gelijke, menselijke waardigheid aantast en het democratiebeginsel veronachtzaamt, maar de partij werd toch niet verboden omdat het onwaarschijnlijk is dat ze haar doelen ooit zal bereiken. De uitspraak betekent een stevige ‘update’ van het ‘jaren vijftig-kader’ omtrent partijverboden. De uitspraak roept een vraag op die nauw gerelateerd is aan, maar toch dient te worden onderscheiden van, de rechtvaardiging van partijverboden: wanneer is het ‘juiste’ moment om in te grijpen en wat zegt het het EHRM daarover?

Dit artikel verscheen in NJB 2017/1279

Het verbod van een politieke partij: Een anomalie in een democratie?

Gelijn Molier

De opkomst in Europa van rechts-populistische partijen enerzijds en moslim-fundamentalisten anderzijds dwingt regeringen er toe na te denken over de vraag hoe om te gaan met extremistische organisaties en bewegingen wier gedachtegoed of ideologie haaks staat op de uitgangspunten van democratische rechtsstaten. Wat rechtvaardigt het verbod van een politieke partij in een democratie? Hoe kan een dergelijke ogenschijnlijk ondemocratische maatregel politiek-filosofisch gerechtvaardigd worden en wat vormt het huidige juridische criterium voor een partijverbod? Betoogd wordt dat de rechtsfilosofie van Gustav Radbruch in de politiek-filosofische rechtvaardiging voor een partijverbod kan voorzien. Daarnaast wordt geconcludeerd dat op grond van het huidige recht niet alleen antidemocratische partijen, maar ook anti-rechtsstatelijke partijen verboden kunnen worden. In dat opzicht ligt aan de Nederlandse rechtsorde een materiële democratie-opvatting ten grondslag.

Dit artikel verscheen in het NJB 2016/1754.

Het ongemak van de representatieve democratie met de burger

H.R.B.M. Kummeling

De overheid is op bijna wanhopige wijze op zoek naar de burger om meer legitimiteit te verkrijgen voor haar besluitvormingsprocedures en besluiten. Als de burger eenmaal gevonden is, blijken de instituties van de representatieve democratie echter moeilijk met de uitkomsten van de besluitvormingsprocedures waaraan de burger heeft deelgenomen, om te kunnen gaan. Kummeling bespreekt in dit artikel welke pogingen zijn ondernomen om de legitimiteit van het vigerende representatieve stelsel te ondersteunen en te versterken, maar die pogingen hebben nauwelijks tot aanpassing van het democratische stelsel geleid. Betoogd wordt dat in een representatieve democratie burgers meer bij de besluitvorming betrokken zouden moeten worden, maar dat de politieke vertegenwoordigers daar ten onrechte veel moeite mee hebben. 

Dit artikel verscheen in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, jaargang 7 afl. 3.

Politieke partijen als anomalie van het Nederlandse staatsrecht

H. Broeksteeg & R. Tinnevelt

In 1954 merkte de commissie-Van Schaik met een zekere felheid op dat politieke partijen volledig afwezig waren in de Nederlandse Grondwet. Gezien de belangrijke plaats die politieke partijen in ons staatsbestel innemen vond de commissie het een anomalie dat ‘de Grondwet thans in geen enkele bepaling gewag maakt van deze partijen’. Nu, meer dan zestig jaar en vele voorstellen later, lijkt deze conclusie nauwelijks aan kracht ingeboet te hebben. De Grondwet bevat nog steeds geen directe verwijzing naar politieke partijen. Binnen het Nederlandse recht worden zij als civielrechtelijke organisaties beschouwd. De wetgever heeft hiermee op staatsrechtelijk vlak voor een non-interventionistische benadering van politieke partijen gekozen. In dit boek staat de vraag centraal hoe deze benadering zich verhoudt tot de eigenlijke status en functie die partijen in onze politieke werkelijkheid hebben. Naast historische en conceptuele beschouwingen komt in dit boek een aantal prangende constitutionele problemen aan bod – zoals subsidiëring, de vaststelling van kandidatenlijsten en het vrije mandaat – en wordt een rechtsvergelijking gemaakt met België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.